Stormlantaarn maakte de nacht begaanbaar

Flakkerende kaarsen en lekkende olielampen die ineens uit konden gaan – duizenden jaren leefden mensen in het halfdonker. Pas in 1880 zagen we het licht door een nieuwe uitvinding.

Flakkerende kaarsen en lekkende olielampen die ineens uit konden gaan – duizenden jaren leefden mensen in het halfdonker. Pas in 1880 zagen we het licht door een nieuwe uitvinding.

Library of Congress

In de jaren 1840 ontdekten oliepioniers dat je petroleum (kerosine) uit aardolie kunt winnen.

Opeens had de mens een brandbare en goedkope vloeistof die een heldere, gele vlam gaf. Vergeleken met ouderwetse olielampen was petroleum een grote stap vooruit.

En het werd nog beter toen de petroleumlamp werd uitgevonden.

Die bestond uit een oliehouder en een brandende lont, beschermd door een glazen buis. De lamp zorgde binnenshuis voor veel licht, maar was niet geschikt om mee rond te lopen, want het glas viel er snel af.

Pas in 1862, toen de uitvinder John Irwin patent aanvroeg voor een petroleumlamp van gegoten tin en fabrikant Robert E. Dietz hem in 1880 in massaproductie nam, werd de wereld echt verlicht.

In het nieuwe ontwerp ging lucht via het frame naar de lont, en de gebruikte lucht verdween weer door de opening bovenin.

Zo wist de lamp de brandstof effectief te gebruiken en bleef de vlam stabiel.

Omdat de vlam werd omgeven door glas, bleef het licht zelfs bij storm nog aan.

Bekijk hoe de stormlantaarn werkt

De lamp werd gemaakt door de Amerikaanse fabrikant Robert Edwin Dietz. Door de massaproductie van de stabiele lamp kon een groot deel van de bevolking nu ook in het donker en bij elk weer naar buiten gaan.

De lamp werd dan ook meteen populair, bijvoorbeeld bij de Amerikaanse spoorwegen.

Ook boeren waren enthousiast, want nu konden ze bijvoorbeeld op vleermuizen jagen die rabiës (hondsdolheid) verspreidden.

De Dietz-lamp wordt nog steeds gemaakt en is nog steeds populair in landen waar mensen geen toegang hebben tot elektriciteit.