Tank op vier poten zaaide dood en verderf

Vanaf 500 v.Chr. introduceerden de Indiërs een nieuw, angstaanjagend wapen op het slagveld: de krijgsolifant. De tientonner fungeerde als levende tank en dwong legers tot een ongewone wapenwedlooop.

Vanaf 500 v.Chr. introduceerden de Indiërs een nieuw, angstaanjagend wapen op het slagveld: de krijgsolifant. De tientonner fungeerde als levende tank en dwong legers tot een ongewone wapenwedlooop.

Bridgeman

‘Uitzinnig van pijn gingen ze tekeer tegen vriend en vijand, ze stampten in het rond en vertrapten en doodden zoveel mensen als ze konden.’

Zo beschrijft de Griekse historicus Arrianos de eerste keer dat Europese soldaten slaags raakten met een leger met krijgsolifanten, in 326 v.Chr. De Macedonische troepen van Alexander de Grote stuitten toen bij de rivier de Hydaspes in het huidige Pakistan op een groot Indiaas leger.

De Indiërs waren in de minderheid maar hadden als troef 200 getrainde krijgsolifanten, die met hun kolossale poten alles onder de voet liepen. In het heetst van de strijd veranderden soldaten en paarden in een onherkenbare, bloederige smurrie.

Het geschreeuw van de gewonden vermengde zich met het woeste getrompetter van de dieren als ze met hun volle gewicht tegen de Macedonische formaties beukten.

Ontmoet de tank op vier poten

De verliezen waren dramatisch maar uiteindelijk lukte het de Macedoniërs, die meer troepen hadden, de angstaanjagende mastodonten te verslaan. Na het treffen brak Alexander de Grote zijn veldtocht direct af.

Het gerucht ging dat andere Indiase krijgsheren duizenden olifanten hadden en Alexanders mannen waren doodsbenauwd dat ze het weer tegen deze vreselijke vijand moesten opnemen. Zelfs Alexander de Grote kon ze niet overhalen verder te gaan.

Aziatische olifanten waren de beste

Historici weten niet precies wanneer de mens voor het eerst olifanten in een oorlog inzette, maar het oudste bewijs stamt uit circa 500 v.Chr.

Vooral in Azië werden veel olifanten gevangen om ze te trainen om oorlog te voeren, maar ook de wat kleinere Afrikaanse bos­olifanten bleken geschikt. ’s Werelds grootste olifant, de Afrikaanse savanneolifant, was echter ontembaar en kon niet bij gevechten worden ingezet.

De Indiërs richtten het liefst mannetjesolifanten af, omdat deze groter en feller waren dan vrouwtjes. Maar het kostte jaren van geduldig, hard werken om een olifant gevechtsklaar te krijgen.

Eerst moest hij tot rust komen door hem vastgebonden in de buurt te laten staan van andere, al afgerichte olifanten. Daarna moest hij wennen aan een berijder, door de Indiërs mahout genoemd. Indiase mahouts waren gewild omdat ze een olifant in een schuimbekkend monster konden veranderen.

Deze transformatie ging stap voor stap: eerst moest de olifant wennen aan harde geluiden van bijvoorbeeld trommels of geschreeuw. Door kleine prikjes van zwaarden en speren leerde hij pijn te verdragen.

Tot slot werd het anders zo vreedzame dier met poppen getraind om andere olifanten, paarden en mensen aan te vallen. En soms leerden de onbehouwen kolossen om met hun kop poorten van vestingwerken in te slaan.

In India kunnen bezoekers poorten met anti-olifantpunten aantreffen.

©

Vlijmscherpe punten hielden olifant buiten

Behalve voor rechtstreekse gevechten werd de olifant ook als levende stormram gebruikt. Niet veel poorten weerstonden het gebeuk van een woedende olifant en daarom ontwikkelden met name de Indiërs wapens hiertegen: vlijmscherpe metalen punten op ‘olifanthoogte’.

Als een olifant hier tegenaan liep, bleef hij vastzitten of raakte ernstig gewond. Om ze hiertegen te wapenen leerden de Indiërs de dieren deuren in te slaan met een houten stormram.

De mahout bepaalde de bewegingen van de olifant, door geroep of door met zijn voeten druk uit te oefenen op de kop van de olifant. Dit laatste was in een veldslag essentieel, want zelfs het hardste geschreeuw ging soms verloren in al het lawaai. De mahouts gebruikten ook een stok met een forse haak – een ankus – om het grote dier te besturen.

Om de olifant tot een oorlogsmachine te transformeren werden soms scherpe zwaarden aan zijn slagtanden bevestigd. De Indiërs hadden ook bedacht dat een lange ketting aan zijn slurf als wapen kon dienen. Een enkele klap met deze zware ketting kon dodelijk zijn.

Olifanten kregen wijn voor gevecht

Aanvankelijk zat een mahout los op de rug van het dier, maar gaandeweg plaatsten de Indiërs grote zadels, de zogeheten ‘howdah’, boven op de olifant. Deze zadels werden uitgebouwd tot heuse torens, die met riemen om de buik van het dier werden vastgegespt.

Op oude afbeeldingen zijn wel 14 krijgers op de rug van één olifant te zien maar dat is waarschijnlijk een overdrijving. Drie tot vier soldaten, met lange speren, projectielen of pijl en boog, waren vermoedelijk gebruikelijk.

Voor een gevecht was het zaak om de olifant op te hitsen waardoor hij agressief werd. Muziek of harde geluiden deden het goed, maar de beste truc was het dier dronken te voeren: na een flinke slok wijn kon hij door het lint gaan.

Een uitzinnige olifant gooide met gemak een paard met ruiter omver, waarna hij ze zonder pardon vertrapte. Met zijn sterke slurf greep hij zijn hulpe­loze tegenstanders en sloeg ze te pletter tegen bomen, muren of wat hij om zich heen tegenkwam.

Over het algemeen vochten olifanten tegen ruiters en voetvolk, maar soms namen ze het tegen andere olifanten op. In gevechten tegen de ruiterij waren de olifanten op hun best.

Van nature zijn paarden bang voor olifanten en vaak raken ze al in paniek van hun geur, waardoor de cavalerie voordat de slag zelfs maar was begonnen al buitenspel stond.

De dieren konden zelf ook in paniek raken, bijvoorbeeld door pijn, en deze paniek sloeg razendsnel over, waardoor alle olifanten onhandelbaar werden en in hun vlucht vriend en vijand verpletterden.

Maar Aziatische krijgs­heren hadden een rotsvast vertrouwden in deze levensgevaarlijke dieren: ‘Een leger zonder olifanten is even weinig waard als een bos zonder leeuw’, zei men.

Brandende varkens zaaiden paniek

Nadat de Macedoniërs in 326 v.Chr. in de slag bij de rivier de Hydaspes met krijgsolifanten waren geconfronteerd, schaften ze er zelf ook een paar aan.

Al gauw dook het oorlogswapen in grote delen van het Middellandse Zeegebied op, met als gevolg een wapenwedloop tussen landen met en zonder olifanten.

Door zijn dikke huid had de olifant de naam onkwetsbaar te zijn. Er gaan verhalen over olifanten die door zeker 80 pijlen waren geraakt maar ongedeerd bleven, en waarop harde zwaardslagen afketsten. Maar ook een olifant heeft zwakke plekken en de vijand probeerde vooral de ogen of voeten te raken.

Een populaire methode was het rondstrooien van scherpe voorwerpen. Als een olifant met zijn enorme gewicht op een metalen punt trapte, was hij in feite uitgeschakeld.

Een vechtolifant werd daarom omringd door voetvolk, dat vooral zijn voeten en poten in de gaten hield. Zijn huid werd beschermd met doeken van leer of stof met ingeweven metaaldraad, en soms kreeg de olifant een compleet harnas aan.

In de 13e eeuw zette de Mongolenheerser Kublai Khan reuzentorens op zijn olifanten.

© Scanpix/AKG

Er werden steeds middelen bedacht om de olifanten af te stoppen, zoals diepe kuilen. De Romeinen, die een verpletterende nederlaag tegen de krijgs­olifanten van de Griekse koning Pyrrhus leden in 280 v.Chr., ontwikkelden een geavanceerd, biologisch wapen.

Ze ontdekten dat olifanten in paniek raken van varkensgekrijs. Dus toen de Romeinen vijf jaar later koning Pyrrhus opnieuw troffen, hadden ze hun geheime wapen geperfectioneerd.

Volgens oude bronnen smeerden de soldaten de varkens in met een dikke laag vet. Ze staken de dieren daarna in brand en dreven ze – gillend van pijn – naar de vijand. De onverslaanbare mastodonten van Pyrrhus sloegen daarop op de vlucht.

37 olifanten staken de Alpen over

Ondanks dit ingenieuze wapen zagen de Romeinen in dat ze het voorbeeld van hun vijanden moesten volgen: vechtolifanten aanschaffen.

Deze robuuste tanks op vier poten hadden de Romeinen telkens smadelijke nederlagen toegebracht en leerden hun in 216 v.Chr. nog een belangrijk lesje toen de beroemde Carthaagse veldheer Hannibal – met hulp van 37 krijgsolifanten – uit onverwachte hoek Italië binnenviel.

Hannibal en zijn olifanten slaagden er namelijk in de Alpen over te steken, na een 15-daagse mars als een nachtmerrie. Vervolgens versloeg Hannibal op grootse wijze een Romeinse legermacht, onder meer dankzij zijn goed getrainde krijgsolifanten. De tocht over de Alpen had echter zoveel gevergd dat ze na het gevecht een voor een het leven lieten.

Nog 150 jaar speelden olifanten in het Romeinse leger een belangrijke rol. Maar nieuwe olifanten waren lastig te krijgen omdat ze helemaal uit India of Afrika moesten komen.

De Romeinen staakten rond 50 v.Chr. dan ook het inzetten van deze dieren. Julius Caesar zette eerder nog een olifant in tijdens de Romeinse invasie van Engeland en joeg de lokale Kelten de stuipen op het lijf.

Krijgsolifant op zijspoor door kanon

In Azië deed de krijgsolifant nog dienst. Sommige vorsten hadden er duizenden in hun leger en zelfs toen vuurwapens hun intrede deden, bleven ze het ultieme wapen. De schoten van de eerste geweren waren niet krachtig genoeg om de dikhuiden te verwonden.

Maar toen in de 16e eeuw grote kanonnen op het slagveld verschenen, was dit het begin van het einde. Een kanonschot kon een olifant uitschakelen en het dier was nu eenmaal geen lastig doelwit.

Toch zetten landen in Zuidoost-Azië de mastodonten eind 19e eeuw nog bij oorlogen in. Toen de Fransen in 1885 tijdens de invasie van Vietnam slaags raakten met lokale troepen, werden ze door krijgsolifanten aangevallen die volgens de geïmponeerde Fransen niet van ophouden wisten, ook niet toen ze door een heel geweersalvo waren getroffen.

Ook in de Vietnamoorlog, 30 tot 40 jaar geleden, speelden olifanten een belangrijke rol, maar dan als betrouwbare transportdieren die zelfs op de lastigste terreinen uit de voeten konden.