Spoorlijn des doods kostte 100.000 levens

Duizenden geallieerde krijgsgevangenen moeten in 1942 een spoorlijn bouwen voor de Japanners, dwars door de wildernis tussen Thailand en Birma. Ze kappen bamboe, hakken rotsen weg en leggen rails – in de verzengende hitte en op een dieet van rotte rijst.

Duizenden geallieerde krijgsgevangenen moeten in 1942 een spoorlijn bouwen voor de Japanners, dwars door de wildernis tussen Thailand en Birma. Ze kappen bamboe, hakken rotsen weg en leggen rails – in de verzengende hitte en op een dieet van rotte rijst.

Imperial War Museums

Reg Twigg zit op zijn hurken en drukt zijn geweer tegen zich aan terwijl de kogels hem om de oren vliegen.

Met een groepje Engelse en Indiase soldaten heeft de 28-jarige Brit uit Leicester zijn toevlucht gezocht in een zandbunker bij het clubhuis van de Singapore Golf Club.

De golfbaan ligt 12 kilometer van het centrum van Singapore, dat sinds 1819 een Britse kolonie is. Op deze 9e februari 1942 zijn de Britten de controle over hun Aziatische bezit echter bijna kwijt.

36.000 goed getrainde soldaten van het keizerlijke Japanse leger zijn Singapore een dag eerder binnengevallen, en Reg Twigg bevindt zich midden in wat de Britse premier Winston Churchill later ‘de ergste nederlaag uit de Britse militaire geschiedenis’ zal noemen.

Op de green, een paar meter van Twigg, liggen 20 tot 30 Britse soldaten in een plas bloed. Twee van hen leven nog en roepen wanhopig om hulp, maar ze worden overstemd door de explosies van de mortiergranaten die voortdurend inslaan in het gras van de golfbaan.

Dan wordt de bunker getroffen door een granaat. Door de explosie vliegt een Indiase soldaat door de lucht, en hij komt boven op Twigg terecht.

Geschokt kruipt de Engelsman onder zijn dode kameraad vandaan, wiens rug helemaal open ligt. De wervelkolom en de ribben steken eruit. Zes dagen later is de Slag om Singapore voorbij.

‘We geven ons over,’ zegt de Britse officier die Twigg uit de bunker op de golfbaan helpt. De kolonie is verloren, en de jonge soldaat is nu een van 61.700 krijgsgevangenen. Zijn lijdensweg is echter nog maar pas begonnen.

© Australian War Memorial

Dodenmars door de jungle

September 1942: Na zeven maanden in barre omstandigheden in de Changhi-gevangenis in Singapore wordt Reg Twigg met duizenden anderen in veewagons naar Thailand gebracht.

‘We zullen jullie goed behandelen.’

De woorden van de Japanse officier die Reg Twigg zeven maanden eerder gevangennam, malen door zijn hoofd. Vermagerd en uitgehongerd staat hij met 34 andere krijgsgevangenen opeengepakt in een veewagon.

Het is zo krap dat ze niet kunnen zitten. Op de vloer ligt een stinkend mengsel van urine, uitwerpselen en braaksel – de mannen zijn het laatste restje waardigheid allang kwijt.

Als dit een goede behandeling is, hoe zou een slechte behandeling er dan uitzien, denkt Twigg bij zichzelf, terwijl hij zijn best doet om de stank te negeren.

Drie dagen en drie nachten lang boemelt de trein door de donkere jungle. Op de vierde ochtend komen de krijgs-gevangenen eindelijk aan bij hun eindbestemming. ‘Ban Pong’ staat er op een houten bord geschilderd.

Samen met de krakkemikkige spoorlijn is dat bord zo ongeveer het enige teken van beschaving in de dichte begroeiing.

Ban Pong ligt in het zuiden van Thailand, op meer dan 1500 kilometer afstand van Singapore. Reg Twigg en de andere westerse krijgsgevangenen strompelen als levende doden uit de veewagons.

Hun kleren en laarzen zitten onder het braaksel en de ontlasting, en ze hebben tijdens de reis maar een handjevol rijst gekregen.

Na een korte onderbreking beginnen Twigg en zijn honderden lotgenoten aan een mars door het oerwoud. De hitte is ondraaglijk en het terrein is onherbergzaam.

Maar ze moeten door. ‘Speedo, speedo,’ roepen de Japanse soldaten, die de uitgeputte gevangenen met hun bajonetten vooruitdrijven – als vee naar de slachtbank.

Enkele gevangenen zijn aan het eind van hun Latijn en vallen op de grond. Als ze niet meteen overeind komen, sleuren de Japanners hen weg van de rest van de groep. Deze mannen worden nooit meer gezien.

Geallieerde krijgsgevangenen en Aziatische dwangarbeiders moesten een spoorlijn van Thailand naar Birma bouwen.

© Imperial War Museums

Mensenleven was niets waard

Tijdens het werk aan de Birmaspoorlijn kwamen zo’n 12.000 geallieerde soldaten om. Dat is circa 20 procent van het aantal krijgsgevangenen. Ter vergelijking: de sterfte onder geallieerde gevangenen in Duitse werkkampen lag op 4 procent.

De omstandigheden waren echter nog veel zwaarder voor de meer dan 200.000 Aziatische dwangarbeiders, die vooral uit Maleisië kwamen. Zij leefden in aparte kampen en werden dagelijks mishandeld.

Anders dan de geallieerde soldaten, die vaak toegang tot een arts hadden, werden de Aziatische arbeiders in de jungle volledig aan hun lot overgelaten. Ze kregen geen medicijnen als ziekten als malaria, dysenterie en beriberi de kop opstaken.

In de Japanse werkkampen stapelden de lijken zich in zo’n rap tempo op dat veel lichamen op de grond bleven liggen rotten – niemand kon de kracht opbrengen om de doden te begraven.

Onder de ellendige omstandig-heden pleegden veel gevangenen zelfmoord, en in sommige kampen bedroeg de sterfte mogelijk wel 90 procent.

Hoeveel Aziaten hun leven gaven voor de spoorlijn is niet bekend. De Japanners en de arbeiders zelf hielden de sterfgevallen niet precies bij.

Volgens één schatting vielen er circa 90.000 doden, maar er zijn historici die een veel hoger aantal aanhouden.

Gevangenen werken tot bloedens toe

Oktober 1942: Krijgsgevangenen en dwangarbeiders moeten een spoorlijn bouwen om Thailand met Birma te verbinden in voorbereiding op een Japanse aanval op India.

‘Iedereen moet werken, ook officieren!’ roept de Japanse luitenant Usuki.

Met vlammende ogen staart hij Twigg en de anderen aan, die net zijn aangekomen in het werkkamp bij de plaats Konyo in het zuiden van Thailand.

Hier moeten ze met duizenden andere krijgsgevangenen uit Groot-Brittannië, Nederland, Australië en de VS, en nog veel meer Aziatische dwangarbeiders, een nieuwe spoorlijn door de jungle aanleggen.

Die moet Thailand met Birma verbinden om de Japanse bevoorrading veilig te stellen. Luitenant Usuki is een kop kleiner dan de meeste van zijn gevangenen, wat hem de bijnaam Konyo Kid oplevert.

Maar de kleine Japanner staat bekend als een opgewonden standje en is berucht om de wrede straffen die hij uitdeelt.

Dat weet een van de officieren duidelijk niet. Hij waagt het een kritische opmerking te maken: ‘Mag ik de kampcommandant erop wijzen dat officieren volgens de Conventies van Genève niet tewerkgesteld mogen worden?’

Konyo Kid beent woedend op de officier af en schreeuwt hem in zijn gezicht tot de bloedvaten in zijn voorhoofd op springen staan.

Dan plant Usuki een vuist in het gezicht van de Britse officier en beveelt hij twee Japanners om de gevangene te bewerken met de kolf van hun geweer tot hij roerloos op de grond ligt.

De boodschap is helder: niemand ontkomt aan werken. Van zonsopgang tot zonsondergang rond zes uur ’s avonds werkt Reg Twigg zich uit de naad.

De gevangenen moeten bamboe omhakken met een botte bijl, want de bewakers zijn bang dat een scherpe bijl als wapen gebruikt zal worden.

Stenen en rotsblokken moeten met de hand verwijderd worden, en de handen van Twigg liggen al snel tot bloedens toe open. Zijn rug en schouders hebben zwaar te lijden onder de grote bamboestammen die hij moet wegslepen.

‘Speedo, speedo!’ roepen de bewakers telkens wanneer Twigg even op adem probeert te komen. Meestal wordt het bevel gevolgd door een klap in zijn gezicht of een vuistslag in zijn middenrif.

Het dagelijkse rantsoen bestaat uit een kommetje met rotte rijst, en als de mannen geluk hebben, zitten er een paar voedzame maden in.

Om Twigg heen bezwijkt de een na de ander aan uitputting of ziekten als dysenterie en malaria. Tijd voor fatsoenlijke begrafenissen is er niet.

De doden worden op onceremoniële wijze onder de grond geschoffeld waar ze zich op doodgewerkt hebben.

Veel gevangenen werden ziek tijdens het zware werk. De Europeanen hadden, in tegenstelling tot hun Aziatische lotgenoten, meestal toegang tot een arts.

© Topfoto/Ritzau Scanpix

Zelfgemaakte tabak brengt verlichting

November 1942: De laatste twee maanden hebben Australische gevangenen aan het noordelijke deel van de spoorlijn gewerkt. Nu begint het werk in Thailand. Reg Twigg wordt overgeplaatst naar een nieuw kamp bij Konyo.

Twigg arriveert in het nieuwe kamp, dat de gevangenen ‘Konyo 2’ noemen. De soldaat uit Leicester valt meteen een belangrijk verschil op met het oude kamp: er groeien tabaksplanten in de omliggende jungle.

De 28-jarige Brit is bijna jarig en besluit zichzelf een cadeautje te geven: hij wil proberen zelf rookbare tabak te maken van de planten.

In zijn spaarzame vrije tijd oogst Twigg de tabaksplanten die bij het kamp groeien. Dan droogt hij de bladeren in de zon en lost hij ze op in een vloeistof van thee en suiker uit het iets verbeterde rantsoen dat hij nu krijgt.

Na een tijdje, wanneer de tabaksbladeren alle vocht hebben opgezogen, snijdt hij ze in stukjes en maakt hij daar één grote brij van.

Als laatste wikkelt hij de tabaksklomp in een stukje stof en hangt hij die een etmaal te fermenteren bij zijn hut. Dan is de tabak klaar voor gebruik.

Twigg test het resultaat in zijn pijp, samen met zijn landgenoot Hallam. ’s Avonds, terwijl ze de tabak roken – die tot grote verbazing van Twigg verrassend veel op die van thuis lijkt – mijmeren ze over een toekomst ver weg van de hel van het Japanse gevangenenkamp.

‘Stel je voor, Reg, op een dag kunnen we weer een echte pijp roken met St. Bruno-tabak erin en een lekker biertje erbij. En er zijn geen Japanners die ons bevelen geven,’ zegt Hallam hoopvol.

Honger drijft Engelsman tot diefstal

December 1942: De zelfgemaakte tabak heeft Reg Twigg een beetje opgebeurd. Hij moet echter nog steeds hard werken en krijgt weinig te eten.

Zijn 29e verjaardag op 16 december brengt Twigg net als elke andere dag door met zwaar werk aan de spoorlijn. Hij weegt nog maar 45 kilo en kan zijn ribben tellen.

Om hem heen bezwijken zijn lotgenoten bij bosjes, en Twigg besluit een groot risico te nemen om aan meer eten te komen. Hij beseft dat dit hem fataal kan worden.

Op zo’n 45 meter van zijn hut staat de keuken van de Japanners. Achter die hut, waarvan de ingang naar de jungle gericht is, staat een groot vat vol gedroogde vis.

Het is Twigg eerder opgevallen dat de keuken ’s avonds niet wordt bewaakt. Dan moet hij dus toeslaan. Terwijl het hart hem in de keel klopt sluipt hij naar het metalen vat.

Als hij ontdekt wordt, wordt hij niet alleen in elkaar geslagen. De Japanners zullen hem zeker doden. Voorzichtig tilt Twigg het deksel op en haalt er twee vissen uit.

Die kan hij maar op één plaats verstoppen: in zijn Japanse lendendoek, een fundoshi, die als een uit de kluiten gewassen onderbroek om zijn onderlichaam is gewikkeld.

Met een brede grijns sluipt Twigg terug naar zijn hut, waar hij de vangst deelt met zijn celgenoot Howard.

Reg Twigg pleegt de weken daarna dezelfde misdaad nog een paar keer, nu met hulp van zijn celgenoot, die op wacht staat terwijl Twigg toeslaat.

De eerste keer dat ze samen in het holst van de nacht vis stelen, beeft Howard als een rietje. ‘Jezus Reg, je bent niet goed wijs. Als ze ons te pakken krijgen, worden we doodgeschoten,’ sist hij.

Maar het verlangen naar wat extra eten wint het, en Howard blijft op zijn post. En nadat hij van de vis heeft gegeten, is hij makkelijker over te halen nog een keer van de Japanners te stelen.

Twigg knapt niet alleen fysiek op van de vis: elke diefstal voelt als een kleine overwinning op de vijand.

Visdief wordt ziek

Maart 1943: Na enige tijd lijkt het geluk van Reg Twigg dan toch echt op: hij wordt ernstig ziek.

‘Ik ben bang dat je beriberi hebt opgelopen.’

De woorden van de Britse legerarts die Twigg onderzocht heeft in de schamele hospitaalhut van Konyo 2, komen niet als een grote verrassing.

De Engelsman ziet al de hele dag wazig en heeft last van hoofdpijn, spierpijn en opgezwollen benen – klassieke symptomen van beriberi.

Hij heeft al een hoop andere gevangenen met die ziekte gezien, en regelmatig bezwijken ze eraan.

Beriberi is te wijten aan een gebrek aan vitamine B1, en zolang Twigg in het jappenkamp zit, zal daar geen verbetering in komen.

‘Nogal wiedes dat we dat soort dingen oplopen als we niet meer dan een handjevol verrotte rijst per dag te eten krijgen,’ denkt Twigg bij zichzelf.

‘Je zult moeten wachten tot ik je met een boot naar het dorp Tarso kan sturen. Op dit moment kan ik niets voor je doen,’ zegt de arts.

De Japanners brengen zieke gevangenen naar Tarso, waar een echt ziekenhuis is met medicijnen op voorraad, maar dat doen ze pas wanneer er genoeg zieken zijn om een hele boot mee te vullen.

De volgende ochtend dwingt Twigg zichzelf dan ook met zijn zieke lijf naar het oorspronkelijke kamp Konyo in het zuiden te lopen.

Daar moet hij twee dagen stenen sjouwen en bamboe omhakken voordat er genoeg zieken zijn om een boot te vullen.

Twiggs armen en benen voelen aan als lood, en hij kan nauwelijks uit zijn ogen kijken. Maar dat maakt nu allemaal niet uit.

De Engelsman kan maar aan één ding denken: hij gaat weg uit deze jungle en dit verschrikkelijke kamp – in ieder geval voor even.

‘Ik ben bang dat je beriberi hebt opgelopen.’

Twigg wordt barbier

April 1943: Reg Twigg is goed hersteld in het hospitaal van Tarso. Hij hoeft niet terug naar het kamp in Konyo, maar moet de nieuwe rails in de stad onderhouden. Hij komt bekend te staan als de ‘barbier van Tarso’.

Er had net zo goed een bord met de tekst Reg’s Barbershop boven de ingang van Twiggs hut in Tarso kunnen hangen. Elke dag staan de bebaarde soldaten in de rij om hun gezichtshaar te laten verwijderen.

Zijn bijbaantje begon een paar weken eerder, toen Twigg zich met kunst- en vliegwerk wist te scheren. Dat deed hij met een gestolen koksmes en een klodder antibacteriële zeep, die als scheerschuim diende.

Nu krijgt de ‘barbier van Tarso’, zoals de gevangenen hem inmiddels noemen, zijn grootste uitdaging tot nu toe.

‘Ben jij die vent die scheert?’ klinkt een vragende stem bij de ingang van zijn hut. De stem is van een Britse sergeant die tijdens zijn gevangenschap een enorme baard heeft gekregen die zijn hele borstkas aan het zicht onttrekt.

‘Ik kan wel een poging wagen,’ antwoordt Twigg, en hij nodigt de officier uit om plaats te nemen.

‘Maar zoek wel iets om je tranen mee te drogen, want dit gaat branden.’

De sergeant gaat met rechte rug zitten op de gebutste emmer die dienstdoet als barbiersstoel en antwoordt: ‘Begin maar, maak je om mij geen zorgen.’

Twigg doopt het koksmes in een teil kokend water en zet het in de baard. Om hem heen in de hut verzamelt zich een publiek van krijgsgevangenen, en zelfs een paar Japanse bewakers komen een kijkje nemen.

Iedereen heeft medelijden met de sergeant: zijn gezicht verandert in een bloederig maanlandschap. De officier zelf geeft geen krimp tijdens de behandeling, maar zijn betraande ogen spreken boekdelen.

‘Wat is er loos, sarge, het lijkt wel of je gehuild hebt,’ zegt Twigg plagend als hij het mes nog een laatste keer op de wangen van de officier zet.

De sergeant staat met rode ogen op, bedankt Twigg en loopt naar buiten. Dit soort gebeurtenissen geven Twigg weer een sprankje hoop in alle ellende.

Het scheren van zijn kameraden is niet alleen een zinvolle bezigheid, maar het geeft hem bovendien een unieke kans om zijn medegevangenen iets van de waardigheid terug te geven die de Japanners hun in het gevangenenkamp hebben ontnomen.

De film The Bridge on the River Kwai gaat over gevangenen die een brug van de Birmaspoorlijn bouwen.

© Photo 12/Imageselect

Brug over de Kwai kreeg zijn naam dankzij Hollywood

De Hollywoodfilm The Bridge on the River Kwai uit 1957 maakte de Birmaspoorlijn bekend bij een breed publiek, maar voordien had de brug bij de plaats Kanchanaburi geen naam.

Hij stond bekend als Brug 277 – een van de meer dan 600 op het spoortraject.

Drie jaar later gaven de Thaise autoriteiten de brug officieel de naam Bridge on the River Kwai omdat hij inmiddels wereldberoemd was en duizenden toeristen hem wilden komen bekijken.

In het Thai betekent khwae gewoon rivier, dus de naam is letterlijk vertaald Brug over de rivier Rivier. Het misverstand zou ontstaan zijn doordat Engelse krijgsgevangenen dachten dat de Thai de rivier bij zijn naam noemden.

Soldaat tekent zijn eigen doodvonnis

Mei 1943: De soldaten moeten elke dag in het gelid staan tijdens de Japanse inspectie.

Reg Twigg kijkt naar de grond als de wreedste bewaker van Tarso, door de gevangenen ‘Silver Bullet’ genoemd, langsloopt in zijn glimmende uniform met een sadistische grijns op zijn smoelwerk.

Samen met zo’n 800 andere Koreanen is de 1,45 meter lange bewaker door de Japanners ingehuurd om de krijgsgevangenen in toom te houden.

Niet iedereen heeft geleerd om zijn blik af te wenden als Silver Bullet op zoek is naar een slachtoffer. Een lange man van het Britse Sherwood Foresters-regiment werpt de bewaker een boze blik toe.

Dat pikt de Koreaan niet, en hij stompt de soldaat met zijn vuist in het gezicht. ‘Moet jij eens luisteren, klootzak. Deze man is lid van een van de beste regimenten van het Britse leger. Hij heeft thuis waarschijnlijk een vrouw en kinderen. Hij is ongetwijfeld iemands zoon, en in ieder geval is hij een mens. Jij hebt het recht niet om hem zo te behandelen,’ hoort Twigg zichzelf zeggen – in gedachten.

Hij spreekt de woorden niet uit: zoals gewoonlijk blijven ze op zijn tong liggen. Of de Sherwood Foresters-soldaat hetzelfde denkt is niet bekend, maar hij kan zich niet beheersen en geeft Silver Bullet een rechtse midden in zijn gezicht.

De bewaker valt achterover op de stoffige grond terwijl de gevangenen met open mond toekijken. Ze zeggen geen woord en verroeren geen vin. Ze kijken met ontzag naar de man die zojuist zijn eigen doodvonnis tekende.

Verbouwereerd komt Silver Bullet overeind, en hij schreeuwt naar de soldaat terwijl een groep bewakers die bewerkt met hun geweerkolf.

Twigg en de anderen staan op de eerste rang, met hun armen en benen recht en hun blik in de lucht. Ze weten donders goed dat de minste of geringste bemoeienis hun het leven kost.

Na een eeuwigheid sleuren de bewakers de bont en blauw geslagen man van de binnenplaats. Hij wordt nooit meer gezien.

‘Moet jij eens luisteren, klootzak. Deze man is lid van een van de beste regimenten van het Britse leger. Hij heeft thuis waarschijnlijk een vrouw en kinderen. Hij is ongetwijfeld iemands zoon, en in ieder geval is hij een mens. Jij hebt het recht niet om hem zo te behandelen.’ Reg Twigg.

Luchtaanval geeft een sprankje hoop

Maart 1944: Japan valt India binnen. Om de bevoorrading veilig te stellen, moeten de gevangenen de spoorlijn onderhouden.

In de lente arriveert Reg Twigg in het kamp Arrow Hill, dat bij de plaats Kanchanaburi aan de Birmese grens ligt. Hij moet helpen een brug over een rivier te onderhouden waar treinen overheen rijden.

Het is zwaar werk, en het gebruinde lijf van Twigg raakt bedekt met wonden en blaren. De laatste maanden zijn een beproeving geweest: hij moest dode kameraden verbranden, heeft op een dikke laag poep geslapen en heeft malaria gehad.

Bovendien zijn de keukens van het kamp zo ver weg dat Twigg geen eten durft te stelen. Hij leeft dan ook van een paar handjes rijst per dag en de hagedissen en slangen die hij vangt met zijn zelfgemaakte vallen van bamboe en touw.

Die vallen maakt Twigg in het geheim. Als de dieren gevangen zijn, vilt hij ze en roostert hij ze boven een vuurtje, terwijl hij hoopt dat de bewakers de rook niet zien. Ondanks deze aanvulling op zijn menu weegt hij nog geen 40 kilo.

Op een dag begint een Japanse bewaker plotseling te hameren op een ijzeren rooster voor de ingang van een grot met vleermuizen.

De klappen echoën door de grot en maken een hels kabaal: het is een provisorisch luchtalarm. Twigg zet de twee zware stukken bamboe die hij draagt neer en kijkt naar de lucht.

Eventjes vergeet hij de knagende honger als hij een Britse Mosquito over de beboste bergen aan de horizon ziet klimmen.

‘Waar was jij in Singapore?’ denkt hij.

‘Jullie Britse soldaten snijden de hoofden van Japanse soldaten,’ roept de kampcommandant als de gevangenen in het gelid op de binnenplaats staan.

‘Als dat doorgaat, gebeurt hetzelfde met jullie.’

Twigg zegt niets. Hij weet dat hij gestraft zal worden als hij zijn zelfbeheersing verliest.

Maar als hij toegeschreeuwd wordt door bewakers die geen Engels spreken, kan hij de verleiding niet weerstaan om hun in zijn moedertaal de wind van voren te geven: ‘Smerige, moorddadige hufter! Op een dag vil ik je levend en rooster ik je boven een vuur,’ sist hij.

Twee dagen nadat de Mosquito zich liet zien, barst de hel los in Arrow Hill als zes Britse bommenwerpers aan de hemel opdoemen.

Twigg werpt zich plat op zijn buik en volgt de vallende bommen met zijn ogen. De Japanners rennen in paniek rond en schieten op de vliegtuigen, maar kunnen een paar voltreffers op de brug niet voorkomen.

In de weken daarna werken de gevangenen 18 uur per dag als bezetenen om de brug te repareren, zodat er weer treinen over de rivier kunnen.

De bewakers zijn agressiever dan ooit en schoppen en slaan erop los. Maar Twigg heeft weer hoop. Hij put kracht uit het idee dat er mogelijk snel een einde komt aan de verschrikkingen.

Om te overleven ving Reg Twigg kleine dieren als aanvulling op zijn magere rijstrantsoen.

© KayLi Lum

Reg Twigg keert terug naar Engeland

15 augustus 1945: Een maand eerder hebben de geallieerden Birma heroverd, en de spoorlijn in Thailand wordt nu voortdurend vanuit de lucht bestookt.

Duizenden vellen papier dwarrelen uit de lucht. Ze komen uit de Britse vliegtuigen die over het dorp Uttaradit vliegen, waar Twigg sinds juni verblijft.

De ondervoede, uitgeputte soldaat raapt een van de briefjes op. Hij krijgt een brok in zijn keel als hij leest wat er staat: ‘De Japanners hebben zich overgegeven. Jullie zijn vrij en we leggen zo snel mogelijk contact met jullie.’

Een bijna griezelige stilte daalt neer over de binnenplaats. Dan barsten de mannen in een luid gejuich uit en vallen ze elkaar in de armen.

Maar niet iedereen is blij: Twigg ziet hoe een groep Japanse soldaten met gebogen hoofd door de hoofdstraat van Uttaradit loopt. De nederlaag is van hun gezichten af te lezen.

De Japanners in Singapore geven zich pas op 12 september over, maar dan is Twigg al lang en breed op weg naar Bangkok.

Van de Thaise hoofdstad wordt hij per vliegtuig naar Rangoon in Birma gebracht. Vanuit de lucht ziet hij de spoorlijn liggen waar hij drieënhalf jaar van zijn leven aan heeft gewerkt.

Een kleine 7000 van zijn landgenoten liggen begraven onder de verwoeste rails. Daar zijn veel vrienden van hem bij.

Terwijl hij uit het raampje staart, denkt Twigg aan een citaat uit het toneelstuk Henry V van Shakespeare: ‘Oude mannen vergeten.’

‘Helemaal niet!’ denkt hij. De spoorlijn is misschien verleden tijd, maar de ontberingen zullen hem altijd bijblijven. Hij kan alleen maar proberen de draad weer op te pakken.

De geallieerden beheersten het luchtruim boven Thailand en bestookten de Japanse spoorlijn.

© Mirrorpix/Getty Images

Naschrift: Na een paar maanden in Birma werd Twigg naar huis gebracht door het Nederlandse schip SS Boissevain. Hij kwam in oktober 1945 aan in Liverpool, en twee maanden later werd hij herenigd met zijn gezin in Leicester.

Na thuiskomst werd hij magazijnbeheerder. Reg Twigg stierf in 2013 op 99-jarige leeftijd, een paar weken voordat zijn autobiografie verscheen.

Hij heeft zichzelf nooit als een oorlogsheld willen neerzetten; naar eigen zeggen deed hij wat nodig was om te overleven.

In zijn boek zei hij het zo: ‘Darwinisten noemen het “survival of the fittest”. Zelf noem ik het “survival of the most selfish bastards imaginable”.’