Frédéric Chopin (in bed) vroeg zijn zus (l) om zijn hart naar Warschau te brengen.

© Teofil Kwiatkowski/wikicommons

‘Ingemaakt’ hart onthult doodsoorzaak van bekende componist

Uit angst om levend te worden begraven deed Frédéric Chopin zijn zus vlak voor zijn dood een luguber verzoek. En daardoor kan nu zijn doodsoorzaak worden vastgesteld.

Net als veel andere Europeanen in de 18e en 19e eeuw werd de componist Frédéric Chopin gekweld door een gedachte die hem zo veel angst aanjoeg, dat hij er alles voor overhad om te voorkomen dat zij werkelijkheid werd.

In heel Europa gingen namelijk verhalen over lijken die waren gevonden met een ingeslagen voorhoofd. Het ging om mensen die levend waren begraven en met hun hoofd tegen het deksel van de kist hadden gebonkt in een wanhopige poging om te ontsnappen.

De laatste woorden van de beroemde componist waren daarom niet mis te verstaan:

‘Beloof me dat ze me opensnijden, zodat ik niet levend wordt begraven.’

Naar Polen gesmokkeld

Chopins zus gaf gehoor aan zijn laatste wens. Toen de componist in 1849 stierf, zorgde zij ervoor dat zijn hart uit zijn lichaam werd gehaald.

Ze deed het hart in een pot met cognac en smokkelde het van Parijs, waar de componist stierf, naar Warschau, waar hij was geboren. Daar stond de pot sinds 1945 in vrede in de Heilig Kruiskerk.

Unieke kans

In 2014 kreeg een groep onderzoekers echter een unieke kans om het ‘ingemaakte’ hart te onderzoeken. Tot dan toe was de doodsoorzaak van de componist namelijk onzeker.

En dankzij zijn angst om levend te worden begraven en de daaruit voortvloeiende wens om zijn hart te laten verwijderen, konden ze onlangs de conclusie bekendmaken: Chopin stierf aan tuberculose.