De bemanningsleden van zeilschepen moesten de handen flink uit de mouwen steken, anders wist de kapitein wel raad met hen.

Kapitein zaait angst met zware straffen

Honderden bemanningsleden op één schip: het was van groot belang al deze mannen in het gareel te houden. De omstandigheden waren slecht en de ontevredenheid was groot. De reizen naar de Oost konden maanden duren, en angst zaaien met zware straffen was dan ook gebruikelijk.

11 januari 2019 door Marleen Stavenuiter | Het Scheepvaartmuseum

De provoost was de politieagent aan boord. Hij controleerde de bemanning en zag erop toe dat iedereen zich netjes gedroeg. Ook zorgde hij ervoor dat verdachte zaken voor de scheepsleiding kwamen, zodat de boosdoener kon worden berecht. 

Dat moest snel, anders zou men kunnen denken dat je wegkwam met je zonden. Geen bureaucratische toestanden maar lik-op-stukbeleid. Hier volgen de bijbehorende straffen oplopend in narigheid. Lees en huiver. 

1. Geldboete

Als je denkt dat ruige mannen zich een beetje lomp mochten gedragen, dan heb je het mis. Op vloeken stond een straf en eten weggooien – zelfs als het bedorven was – was uit den boze. 

Ook plassen of poepen op een plek waar dat niet mocht leverde een geldboete op. Je gage (salaris aan boord) was al karig, dus dat liet je wel uit je hoofd. 

2. Touwslagen

Wie gereedschap aan boord kwijtmaakte (als je lang niet aan wal kwam, was een gebrek aan werkspullen echt een probleem), in een ruzie belandde of in een gevecht terechtkwam, werd fysiek gestraft. Je werd ‘gelaarsd’. 

Dat betekende een pak slaag kreeg met een stuk touw. Vaak begon dit met 100 touwslagen en liep het aantal op tot zo’n 200. Als je een verdedigingsfunctie aan boord had werd je niet met touw geslagen, maar met een speciaal hiervoor gemaakt houten geweer. Over het algemeen werd dit als een vrij lichte straf gezien.

3. Lijfstraffen

Als je iemand aan boord had bedreigd, bijvoorbeeld met een mes, dan kreeg je een koekje van eigen deeg. Je moest je vingers spreiden en tegen de mast aan zetten. Vervolgens werd er een mes in het kleine velletje tussen je vingers gestoken. Je kon alleen loskomen door je hand los te trekken van het mes. Au! 

Had de verdachte zijn mes ook gebruikt en niet alleen gedreigd, dan werd de straf erger: hij werd de mast in gehesen met kanonskogels aan zijn voeten en van de ra geduwd (de dwarsbalk waar de zeilen aan vastzaten). 

Door de trekkracht aan zijn voeten maakte de arme ziel vanaf 15 meter hoogte een enorme plons en duurde het een tijdje voordat hij weer boven water kwam. Daarna herhaalde het ritueel zich. 

En de overtreffende trap hiervan? Inderdaad: kielhalen. Het probleem hierbij was vaak het omgekeerde: de zielenpoot zonk niet ver genoeg, waardoor hij tegen de romp van het schip aan bonkte terwijl hij eronderdoor werd gesleurd. Vaak kwam hij meer dood dan levend terug aan boord. 

4. Doodstraf

Als je het echt bont had gemaakt, kreeg je de doodstraf. Die gold bijvoorbeeld voor moord. Dan werd je levend overboord gezet, soms vastgebonden aan degene die je had omgebracht. Voor veel minder erge ‘vergrijpen’ kon je ook de doodstraf krijgen.

Seks met een man bijvoorbeeld. Dat was aan boord van VOC-schepen uit den boze. Wederom was samen aan elkaar over boord gezet worden volgens de officieren aan boord een gepaste straf. 

In slaap vallen tijdens je wacht klinkt misschien niet zo erg, maar daarmee bracht je feitelijk het schip en de levens van honderden mensen in gevaar. Ook hier stond de doodstraf op. Na de dood was de straf pas half voltooid: het lijk werd aan de mast gehangen ter afschrikking. Een levenloos uithangbord ter voorkoming van herhaling. 

Het was enorm belangrijk om de bemanning enigszins tevreden te houden: als de massa aan boord collectief in opstand zou komen, kon het schip worden overgenomen. Dit was muiterij, een van de dingen waar officieren als de dood voor waren. 

Even een sprongetje van de Verenigde Oost-Indische Compagnie naar de West-Indische Compagnie: toen de Nederlanders slaven vervoerden van Afrika naar het Caribisch gebied, voeren ze bewust met kleinere schepen en minder slaven. 

Zo werd de kans verkleind dat de mensen onderdeks gezamenlijk de overhand zouden krijgen bij een opstand.   

Bekentenis is vereist

Muiterij en desertie (werkweigering of zelfs ontsnappen van boord) waren het allerergste wat je kon doen en werden zonder uitzondering met de dood bestraft. Vaak was er wel een probleem: iemand kon alleen gestraft worden als hij bekend had. 

Ook daar had de scheepsleiding een oplossing voor, namelijk martelen met water. Een trechter in iemands mond zetten en hem laten lurken voor het leven tot hij zou stikken was een doeltreffende manier. 

Uit naslagwerken blijkt dat muiterij niet heel vaak voorkwam. Het zou gaan om zo’n 40 muiterijpartijen in 200 jaar VOC. Dus óf de VOC hield haar manschappen redelijk tevreden, met bijvoorbeeld af en toe een neutje, óf het lik-op-stukbeleid werkte feilloos.

Bron

Zwarte peper en scheurbuik. Vibeke Roeper. 

Bekijk ook ...