In 1814 kwam Bethlem Hospital ernstig in opspraak toen bleek dat een van de patiënten, James Norris, maar liefst 12 jaar aan een muur geketend had gezeten.

© Getty Images, London Metropolitan Archives & Shutterstock

Slaag en marteling waren dagelijkse kost in eerste dolhuis ter wereld

In 1377 nam het Bethlem in Londen als eerste gasthuis ter wereld geesteszieken op. Naakt en geboeid werden de patiënten jarenlang opgesloten in kleine hokken. Het dolhuis werd een vorm van volksvermaak: duizenden stroomden elk jaar toe om zich vrolijk te maken over de ‘verpleegden’.

7 augustus 2019 door Stine Overbye

Uit de ellenlange rij donkere hokken van Bethlem Hospital klonk een erbarmelijk gejammer en geween. Voortdurend beukten zieken met hun hoofd tegen de muur.

Opgetogen bezoekers die van cel naar cel liepen, genoten van een geweldige freakshow, een tentoonstelling van naakte en kaalgeschoren mensen die hun verstand hadden verloren en als kooidieren geketend op de ijskoude vloer lagen. 

De ene zieke keek met een lege blik, de andere vertrok zijn gezicht in een enge grimas of barstte ineens in getier los. Sommigen krompen ineen van angst of zaten versuft van de opium weg te dommelen.

‘Denk aan de arme krankzinnigen en leg uw aalmoes in het bakje’, stond op het bord bij de ingang, waar een wacht erop toezag dat niemand naar binnen glipte zonder eerst een penny of twee afgestaan te hebben. 

Dat was de toegangsprijs voor een van de meest geliefde vermakelijkheden die Londen in de 18e eeuw te bieden had: het dolhuis Bethlem, in de volksmond Bedlam.

Verzorgers stelden in een hels kabaal van rinkelende kettingen en uitzinnige angstkreten hun levendigste pa­tiënten tentoon terwijl in de gangen verkopers gebak, fruit en noten aan de man brachten. De toeschouwers prikten de zieken met stokken. 

Volgde er geen reactie, dan probeerden de bezoekers hen met vloeken en schelden uit te dagen. Hier en daar barstte een zieke los in gezang of declameerde een gedicht, in ruil voor een glas gin en het applaus van de toeschouwers, die er luid lachend nog maar een pint bier op namen.

Pas tegen de schemering, als het in het gebouw donker werd, keerde de rust in Bedlam weer. Terwijl de laatste dagjesmensen het gasthuis verlieten en het geluid van klepperende paarden­hoeven wegstierf, werden de patiënten weer overgelaten aan hun droevig lot.

Bestuurder stal van de zieken

Waar Liverpool Street Station nu ligt, stichtte de kerk in 1247 een bescheiden klooster, St. Mary of Bethlehem. Van oudsher boden de monniken daklozen, armen en zieken een bete broods en een bed. Vanaf 1377 ving Bethlehem op kleine schaal mensen ‘die hun verstand en hun geheugen hadden verloren’ op.

Daarmee werd het klooster ’s werelds eerste psychiatrische ziekenhuis, al leek het meer een bewaarplaats en gevangenis. De patiënten werden niet verpleegd of behandeld, maar aan de muur geketend in piepkleine hokken met tralies voor de lichtgaten en stro op de grond. 

Als ze gewelddadig of gevaarlijk waren, werden ze met de zweep en ijsbaden bestraft. En al betaalde de familie of de parochie voor het verblijf en schonken plaatselijke neringdoenden Bedlam brood, kaas, bier, vlees en vis, voor de zieken schoot er niet veel over.

De eerste bestuurder, Peter the Porter, beschouwde de giften als zijn bezit, en als de zieken eten, drinken of brandhout nodig hadden, moesten zij dat van hem kopen, voor zíjn prijs.

In mei 1403 werd Peter ontslagen toen bleek dat hij vele spullen uit het huis gestolen had, zoals: 33 dekens, 25 lakens, 5 pannen, 8 borden, 1 draagbaar, 6 ijzeren ketens en 4 handboeien. En hij werd veroordeeld omdat hij Bethlem in opspraak had gebracht: hij had tot drinken, gokken en onzedelijkheden aangezet.

Peter the Porter zou de eerste zijn in een lange reeks misdadige en onbekwame bestuurders van Bethlem die met soortgelijk verzuim, onrechtmatig gedrag en vergrijpen in zijn voetsporen traden. 

Eeuwenlang bleven de omstandigheden even onmenselijk, en was de behandeling van de geesteszieken op zijn best even gebrekkig, op zijn slechtst ronduit wreed, in onze ogen.

In de 18e eeuw werd het dolhuis Bethlem een geliefd uitstapje voor de burgers
van Londen. Verplegers toonden tegen betaling de ongelukkigen in het gasthuis.

© Polfoto/Ullstein

Geesteszieken behandeld met slaag

Al hadden artsen zich sinds de Griekse oudheid beziggehouden met kwalen van de geest, en al zijn psychische stoornissen zo oud als de wereld, de psychiatrie als geneeskundige richting bestaat pas sinds eind 18e eeuw. 

Tot dan, maar later ook nog, was het aan de familie om geesteszieken te verzorgen. Een rustige zieke mocht min of meer vrij rondlopen, maar gewelddadige of onhandel­bare types werden in hun eigen huis opgesloten als gevangenen, of in een armenhuis aan een paal gebonden.

In Ierland beschreef een lid van het Lagerhuis in 1817 nog een andere gewoonte: ‘Als een sterke man of vrouw door de ziekte bezocht wordt, wordt deze in een kuil van anderhalve meter diep in de vloer gestopt. Daarop wordt een kribbe gezet zodat hij of zij niet kan ontsnappen. In dat hol krijgt de stakker te eten, en sterft meestal.’

De omstandigheden in het Bethlem in Londen weken niet wezenlijk af van die van de verzorging thuis. De behandeling bestond voornamelijk uit lijfstraffen, aangezien men ervan uitging dat geestesziekte een ingeslopen kwaad was dat je er ook weer uit kon ranselen.

In Apology, een werk uit 1533, beschreef een beroemde buurtgenoot van Bedlam, de humanist Thomas More, een geesteszieke man, die na zijn dagelijkse portie slaag gezond verklaard en ontslagen werd. 

Dat hij niet helemaal genezen was, bleek naderhand: de man bezocht op gezette tijden kerken en besloop vrouwen die in gebed voor het altaar geknield waren. In een snelle beweging gooide hij hun rokken over hun hoofd, een grote vernedering, aangezien toen niemand een onderbroek droeg.

Op een dag werd de man op heterdaad betrapt door een agent, die hem naar buiten sleurde en vastbond aan een boom. Hier werd hij in het openbaar afgeranseld, en volgens More was deze behandeling zo heilzaam dat de man deze keer wel volledig genezen was.

Bedlams bewoners leefden in drek

In 1547 werd Bedlam (een naam die in het spraakgebruik allang synoniem was aan ‘gekkenhuis’) overgedragen aan het stadsgewest City of London, dat zijn geld wel beter kon besteden dan aan de zorg voor geesteszieken. 

Het voormalige klooster was al geen mooi gebouw, maar in 1598 was het zo vervallen dat de gemeente het ‘ongeschikt voor menselijke bewoning’ achtte. De stank van uitwerpselen was berucht, de hokken waren door en door smerig, het dak lekte en de bewoners zaten onder het vuil.

‘Een ongelooflijke zwijnenstal en een weerzinwekkend rattennest’, noemden vaste bezoekers het gasthuis.

De kritiek bleef echter zonder gevolgen, en toen de arts Helkiah Crooke in 1619 aantrad als bestuurder van Bedlam, was het gebouw één smerige bende, met ongewassen zieken aan de ketting. 

Toen was de plaats allang een attractie geworden, waarvoor bezoekers sinds 1610 betaalden om een kijkje te nemen in ‘The show of Bedlam’.

In 1619 werd Helkiah Crooke bestuurder van Bedlam. Hij was vermaard om zijn werk over anatomie, maar voor de omstandigheden van de geesteszieken had hij geen oog.

© Cambridge University

Verzorgers misbruikten patiënten

Evenals Peter the Porter beschouwde Crooke het gasthuis als zijn persoonlijke geldmachine, en door zijn drukke privépraktijk was hij zelden in het gasthuis te vinden. Hij deed overigens geen enkele poging om de zieken een behandeling, laat staan verzorging te bieden.

In 1620 klaagde een vader van een patiënte dat zijn dochters voet door de gebrekkige zorg wegrotte, en bij een onaangekondigd controlebezoek in 1631 stelden de toezichthouders vast dat de zieken aan het verhongeren waren. 

Ze hadden dagen achtereen niets te eten gehad. De laatste keer dat ze een fatsoenlijke maaltijd kregen, was zeker een week geleden, toen de 30 zieken ruim twee kilo kaas mochten verdelen.

De toezichthouders constateerden ook dat de zieken verkleumd waren tot op het bot. Alleen de keuken van het huis had een haard, maar daar stond de vrouw van de portier: haar wil was wet, en zij wilde daar geen gekken.

Nadat Crooke 15 jaar lang had geschitterd door afwezigheid maar wel geld had ingepikt dat voor de zieken bestemd was, werd hij in 1634 ontslagen. Maar als de bewoners dachten dat er nu een nieuw en beter bestuur zou komen, dan werden ze zwaar teleurgesteld.

Onder Richard Langley kwam Bedlam van de regen in de drup. Eten en drinken voor de zieken, verstrekt door vrienden en familie, verdween op raadselachtige wijze. Het echtpaar Langley dijde uit, de zieken waren wandelende geraamtes. 

Overdag waren mevrouw en meneer al aangeschoten, en elke avond gingen ze volgens de buren aan de zwier in een naburige kroeg en kwamen ze midden in de nacht terug om door te feesten met hun lallende drinkebroers.

Om verwaarlozing van de zieken te voorkomen of in elk geval te beperken kwamen inspecteurs onverwacht op bezoek, en vanaf 1646 was het verboden patiënten te slaan of te koeioneren.

Ondanks het strengere toezicht het personeel ondeskundig en onbeschoft. Zieken die weigerden te eten, werden daartoe gedwongen, wat vaak leidde tort verlies van hun voortanden omdat de verplegers een soort wig tussen de tanden zetten om zich toegang te verschaffen. 

Ook aanranding en ontucht waren aan de orde van de dag. Een werk­nemer, Anthony Dadsworth, werd in 1652 ontslagen op grond van niet nader omschreven ‘onzedelijk gedrag’, terwijl Roland Wolly in 1675 de laan uit vloog wegens ‘slechtheid en oneerlijke praat’. 

Omstreeks 1685 werd Edward Langden op straat gezet nadat hij een patiënte zwanger had gemaakt. Dit leidde ertoe dat de mannen en vrouwen in Bedlam hun eigen afdeling kregen.

Het Versailles van de geesteszieken

Twee jaar nadat het bestuur van Bedlam officieel was aangeraden het gasthuis te sluiten, omdat het ‘te oud, te wankel, te vervallen en te klein’ was, verhuisden de bewoners in juli 1676 naar de nieuwe, schitterende behuizing van New Bethlehem in Moorfields aan de rand van Londen. 

Het gasthuis was nog maar net op­geleverd, een prachtig barokgebouw dat enigszins deed denken aan het paleis van Versailles en de bijnaam Palace Beautiful kreeg. Maar al één maand na de opening schreef een anonieme dichter dat ‘iedereen in dit voorstedelijk wonder gek zou worden’.

Met het idee dat geesteszieken niet beïnvloed werden door hun omgeving, en dus ook niet door koude, waren de vertrekken als tochtige gevangeniscellen ingericht. 

De handboeien en ketens waren uit Bedlam meeverhuisd, en werden nog steeds volop gebruikt voor de meest gehate behandelingen.

De zieken werden kaalgeschoren en kregen een poeder van gestampte Spaanse vlieg en mosterd op hun kruin, dat pijnlijke blaasjes veroorzaakte. 

Ziekteverwekkende sappen zouden zo van de hersenen door de ontstoken hoofdhuid naar buiten kunnen, zodat het lijden van de patiënt verlicht werd. 

Vanuit diezelfde gedachte was behandeling met bloedzuigers ingesteld, die de onevenwichtigheden in het lichaam konden wegzuigen, dacht men. Ook het geven van ontlastings- en braakmiddelen zou heilzaam zijn, omdat de zieken zo hun kwaadaardige sappen konden lozen.

Kon het oude Bedlam 30 patiënten onderdak bieden, nu waren het er wel 140, die ook veel meer toeschouwers trokken. Kort na de inwijding was het gasthuis al een van de allergrootste trekpleisters van Londen, met tegen de 100.000 dagjesmensen per jaar.

Rad: Om geesteszieken rustig te houden bedacht men van alles. Artsen vonden in de 18e eeuw een houten, hol rad uit waarin een patiënt al draaiende tot bedaren kon komen.

© Bridgeman

De gekken van Parijs bevrijd

Niet alleen in Engeland werden geesteszieken als beesten behandeld. Overal in Europa werden ze onderworpen aan deze of nog ergere behandelingen.

De Fransman Philippe Pinel besloot in 1793 een nieuwe weg in te slaan. Hij werkte als arts bij een der grootste gasthuizen van Parijs en was ontsteld over de erbarmelijke omstandigheden waar­in de geesteszieken er leefden.

Hij verbood ketens voor alle zieken en voerde een ‘morele’ behandeling in, gebaseerd op een liefdevolle maar doortastende verpleging van de zieken. 

Deze werden niet langer in vochtige, donkere hokken gestopt, maar mochten elke dag naar buiten in de frisse lucht. Deze aanpak vond in Europa navolging, ook in Engeland, waar het gasthuis York Retreat Pinels beginselen in 1796 invoerde.

Geketende soldaat stierf na 12 jaar

In New Bethlehem gingen de wreed­heden echter onverminderd voort. Toen de filantroop Edward Wakefield het huis in mei 1814 bezocht, was hij geschokt. 

Op de vrouwenafdeling zaten in elke ruimte 10 zieken, allen naakt, met zo’n korte ketting aan de muur vastgeketend dat ze bijna niet konden liggen. Bij de mannen was het amper beter. Zes mannen zaten in een ruimte gepropt, vast­gebonden met ketens en handboeien.

Vooral één zieke maakte indruk op Wakefield: de 55-jarige Amerikaanse soldaat James Norris, die al 14 jaar gevangen was, waarvan hij 12 jaar zo krap aan de ketting zat dat hij zich amper kon bewegen. Om zijn nek en middel zaten ijzeren ringen, die met 40 centimeter korte ketens aan de muur vastzaten.

Wakefields onthullingen maakten alom een storm van verontwaardiging los, en toen Norris nog geen jaar later stierf, volgens de lijkschouwing aan zwaarlijvigheid vanwege jarenlang nietsdoen, wierp de tragedie nog een schaduw over Bethlem. De artsen van het ziekenhuis wezen echter elke verantwoordelijkheid voor de ellende van de hand.

In 1818 kwam oud-patiënt Urbane Metcalf met meer bewijzen voor de mensonterende situatie, in een pamflet over zijn ervaringen in het ziekenhuis. 

Hij schreef dat incontinente zieken in de kelder gestopt werden, op stro moesten slapen en regelmatig werden mishandeld door sadistische verplegers. Volgens Metcalf waren de meeste verplegers ‘boosaardig en altijd dronken’, en met name drie noemde hij zeer wreed: ‘Schurken – en mishandeling van de mensheid is nog maar hun kleinste misdaad.’ 

Op de lijst van schrijnende gevallen stond mijnheer Popplestone, wiens benen wegrotten en afvielen nadat de ketens zich door het vlees gevreten hadden. 

Beschaamd vertelde Metcalf over de 80-jarige meneer Baccus, die gevallen was, waarna een van de verplegers medepatiënten had aangemoedigd om hem te vertrappen. ‘Baccus is nu dood’, meldde Metcalf droog. 

Ook in de nieuwe behuizing op St. George’s Field, vanaf 1815, waren in Bedlam misstanden.

© Mary Evans

Schandalen volgen elkaar op

Drie jaar voor Metcalf zijn kritiek uitte, was Bethlem weer verhuisd, deze keer naar St. George’s Field in Southwark, in Zuidoost-Londen. 

Het nieuwe verblijf was van buiten minstens zo indruk­wekkend als het vorige Bethlem, maar kwam van binnen ook akelig veel met het oude gebouw overeen. De nu 200 zieken werden nog steeds blootgesteld aan dwang en lijfstraffen, en het ene schandaal volgde op het andere.

In december 1850 ging patiënte Ann Morley van Bethlem naar een privé­kliniek. Ze had een blauw oog, was broodmager en zo krachteloos dat ze niet rechtop kon zitten. 

Ze vertelde aan de arts dat een bewaker haar had geslagen, had overgoten met ijskoud water en had gedwongen naakt op een dun laagje stro in de kelder te slapen.

Soortgelijke berichten verschenen in de pers, en al gaf de leiding van Bethlem toe dat er sprake was van verzuim en verwaarlozing, de directeur en de artsen hielden zich van de domme en beweerden dat ze niet precies wisten wat er zich in Bethlem afspeelde.

Ondanks de hervormingen die het gasthuis almaar doorvoerde, was er in het najaar van 1888 weer grote ophef. 

The Times berichtte over een schrik­barend hoog aantal sterfgevallen: van de 264 patiënten die in 1887 in Bethlem opgenomen waren, waren er in datzelfde jaar al 38 dood. Dat betekende een jaarlijkse sterfte van 14,4%, bijna het dubbele van het landelijke sterftecijfer.

De krant meldde verder dat dwang en lijfstraf veel vaker in Bedlam dan in andere gasthuizen voorkwamen, maar geneesheer-directeur George Savage wees alle kritiek van de hand: ‘Ik meen dat het ranselen van geesteszieken enkele malen geleid heeft tot genezing’, sprak Savage, die zijn naam, ‘wreed’, eer aandeed. 

Hij was ervan overtuigd dat zelfbevrediging krankzinnigheid ver­oorzaakte, en bedacht er een probaat middel tegen: de geslachtsdelen van de zieke met een scalpel bewerken.

Een nieuwe wind door Bethlem

Begin 1900 ging Bethlem op de schop, ‘een metamorfose van rups naar vlinder’, zoals een dominee het uitdrukte. 

Door de vorderingen die de wetenschap op het gebied van geestesziekten eind 19e eeuw gemaakt had, zagen de artsen in dat geestesstoornissen echte ziekten waren. Lijfstraffen en dwang werden vervangen door therapieën, bewakers door opgeleide ziekenzusters, en in 1914 was Bethlem onherkenbaar veranderd. 

Er was een schitterende tuin aangelegd met rozen in allerlei kleuren, en binnen was het of je de salons van een deftige Engelse herenclub betrad. 

Aan de muren hingen schilderijen, her en der stonden vazen met bloemen, de boekenkasten puilden uit met boeken en tijdschriften en er waren overal gezellige zitjes gemaakt, met zachte sofa’s waar de zieken thee geserveerd kregen. 

Je kon alleen aan de ramen zien dat het een gasthuis was; die waren zo klein dat je er onmogelijk door kon ontsnappen. Van een martelinstituut en bewaarplaats was Bethlem een instelling geworden die navolging kreeg. 

In 1914 konden de artsen goede sier maken met een genezingspercentage van 50, een enorm succes en een wonder vergeleken met vroeger, toen de zieken hun leven in Bedlam vaak eindigden in de ketens, en op de binnenplaats van het gasthuis begraven werden. 

Lees ook

Catharine Arnold: Bedlam – London and Its Mad, Pocket Books, 2008. Paul Chambers: Bedlams Hospital For The Mad, Ian Allan Publishing, 2009. Edward Shorter: Psykiatriens historie – fra asyl til Prozac, Munksgaard, 2001. 

Bekijk ook ...