De grote nijlbaars moest de visindustrie rond het Victoriameer in Afrika een impuls geven. Maar hij bracht lokale vissers de doodsteek toe, waarover je meer leest onder punt 7.

7 natuurblunders kostten de samenleving miljarden

24 konijnen vormden een van de grootste natuurbedreigingen van Australië, een reuzenvis verdrong andere soorten uit het Victoriameer en een Shakespeare-fan stouwde New York vol met spreeuwen.

10 april 2019 door Martin Landin

1. 24 konijnen werden een plaag

Zelfverzekerd zette de Engelse kolonist Thomas Austin in 1859 24 konijnen uit op zijn land in de Australische deelstaat Victoria. 

De dieren deden hem denken aan zijn vaderland, en, zoals hij het zelf zei, ‘een paar konijntjes kunnen toch geen kwaad’. Boeren in de omgeving volgden het voorbeeld van Austin. 

Honderden konijnen werden vrijgelaten, tot vreugde van de lokale jagers. Maar het bestand groeide snel. Binnen 10 jaar konden jagers twee miljoen konijnen per jaar schieten zonder dat de populatie noemenswaardig terugliep.

De konijnen vraten alle gewassen en wilde planten op hun pad op. Veel landbouwgrond raakte geërodeerd, en een onbekend aantal Australische plantensoorten stierf uit.

In 1894 hadden de konijnen de grens van West-Australië bereikt en dreigden ze het hele land in te nemen. De regering besloot maatregelen te nemen. Tussen 1901 en 1907 werd 3256 kilometer hek gebouwd om de schadelijke dieren uit West-Australië te houden.

Het hek had effect, maar het loste het konijnenprobleem niet op. Het bestand nam nog steeds toe. In 1950 ontdekte viroloog Frank Fenner het myxomavirus, dat de ziekte myxomatose veroorzaakt.

Het virus doodde 500 miljoen konijnen, maar 100 miljoen overleefden de epidemie, waarmee het bestand zich kon herstellen. Konijnen vormen vandaag de dag nog steeds de grootste bedreiging voor de Australische natuur. 

Pas toen het myxomavirus ontdekt werd, kon de konijnenpopulatie van Australië iets ingedamd worden.

© National Archives of Australia

2. Reuzenpad ontwrichtte Queensland

De suikerrietplantages in de deelstaat Queensland in Noord-Australië werden in de jaren 1930 geteisterd door kevers die de bladeren opvraten. Hun larven leefden van de wortels van de planten.

Insectengif hielp niet, maar uit Hawaï kwam een oplossing: boeren in de Amerikaanse staat hadden met succes reuzenpadden ingezet tegen de kevers. 

Het Australische Bureau of Sugar Experiment Stations zette in 1935 dan ook 62.000 padden uit op de Australische velden.

De Australische keversoort leefde echter boven in de planten – buiten bereik van de padden, die uitgroeiden tot een enorme plaag voor de plaatselijke padden, slangen en krokodillen. Het keverprobleem is tot op de dag van vandaag niet opgelost.

Er is echter wel een enorm probleem bij gekomen: de padden verspreiden zich als een olievlek en hebben grote delen van Noordoost-Australië ingenomen. 

3. Voskoesoe groeide uit tot ergste natuurramp van Nieuw-Zeeland

De eerste kolonisten van Nieuw-Zeeland hadden moeite de eindjes aan elkaar te knopen. 

Ze gingen te rade bij hun collega’s in Australië, en kregen te horen dat ze voskoesoes moesten importeren, zodat ze een bonthandel konden opzetten. De buideldieren zouden zich ‘op geen enkele manier tot een ramp als het Australische konijnenprobleem kunnen ontwikkelen’.

Maar dat was precies wat er gebeurde. Ontsnapte voskoesoes stortten zich massaal op de inheemse vruchten, planten en vogels van Nieuw-Zeeland.

Nu wordt het land geteisterd door 30 miljoen voskoesoes. Die eten 21.000 ton eieren en vegetatie per dag en er komen er miljoenen per jaar bij. Bovendien besmetten ze andere dieren met tbc.

Het bont van de voskoesoe moest geld in het laatje brengen, maar het dier groeide uit tot een plaag. 

© National Library of New Zealand

4. Wonderplant overwoekerde VS

Boeren uit het zuiden van de VS dachten dat ze een wonderplant in handen hadden toen ze in 1876 de klimplant kudzu uit Japan haalden. 

Hij zag er mooi uit, was geschikt als voer, had weinig aandacht nodig en zorgde voor schaduw in het zonovergoten zuiden. Bovendien kon de plant erosie van het land voorkomen en herstellen.

De boeren wisten echter niet dat elke tak van de kudzu wel 30 centimeter per dag kan groeien, en dat de plant daarom vaak gesnoeid moet worden. Gebeurt dat niet, dan verstikt hij alles op zijn pad.

Begin 20e eeuw trokken duizenden arme boeren naar de stad, waardoor de kudzu vrij spel kreeg op de verlaten boerderijen en landbouwgronden. Vandaag de dag bedekt hij een oppervlak ter grootte van België.

5. Hertje is wolf in schaapskleren

Het schattige muntjakhertje leek geen bedreiging toen de hertog van Bedford er in de 19e eeuw een paar naar zijn landgoed haalde. 

Al snel waren er enkele ontsnapt, maar pas nadat er meerdere exemplaren uit een dierentuin waren losgebroken en veel mensen de hertjes loslieten in de natuur, groeide het bestand explosief. Ze zijn zelfs in Nederland en België gesignaleerd.

De Chinese muntjaks groeiden al snel uit tot een plaag voor boeren en tuinders, want ze eten allerlei gewassen, bomen en bloemen. Daarnaast zijn de hertjes buitengewoon agressief als honden of mensen te dicht bij hun jongen komen. 

6. Shakespeareliefhebber wilde meer vogels in New York 

In de 19e eeuw stelde de New Yorkse apotheker Eugene Schieffelin zich ten doel om ‘de natuur te verrijken met nuttige of interessante dieren’. Daar bedoelde hij alle vogels mee die in de werken van Shakespeare voorkwamen.

Na een paar mislukte pogingen met andere soorten wist Schieffelin in 1890 100 spreeuwenpaartjes aan het broeden te krijgen in Central Park. Maar zijn ingreep groeide uit tot een ramp: het spreeuwenbestand liep uit de hand. In 1928 zaten de vogels in Mississippi, en in 1942 hadden ze Californië bereikt. Nu zijn er ruim 200 miljoen.

De grote spreeuwenzwermen spelen het vliegverkeer parten, besmeuren gebouwen met hun poep en vreten landbouwgewassen op – één zwerm kan 20 ton aardappelen per dag eten. 

Grote spreeuwenzwermen vormen een probleem in de VS.

© Getty Images & Shutterstock

7. Reuzenvis ruïneerde Afrikaanse vissers

Lawrence Makhoha geloofde zijn ogen niet toen hij in 1962 een vis in zijn kano hees op het Afrikaanse Victoriameer. Zo’n monster had hij nog nooit gezien.

Het bleek om een mputa te gaan – een nijlbaars. Een paar jaar eerder had het ministerie van Visserij van Oeganda er een paar honderd uitgezet in het meer en naburige rivieren om de visserij een boost te geven. 

Aanvankelijk slaagde de opzet: volwassen nijlbaarzen kunnen wel twee meter lang en 200 kilo zwaar worden. Ze vormden de spil van de visserij-industrie van het land, die jaarlijks voor 200 miljoen euro aan nijlbaarzen uitvoerde.

In het begin hielden professionele en amateurvissers het bestand onder controle, maar in de jaren 1980 kon de industrie de natuur niet meer bijbenen. De roofvissen roeiden honderden soorten in het Victoriameer uit, waaronder veel zeldzame cichliden. 

Ze kostten veel plaatselijke vissers de kop, want die konden zich de sterke netten en zware boten die nodig zijn om de enorme nijlbaarzen te vangen niet veroorloven. 

Lees ook

Dr. Ken Thompson: Where do Camels Belong?: The story and science of invasive species, Profile Books, 2014. Christopher Lever: They dined on Eland: Story of the Acclimatisation Societies, Quiller Press, 2003. Kerry-Jane Wilson: Flight of the Huia: Ecology and Conservation of New Zealand's Frogs, Reptiles, Birds and Mammals, Canterbury University Press, 2004.

Bekijk ook ...