Het koopvaardijschip Batavia vertrok in oktober 1628 uit de Republiek en verging acht maanden later bij Australië.

Psychopaat aan boord: dood de sterksten het eerst

Als het VOC-schip Batavia bij Australië op de klippen loopt, begint een lange nachtmerrie. Een bemanningslid grijpt de macht op de eilanden waar de schipbreukelingen verblijven en wil alle tegenstanders – ongeacht leeftijd of geslacht – vermoorden.

28 september 2015 door Stine Overbye

Batavia botst op een rif

In deze milde juninacht in 1629 vermoedt geen van de 316 zielen aan boord van de Batavia dat het schip afkoerst op een ramp.

De meeste mensen liggen op één oor, en de paar bemanningsleden die de wacht houden, zijn blij met het rustige weer. De wind blaast zacht tegen de zeilen en de Batavia vaart kalm over de Indische Oceaan.

Het is een heldere nacht, de volle maan wijst de Nederlanders de weg. Vanaf zijn positie in de voorste mast van het 56 meter lange schip heeft de uitkijk een goed uitzicht over het zeeoppervlak. Een paar uur voor de dageraad bespeurt hij iets wat lijkt op het schuim van een branding. Meteen waarschuwt hij schipper Adriaan Jakobsz dat de Batavia mogelijk op een verborgen rif dreigt te lopen. Maar Jakobsz neemt hem niet serieus en zegt hoofdschuddend dat het niets anders is dan het maanlicht dat op het wateroppervlak danst.

De Batavia vervolgt zijn koers, en enkele minuten later voltrekt zich een ramp: met een oorverdovende klap botst het schip in volle vaart op een scherp koraalrif. Na wat een eeuwigheid lijkt komt de Batavia, enigszins overhellend naar bakboord, eindelijk tot stilstand. Geschokt stamelt de schipper: ‘We zijn aan de grond gelopen.’

Opperkoopman François Pelsaert, de bevelhebber van de Batavia, is door de botsing uit zijn kooi geworpen. Hij stormt het dek op, waar hij het onheilspellende geluid hoort van golven die worden gebroken door een rif.

‘Schipper, wat hebt u gedaan?’ brult Pelsaert woedend.

Tijdens de 211 dagen lange reis van de Republiek naar Batavia, de hoofdstad van Nederlands-Indië, heeft Pelsaert de schipper al herhaaldelijk de huid volge­scholden omdat deze dronk en er de kantjes afliep. Maar nu volstaat een uitbrander niet. Het schip is vast­gelopen in onbekend vaawege handen.

Onderkoopman wil het schip stelen

Als de dag aanbreekt, wordt het duidelijk dat de Batavia muurvast zit. Hoge golven beuken tegen de boeg, die vervaarlijk kraakt en knarst, en op het dek verdringen de doodsbange passagiers zich. Om hen heen zijn de bemanningsleden bezig de loodzware bronzen kanonnen overboord te gooien in een wanhopige poging de Batavia weer vlot te krijgen. Maar niets helpt.

Pelsaert neemt een moeilijk besluit: het schip moet worden geëvacueerd. Allereerst zullen de vrouwen en kinderen naar een van de Houtman Abrolhos-koraaleilandjes op 1,5 kilometer van het schip worden gevaren.

Er volgt een enorm geduw en getrek, want iedereen wil graag een plek in een sloep. Moeders raken van hun kinderen gescheiden, mannen van hun vrouw. Pas tegen de avond hebben vrijwel alle opvarenden de Batavia verlaten.

Maar niet iedereen heeft haast. Een man of zeventig kiest ervoor op het schip te blijven, onder wie onderkoopman Jeronimus Cornelisz, die sinds een paar maanden werkt bij de VOC, de eigenaar van de Batavia.

Jeronimus Cornelisz is na opperkoopman Pelsaert en schipper Jakobsz de nummer drie in de hiërarchie.

In de weken voor de schipbreuk heeft de 30-jarige Cornelisz, die in de Republiek failliet is gegaan, zijn best gedaan om Jakobsz en andere zeelui over te halen tot muiterij om het schip en zijn rijke lading te stelen. De alcoholist Jakobsz, die een hartgrondige hekel heeft aan Pelsaert, had daar wel oren naar, en hij was niet de enige. Maar nu heeft de schipbreuk een streep door de rekening gezet.

Nu Pelsaert en Jakobsz weg zijn, verzamelt de onderkoopman zijn handlangers. Terwijl de mannen de dure, Spaanse wijn van de opperkoopman achteroverslaan, overleggen ze hoe ze de nieuwe situatie zouden kunnen uitbuiten. Cornelisz hoopt dat de Batavia kan worden gerepareerd, zodat ze het schip alsnog kunnen stelen en er met de lading vandoor gaan. Hij vraagt zijn kompanen om geduld te hebben.

Opperkoopman gaat op zoek naar hulp

Slechts 24 uur nadat de eerste schipbreukelingen aan land zijn gegaan op het eiland dat ze ‘Kerkhof Batavia’ dopen, is het drinkwater op. Het slechts 300 meter lange koraaleiland heeft geen bron of meer. Het eiland heeft überhaupt niets te bieden, behalve een broedplaats voor zeevogels, wat zeehondenkolonies en een zandstrandje.

De bijna 200 mensen op het eiland beseffen dat ze zich in een gevangenis bevinden – een dorre, van God verlaten plek midden in de zee, waar ze waarschijnlijk zullen omkomen van de dorst. Ze zijn uitgedroogd. Hun tong zwelt op en ze krijgen zo’n droge keel dat ademen al pijn doet. Binnen paar dagen sterven dertig mensen aan watergebrek of door het drinken van zeewater.

Op het naburige eiland waar opperkoopman Pelsaert, schipper Jacobsz en nog vijftig anderen bivakkeren, is ook geen zoet water. Hoewel de mannen voorraden hebben meegebracht van het schip, is de situatie onhoudbaar. Daarom besluit Pelsaert met tegenzin de sloep vol met proviand te laden en de circa 60 kilometer te varen naar het onbekende vasteland – het huidige West-Australië.

‘Het was beter en oprechter om samen met hen te sterven [...] dan in leven te blijven met diepe pijn in het hart,’ schrijft Pelsaert in zijn logboek.

Toch laat hij de sloep klaarmaken, en een week na de schipbreuk vertrekt de boot in het holst van de nacht. Aan boord bevinden zich 48 mensen, onder wie Pelsaert, Jakobsz en alle hogere officieren. Als de achterblijvers op het eiland de volgende dag ontdekken dat de opperkoopman en de schipper zijn vertrokken, voelen ze zich verraden en in de steek gelaten. Het kleine eiland zal later dan ook de naam Verraderseiland krijgen.

Het vasteland blijkt ook schraal en droog, waarna Pelsaert besluit dan maar naar Nederlands-Indië te varen, 3500 kilometer verderop. Veertig mannen verdrinken in zee Kort daarop wordt het gestrande schip met Cornelisz en de zeventig achtergebleven zeelui door de branding aan splinters geslagen en verdwijnt het in de golven.

Slechts dertig man weten het land te bereiken, onder wie Cornelisz. Hij gebruikt de resten van de boegspriet als reddingsvlot en drijft zo naar Kerkhof Batavia, waar hij als een verlosser wordt onthaald.

‘God zij geloofd. We dachten dat u dood was,’ wordt de onderkoopman begroet als hij doorweekt en met gescheurde kleren het strand op kruipt.

Op dat moment vermoedt nog niemand wat voor een duivels plan Cornelisz heeft uitgedacht, en dat het beter was geweest als hij door de golven was verzwolgen.

Cornelisz beraamt massamoord

Na een aantal dagen zonder water begint het opeens te stortregenen op het eiland. Alle vaten stromen vol. Ook het hongerprobleem wordt opgelost als de schipbreukelingen erin slagen zeehonden en vogels te vangen.

Intussen rekruteert Cornelisz mannen voor zijn eigen leger. Veel mensen zijn verbitterd over het verdwijnen van Pelsaert, en veertig mannen laten zich verleiden. Dan kleedt de onderkoopman zich in Pelsaerts zijden kousen, rode uniformjas en zwarte verenhoed en laat hij alle schipbreukelingen verklaren dat ze Jeronimus Cornelisz erkennen als hun kapitein-generaal en trouw zweren.

Van de zeilen van de Batavia maakt Cornelisz een tent voor zichzelf, en hij neemt alle vuurwapens, messen en zwaarden in beslag. Zijn onderdanen beveelt hij vlotten te bouwen van drijfhout. Terwijl iedereen druk bezig is, schaaft Cornelisz aan zijn snode plan: als het reddingsschip komt dat Pelsaert is gaan halen, zullen hij en zijn mannen dit veroveren en gebruiken als piratenschip.

Maar eerst moet iedereen die een bedreiging voor zijn plannen vormt, uit de weg worden geruimd.

Hij geeft zijn mannen het bevel om niet meer dan 45 mensen in leven te laten.

Twee weken na de schipbreuk stelt

Cornelisz het eerste deel van zijn plan in werking. Op de Batavia bevond zich een contingent soldaten die zijn plannen zouden kunnen saboteren. Hen brengt hij naar het eiland dat de naam ‘Hoge Eiland’ heeft gekregen.

Hij beveelt de soldaten water te zoeken en rooksignalen te maken als ze geslaagd zijn. ‘Dan komen we u halen,’ belooft Cornelisz, die allang weet dat het eiland kurkdroog is.

Evenzo stuurt hij grote groepen schipbreukelingen naar Verraderseiland en Robbeneiland. Op geen van de eilanden is ook maar een drupje water te vinden. Op Kerkhof Batavia zijn nu alleen Cornelisz’ getrouwen nog over – plus de zieken en zwakken en de vrouwen die tegen wil en dank tot minnares zijn verkozen. De mooiste vrouw is uiteraard voor Cornelisz zelf: de 27-jarige Lucretia van der Mijlen, die hij in zijn tent gevangenhoudt.

‘Dood de sterksten het eerst’
Begin juli zet Cornelisz zijn plan in werking om de achtergeblevenen om te brengen. Hij roept zijn mannen bijeen en beveelt hun alle potentiële tegenstanders te elimineren – zo discreet mogelijk, zodat niemand onraad ruikt en de anderen waarschuwt.

‘Dood de sterksten het eerst, en doe het ’s nachts,’ zo luidt het macabere bevel van de onderkoopman.

De handlangers gehoorzamen. ’s Nachts liggen ze op de loer bij de tenten en zodra iemand naar buiten komt om te plassen, snijden ze hem de keel af en begraven ze het lichaam. Ook vragen ze mensen om mee te gaan vissen, om hen vervolgens in zee te verdrinken. En sommigen worden geboeid en daarna gedwongen om zelf het water in te lopen.

Dat laatste lot was de assistent

Andries de Vries ook bijna beschoren. Samen met twee volwassenen wordt hij door de muiters meegenomen naar het strand. De mannen jammeren en huilen, maar hun ontvoerders zijn onverbiddelijk. Voor de ogen van de doodsbange Andries worden de twee volwassenen om de beurt onder water gehouden tot ze niet meer spartelen.

Als Andries zelf aan de beurt is, smeekt hij om genade. Uiteindelijk gaan de moordenaars ermee akkoord zijn leven te sparen – op voorwaarde dat hij zelf deelneemt aan de slachtpartij.

Een paar dagen later overhandigt Cornelisz de jongen een mes. Om zijn loyaliteit te bewijzen moet Andries elf zieken vermoorden, omdat ze volgens Cornelisz ‘nutteloze opvreters’ zijn en de helft sowieso zal sterven.

Andries heeft geen keus en doet wat hem opgedragen is. Maar als hij na de misdaad het bloed van zijn lichaam wast, walgt hij van zichzelf. Huilend neemt hij zich voor nooit meer zoiets te doen. Maar een paar dagen later heeft Cornelisz weer een opdracht voor Andries: hij moet de rest van de zieken nu ook de keel afsnijden – anders gaat hij er zelf aan.

Weer gehoorzaamt Andries. Maar als hij naderhand de tent van Lucretia van der Mijlen binnenglipt en haar snikkend bekent wat hij heeft gedaan, tekent hij zijn eigen doodvonnis. Cornelisz heeft iedereen ten strengste verboden om met Lucretia te praten, en als straf wordt Andries publiekelijk doodgestoken door de mannen van Cornelisz.

Doodseskaders slaan toe

In het begin werden de moorden ’s nachts gepleegd, maar vanaf 9 juli vloeit het bloed bij klaarlichte dag. Cornelisz stuurt nu patrouilles naar de eilandjes waar hij mensen had afgezet in de hoop dat ze zouden omkomen van de dorst. De schipbreukelingen hebben echter weten te overleven door zeehondenbloed en urine te drinken.

Als een groep van vijftien mensen erin slaagt vlotten te bouwen om van Verraderseiland te ontsnappen, varen Cornelisz’ mannen hen tegemoet en dwingen ze hen naar Kerkhof Batavia te varen. Onderweg verdrinken de moordenaars een aantal mensen in zee, en de rest wordt aan wal vermoord. Vier mensen ontsnappen en zoeken hun toevlucht in Cornelisz’ tent, denkend dat die hen zal beschermen. Maar de leider laat hen ijskoud doodsteken.

Een paar dagen later varen Cornelisz’ mannen naar Robbeneiland, waar 18 van de 45 mensen, onder wie veel vrouwen, kinderen en scheepsjongens, worden afgeslacht. Iedereen op Kerkhof Batavia weet inmiddels van de moorden, maar wat moeten ze ertegen doen? Ze kunnen alleen maar hopen dat ze gespaard worden.

Op 21 juli nodigt Cornelisz dominee Gijsbert Bastiaensz en zijn 21-jarige dochter Judith uit voor het avondeten. Beiden zijn tegen hun zin door de muiters ingelijfd als respectievelijk predikant en minnares.

Terwijl de drie wat eten en een slokje wijn drinken, dringen zeven mannen van Cornelisz de tent binnen waar de vrouw van de dominee, zijn zes andere kinderen en een dienstmeisje zich bevinden. Met bijlen gaan ze de weerloze vrouwen en kinderen te lijf. Het bloed spuit alle kanten op als ze met de stompe kant van de bijl hun schedels inslaan.

De jongste van de kinderen, de 8-jarige Roelant, vlucht in paniek weg, maar wordt al snel ingehaald. Met één klap van een bijl wordt zijn schedel in tweeën gespleten. Zijn lichaam wordt in een massagraf gegooid waar zijn moeder, broers en zussen en het dienstmeisje al liggen.

Moorden voor de lol

Eind juli neemt het moorden af. De meeste mensen die Cornelisz dood wilde, zijn er inmiddels niet meer. Maar de moordenaars hebben de smaak te pakken gekregen en vermaken zich door willekeurige slachtoffers te kiezen uit de overlevenden, die voortdurend in angst leven.

‘Dood die timmerman daar. Hij is lui,’ kan de kapitein-generaal bijvoorbeeld zomaar zeggen.

Af en toe test hij de loyaliteit van zijn handlangers. Op een dag zegt hij tegen een van hen: ‘Hier is mijn zwaard, en dat moet je bij de nettenboeter uitproberen, om te zien of het scherp genoeg is om zijn hoofd af te hakken.’

Een jongen wordt gedwongen om geblinddoekt neer te knielen. Terwijl de moordenaar zich klaarmaakt, stelt de wrede leider het trillende slachtoffer gerust: ‘Kalm aan maar, blijf zitten, het is alleen maar een grap.’

Een tel later suist het zwaard door de lucht en wordt het hoofd van de jongen afgehakt. Als het op de grond valt en als een bal wegrolt, juicht Cornelisz – en barst de 18-jarige scheepsjongen Jan Pelgrom uit in tranen van teleurstelling. Dagen heeft hij Cornelisz gesmeekt om iemand te mogen doden, en nu hij weer de kans is misgelopen om zijn duistere lusten te botvieren, huilt hij van jaloezie. Het gevoel van totale macht over leven en dood heeft de moordenaars gek gemaakt.

Onverwacht tegenstand

Terwijl Cornelisz op Kerkhof Batavia met leven en dood speelt, ontstaat er een probleem dat zijn aandacht vereist. De bijna 50 soldaten die de onderkoopman op het dorre Hoge Eiland aan hun lot over heeft gelaten, blijken nog steeds in leven te zijn.

Nadat ze op Hoge Eiland geen water konden vinden, hebben ze onder leiding van de 21-jarige Wiebbe Haijes hun toevlucht gezocht op een naburig eiland. Daar bleek wel water te zijn, en eten in de vorm van wallaby’s – een kleine kangoeroesoort. De soldaten hadden rooksignalen gemaakt ten teken dat er water was gevonden.

Maar nadat enkele mensen die van de bloedbaden op de andere eilanden ontkomen waren hun eiland bereikten en over Cornelisz’ schrikbewind hebben verteld, is Haijes begonnen met voorbereidingen om een mogelijke aanval van de moordenaars af te slaan.

Cornelisz heeft de soldaten voor vertrek al hun wapens afgenomen, maar in plaats daarvan maken ze primitieve knuppels van drijfhout en metaal van de Batavia. Daarnaast bouwen ze onder leiding van Haijes een klein fort van steen, koraal en modder. Dan is het wachten op de volgende stap van de muiters.

Cornelisz loopt in de val

Intussen stippelt Cornelisz zijn aanval uit. Hij vreest dat de soldaten het reddingsschip zullen waarschuwen, dat hij elk moment verwacht. De verdedigers van het eiland moeten daarom weg – koste wat het kost. Begin augustus stuurt hij eerst 22 mannen en daarna nog eens heb dubbele aantal naar Wiebbe Haijes.

Beide keren worden de moordenaars verjaagd door de soldaten, die tot aan hun knieën in het water staan en het strand met hand en tand verdedigen. Cornelisz beseft dat hij zijn tactiek moet aanpassen.

Het is tijd voor een list. ‘Nu hebben we die lui heel zeker in de tang,’ verzekert hij zijn mensen voordat hij op de ochtend van 2 september met vijf mannen naar het zogenoemde ‘Wiebbe Haijes’ Eiland’ vaart.

De mannen hebben twee sloepen tot de rand toe gevuld met gouden munten, edelstenen, kleren, wollen dekens en vaten wijn, waarmee Cornelisz de soldaten uit hun tent wil lokken. Hij hoopt dat ze hun verzet zullen staken in ruil voor de geschenken. Zodra de soldaten hun verdediging laten zakken, zullen troepen van Cornelisz die op een koraalrif in de buurt in een hinderlaag liggen, tegen hen ten aanval trekken.

Als Wiebbe Haijes Cornelisz over het strand tegemoet loopt, verzekert de muiter hem dat hij geen kwaad in de zin heeft en dat er geen reden is om hem te wantrouwen omdat er een paar mensen zijn gedood. Dat waren namelijk allemaal schurken, die kregen wat hun toekwam.

Hij verontschuldigt zich ook meteen voor zijn eerdere aanvallen op het eiland: ‘We wilden alleen maar water.’

Maar Haijes laat zich niet in de luren leggen. Hij heeft zelf een val gezet voor de muiters. ‘Verrader!’ roept hij en geeft zijn mannen, die vlakbij verstopt liggen, een teken.

Voor Cornelisz kan reageren, is hij overmeesterd. Vier van zijn mannen worden ter plekke gedood. De vijfde, Wouter Loos, slaagt erin om te vluchten.

Zeilschip in zicht

Nu Cornelisz buitenspel is gezet, organiseren de muiters op Kerkhof Batavia zich onder de 24-jarige Wouter Loos. Maar hun geluk raakt op. Als ze op 17 september Wiebbe Haijes’ Eiland bestormen, wordt het een korte slag. Loos en zijn mannen gaan met geweren ten aanval, maar na twee uur, wanneer de bloedige gevechten op hun hevigst zijn, gebeurt het wonder: aan de horizon doemt Pelsaerts reddingsschip Sardam op.

In een race op leven en dood varen twee sloepen Pelsaert tegemoet. In de ene zitten Haijes en vier van zijn mannen, die de bevelhebber willen waarschuwen, in de andere 11 muiters, die het schip willen veroveren.

Haijes wint de roeiwedstrijd. ‘Welkom, maar pas op, een troep schurken is van plan het jacht te kapen,’ roept hij buiten adem tegen de opperkoopman.

Pelsaert aarzelt geen moment en beveelt zijn mannen om de kanonnen klaar te maken.

Een paar tellen later bereiken de muiters het schip. Maar de overmacht is te groot, ze moeten zich overgeven.

Het recht zegeviert

Als Pelsaert het gruwelijke verhaal over het sadisme, de verkrachtingen en de massamoord van de muiters hoort, kan hij zijn oren bijna niet geloven. Tijdens de bijna 100 dagen lange reis naar de havenstad Batavia en terug heeft hij zich erop ingesteld dat veel opvarenden zouden zijn omgekomen – van honger, dorst en ziekte. Hij had nooit verwacht dat in zijn afwezigheid een gek de macht zou grijpen, die alle beschaving en menselijkheid zou laten varen en een slachtpartij zou aanrichten.

Diezelfde avond wordt Cornelisz aan boord van de Sardam gebracht, waar de opperkoopman hem verhoort. ‘Waarom hebt u toegelaten dat de duivel u zo ver van alle menselijke gevoel heeft weggevoerd?’ vraagt Pelsaert.

‘Alles wat hier is gedaan, is niet mijn schuld,’ snauwt Cornelisz hem toe.

Hij schuift de schuld af op anderen en bezweert dat het niet zijn idee was om de Batavia of het reddingsschip te veroveren. Maar zo gemakkelijk komt Cornelisz er niet van af. Dagenlang verhoort de opperkoopman alle overlevenden en hij legt alle verklaringen en misdaden nauwkeurig vast. Op 28 september 1629 spreekt hij het vonnis uit over de aanvoerder van de muiters.

‘Teneinde ons te bevrijden van de wrake Gods en om de naam van het christendom te zuiveren van een dergelijke ongehoorde schurk, Jeronimus Cornelisz’, wordt de muiter ertoe veroordeeld aan de galg te worden gehangen ‘tot de dood erop volgt’.

Vier dagen later, op een grauwe oktoberochtend, als de wolken laag over de eilanden hangen, worden Cornelisz en zes van zijn handlangers naar de galgen gevoerd die op Robbeneiland zijn geplaatst. Voordat de mannen de strop om krijgen, worden hun handen afgehakt – bij Cornelisz beide handen, bij de anderen alleen de rechter.

Dominee Gijsbert Bastiaensz, wiens vrouw en zes kinderen door de muiters zijn vermoord, begeleidt de veroordeelden naar het schavot, opdat ze nog spijt kunnen betuigen over hun misdaden. De meesten nemen het aanbod dankbaar aan en smeken om vergeving, maar Cornelisz blijft ontkennen dat hij iets fout heeft gedaan. Zijn laatste woord voor hij sterft, is ‘Wraak’.

De executie van de zeven muiters brengt het totale aantal doden op de Houtman Abrolhos-eilanden op 198. Tweederde van de mensen die in Amsterdam hoopvol aan boord gingen van de Batavia, is nu dood. Als de Sardam enkele dagen later de eilanden achter zich laat, wordt daarmee een van de gruwelijkste hoofdstukken in de geschiedenis van de scheepvaart afgesloten.

Bekijk ook ...