Van Noordpool tot metropool

In hun omzwervingen rond de wereld op zoek naar lucratieve handelsroutes ‘ontdekten’ de Nederlanders de plek die we later zouden leren kennen als New York. Dat is het verhaal zoals we het kennen. Maar hoe zit het echt?

In hun omzwervingen rond de wereld op zoek naar lucratieve handelsroutes ‘ontdekten’ de Nederlanders de plek die we later zouden leren kennen als New York. Dat is het verhaal zoals we het kennen. Maar hoe zit het echt?

‘Het blijft een bijzondere gedachte: Nederland stond in de zeventiende eeuw aan de wieg van New York, hoofdstad van onze wereld, schreef Jan Tromp, voormalig New York-correspondent van De Volkskrant 10 jaar geleden.

Het was 2009. Nederland en de Verenigde Staten vierden dat Henry Hudson 400 jaar eerder vertrok uit de Amsterdamse haven, op zoek naar een noordelijke route naar Azië.

Ook in eerdere jubileumjaren werd trots teruggekeken op de reis: boeken, tentoonstellingen en ticker tape parades met prinses Beatrix op Broadway werden niet geschuwd.

En dat terwijl het verhaal achter deze expeditie gevuld is met muitende manschappen en sluwe streken …

Om alle ins and outs van Hudsons expeditie te begrijpen, moeten we terug naar het einde van het jaar 1608.

De Engelsman Henry Hudson kwam toen aan in Amsterdam om zijn diensten aan te bieden aan de VOC. Hij wilde voor de Verenigde Oost-Indische Compagnie een nieuwe noordelijke route naar Azië onderzoeken.

In 1607 en eerder in 1608 had Hudson al twee ontdekkingstochten door de Noordelijke IJszee ondernomen, onder de vlag van de Engelse Moskovische Compagnie.

De reizen brachten geen noordelijke passage, maar plantten wel een zaadje in Hudsons hoofd.

Wat als de doorgang naar Azië helemaal niet via de geijkte noordoostelijke route, tussen Spitsbergen en Nova Zembla moest worden gezocht? Misschien was de doorgang wel te vinden in het westen.

Mogelijk zat de Moskovische Compagnie niet te wachten op nóg een kostbare reis waarvan de opbrengsten ongewis waren en koos Hudson er daarom voor om zijn diensten aan te bieden in Amsterdam.

Zeekaart Noord-Amerika

Zeekaart van een gedeelte van de oostkust van de Verenigde Staten tussen Kaap Cod en Kaap Hatteras.

© Het Scheepvaartmuseum

De VOC zegt nee

De VOC reageerde aarzelend op zijn voorstel: hij zou in 1610 nog maar eens terug moeten komen.

Niet heel gek, als we bedenken dat Willem Barentsz en Jacob van Heemskerck ongeveer tien jaar eerder vruchteloze pogingen ondernamen om een noordelijke doorvaart te vinden.

Terwijl zij na een winter in het Behouden Huys een helse tocht ondernamen om thuis te komen, voer Cornelis de Houtman succesvol via Kaap de Goede Hoop naar Azië en terug.

Deze route bleek haalbaar en leverde resultaten op, in tegenstelling tot de verkenningen in het hoge noorden.

De VOC had nog een reden om zich afwijzend op te stellen ten opzichte van Hudsons voorstel. De compagnie bezat het monopolie om via alle bekende routes naar Azië te varen, maar ónbekende routes vielen buiten dat alleenrecht.

Als een ontdekker van buiten de VOC een vaarroute naar de Stille Oceaan zou vinden, zou deze kunnen worden geclaimd.

De VOC zou dan concurrenten moeten dulden. De handelscompagnie had ervoor kunnen kiezen om zelf nieuwe ontdekkingsreizen de ondernemen zodat ook de noordelijke passage binnen hun monopolie zou kunnen vallen.

In plaats daarvan werd besloten om zoveel mogelijk pogingen om een andere route naar Azië te vinden, te beletten. En dus zei de VOC nee.

Een doorslaggevende intrige

Onder de oppervlakte borrelde echter een intrige die ervoor zorgde dat de VOC uiteindelijk wel overstag moest gaan.

De invloedrijke Amsterdamse koopman Isaac le Maire was een belangrijke kaper op de kust. Hij was bij de oprichting van de VOC nog een belangrijk aandeelhouder geweest, maar niet lang na de oprichting van de handelscompagnie in 1602 brak er ruzie uit.

Le Maire zou volgens de VOC hebben gesjoemeld, waardoor hij meer opbrengsten binnenkreeg dan hem toekwamen.

De koopman werd uit de VOC gezet en moest expliciet verklaren dat hij de handelscompagnie nooit zou beconcurreren. Isaac le Maire zon op wraak en ondernam alles wat in zijn macht lag om de VOC dwars te zitten.

De eerste mogelijkheid daartoe was proberen Hudson over te halen om voor Le Maire zelf op zoek te gaan naar de noordelijke passage naar Azië.

Een aarzelend akkoord

Toen de VOC lucht kreeg van Le Maire’s snode plannen, bood de handelscompagnie Hudson toch snel een contract aan, dat werd opgesteld door een speciale commissie.

In dit contract werd vastgelegd dat Hudson alléén naar de noordelijke tot noordoostelijke passage mocht zoeken en daarna direct moest terugkeren naar de Republiek om verslag uit te brengen.

Een tweede commissie werd belast met de uitmonstering van de expeditie. Met equipagemeester Dirck Gerritsz had Hudson al snel ruzie over de gage van de Engelse crewleden die mee zouden gaan.

Gerritsz moest – naast het ruziën met Hudson – ook een geschikt schip zien te vinden. Na wat zoeken viel de keuze op een klein pinasschip van drie jaar oud: de Halve Maen.

Opvallend is dat er slechts één schip uitvoer voor deze verkenning, meestal gingen er toch wel meerdere schepen mee.

Op 25 maart 1609 vertrok de Halve Maen met aan boord Hudson en een gemengd Nederlands-Britse bemanning. Twee dagen later kwam het schip buitengaats bij Texel.

Op 5 mei was Hudson ter hoogte van de Noordkaap. Vanaf 19 mei voer de Halve Maen richting het zuidwesten en westen, in plaats van richting het oosten.

In het scheepsjournaal, dat werd bijgehouden door de Britse stuurman Robert Juet, mist de informatie uit deze periode. Juet stelde na de reis dat hij niets over deze dagen heeft bijgehouden, omdat de route van de reis tot op dat punt algemeen bekend was.

Zeekaart oostkust Noord-Amerika

Zeekaart van de oostkust van de Verenigde Staten tussen de mondingen van de rivieren de Hudson en Delaware.

© Het Scheepvaartmuseum

Muiterij op de Halve Maen

Het boek Historie der Nederlanden van Emmanuel van Meteren werpt een ander licht op de zaak. Hij schrijft dat er muiterij plaatsvond tussen de Hollandse en de Engelse zeelieden.

Ter hoogte van Nova Zembla was de zee vol ijs en Hudsons bemanning werd onrustig.

De Hollanders, die door eerdere reizen vooral ervaring hadden met de verzengende hitte van Afrika en Azië, schrokken nogal van de sneeuw, het ijs en de bittere kou.

Aangezien Hudson voorafgaand aan de reis al bedenkingen had bij de noordoostelijke passage, stelde hij voor om de steven te wenden en richting het westen te koersen.

Hudson was ervan overtuigd dat de beste route naar Azië in het westen te vinden was, dankzij eerdere verkenningen langs de Amerikaanse kust.

Zo voer Giovanni da Verrazano al in 1524 de monding van de huidige Hudson-rivier in, verkende George Weymouth in 1602 de Hudsonstraat bij Canada en ‘ontdekte’ Bartholomeus Gosnold in datzelfde jaar Cape Cod.

Ook de brieven die Hudson ontving van zijn vriend John Smith – dé John Smith, die vaak geassocieerd wordt met Pocahontas – speelden een rol.

Smith probeerde op dat moment samen met andere kolonisten te overleven in de eerste Engelse nederzetting in Amerika: Jamestown in Virginia en schreef over een waterweg die dwars door het land liep.

Op zoek naar de doorgang naar de Stille Oceaan

De koerswijziging bracht de opvarenden van de Halve Maen geen route naar de Stille Oceaan, maar leverde wel degelijk een ontdekking op.

Op 2 juli bereikten ze Newfoundland en voeren vanaf daar zuidwaarts tot aan Virginia, waar zij op 13 augustus aankwamen.

Daar maakten ze rechtsomkeert naar het noordwesten, op zoek naar de doorgang die hen naar de Stille Oceaan en vervolgens Azië moest leiden. De eerste poging bracht hen op 28 augustus in de monding van de Delaware-rivier, die te ondiep bleek te zijn.

Op 4 september leken ze meer geluk te hebben. Ze vonden een natuurlijke haven waar ze onder andere een rog vingen die zó groot was, dat deze met vier man sterk aan boord getrokken moest worden.

De bemanning van de Halve Maen ging aan land. Robert Juet schreef in zijn scheepsjournaal:

‘Het was een plezierig land om te betreden; er was een overvloed aan alle soorten hout die geschikt zijn voor de scheepsbouw en voor het maken van grote vaten. De mensen hadden koperen tabakspijpen, waaruit ik afleidde dat koper daar van nature voorkomt; ook ijzer, zo begreep ik uit de getuigenis van de inheemse bevolking, die echter niet begreep hoe zij dit konden gebruiken.’

Het water van de rivier kende getijden en was zout. Zou dit dan echt de doorgang naar Azië zijn?

Hudson en zijn mannen voeren voorbij het eiland Manhattan en Albany, maar de rivier werd steeds smaller en het water was niet meer zout.

Dit was niet de waterweg naar Azië. De Halve Maen keerde om, terug naar Europa.

Nieuw Nederland

Uitsnede van een met de hand gekleurde kaart van Nieuw Nederland, Nieuw Engeland en een deel van Virginia. Zichtbaar is het aanzicht van de stad Nieuw Amsterdam.

© Het Scheepvaartmuseum

Aan land in Engeland

Hudson koos ervoor de Engelse kust aan te doen, in plaats van door te varen naar Nederland. Waarom hij dit deed is niet met zekerheid vast te stellen.

Vanuit Engeland stuurde Hudson zijn Nederlandse opdrachtverstrekker de boodschap dat hij, als hij werd betaald voor zijn diensten en voor de voorraden aan boord, meteen opnieuw zou willen uitvaren.

Opnieuw zou hij dan op zoek gaan naar de noordwestelijke passage naar Azië. Hij zou in maart willen vertrekken, zodat hij in april en mei walvissen en vis zou kunnen vangen bij Newfoundland.

Als de zoektocht dan opnieuw vruchteloos zou blijken, zouden zijn opdrachtgevers in ieder geval wel een winstgevende lading binnenslepen. Door vroeg te vertrekken hoopte hij ook ijsblokkades en het strenge weer in het koude noorden te omzeilen.

Zo ver kwam het niet. Hudson en het Engelse deel van zijn bemanning werd verboden om Engeland te verlaten, omdat zij een expeditie ten nadele van hun geboorteland ondernomen hadden.

De Halve Maen en het Nederlandse deel van de bemanning keerden in juli 1610 terug in Amsterdam. Hudson zou zelf nooit meer voet aan land zetten in Nederland.

Op de Schreierstoren, die er ook al stond toen de zeeman Amsterdam aandeed, herinnert een plaquette uit 1927 van de Greenwich Village Historical Society of New York City aan hem en zijn reis vol muitende manschappen en sluwe streken.

De Nederlanders hadden wel belangstelling voor het ‘plezierige land’ waar Hudson en zijn crew op 4 september 1609 voet aan land zetten.

In de eerste jaren handelden de Nederlanders vooral met de lokale bevolking in bevervellen, die goed van pas kwamen tijdens de toen nog lange en koude winters in Europa.

Na 1621 kreeg de West-Indische Compagnie het gezag over het gebied. In 1624 kwam een groep Waalse families naar het eiland Manhattan.

Zij stichtten hier de provincie Nieuw-Nederland. Eén jaar later werd het Fort Amsterdam gebouwd, om de Nederlandse koloniale nederzetting te verdedigen tegen andere Europese mogendheden.

De provincie zou later uitgroeien tot wat nu de stad New York is.