In totaal 140 joodse gevangenen werden in Sachsenhausen ingezet bij de grootste valsmunterij ooit.

© Polfoto/DPA & Scala/BPK

Operatie Bernhard: Valsmunters in Sachsenhausen

In de Tweede Wereldoorlog wilden de nazi’s miljoenen valse ponden in Engeland verspreiden om de economie te ontwrichten. Voor deze valsmunterij zetten ze joodse kampgevangenen in, die na de geheime opdracht moesten sterven.

19 september 2019 door Hakon Mosbech

SS-officier Bernhard Krüger had al gehoord dat er iets belangrijks ophanden was. Hij moest op 8 mei 1942 aanwezig zijn bij een ‘dringende vergadering’ en zich in Berlijn melden bij de chef van de buitenlandse inlichtingendienst, Walther Schellenberg.

De kamer was een kruising tussen een fort en een communicatiecentrum. Er was een directe telefoonlijn naar Adolf Hitler, in de lampen zaten geheime microfoontjes, en lichtgevoelige cellen in de muur konden de aanwezigheid van ongenode gasten registreren. Ook had Schellenberg nog twee machine­geweren in zijn bureau laten inbouwen, gericht op de bezoeker.

‘Ik heb u ontboden om u een belangrijk bevel over te brengen van de Reichsführer SS’, zei Schellenberg. Hij doelde hiermee op SS-leider Heinrich Himmler. ‘Hiervoor is vereist dat direct al het noodzakelijke wordt gedaan om Engelse bankbiljetten na te maken.’

Het valse geld zou boven Engeland uit worden gestrooid zodat de bevolking het in omloop zou brengen. De grote hoeveelheid geld zou de inflatie doen stijgen, de economie ontwrichten en de slagkracht van Groot-Brittannië breken.

‘De gevangenen van joodse afkomst in de concentratiekampen kunnen voor voldoende werkkracht zorgen’, voegde Schellenberg er nog aan toe.

Vaklieden gevraagd

Het besluit om vals geld te gebruiken als oorlogswapen hadden hooggeplaatste SS’ers al genomen in het najaar van 1939, twee weken na het begin van de oorlog. 

Niemand kon echter voorzien met welke grote problemen het project te maken zou krijgen. Pas in 1942 maakten specialisten van de papierfabriek Hahnemühle een perfecte imitatie van het bijzondere linnenpapier dat de Bank of England gebruikte.

Nu kwam het erop aan. Krüger stuurde een bevel naar de grote kampen. Hij wilde ‘per omgaande geïnformeerd worden over alle joodse gevan­genen met een grafische achtergrond, papierspecialisten en andere mensen die fijn werk doen (zoals kappers)’, aldus de telex.

De Bank of England gebruikte een papiersoort waar de Duitsers niet aan konden komen. Het zoeken naar adequate vervanging duurde ruim een jaar. De vervalsingen vergden het uiterste van de Duitse papierarbeiders.

© Getty Images

Ticket uit Auschwitz

Bernhard Krüger wist dat joden zeer geschikt waren voor deze naar hem genoemde Operatie Bernhard: ze waren goed gekwalificeerd en konden naderhand probleemloos gedood worden.

Een gevangene die zijn belangstelling had, was de Slowaakse joodse typograaf Adolf Burger. Na de Duitse bezetting van Slowakije in 1938 was Burger ondergedoken en hij had valse katholieke doopakten gemaakt voor Slowaakse joden om hun deportatie te voorkomen.

De Gestapo kwam Burger echter op het spoor en stuurde hem naar het concentratiekamp Auschwitz. Naarmate de maanden verstreken ging Burgers gezondheid hard achteruit. Toen hij te horen kreeg dat zijn 23-jarige vrouw Gisela naar de gaskamers was gestuurd, was hij voorbereid op zijn eigen dood.

Op een dag kreeg hij het bevel zich te melden bij kampcommandant Rudolf Höss. Waarom? Burger kon maar één reden bedenken: de gaskamer.

‘Gevangene Burger?’ vroeg commandant Höss. ‘Beroep typograaf?’

‘Jawohl.’

‘Herr Burger, er is in Berlijn behoefte aan specialisten zoals u. Daar moet u heen’, zei Höss vriendelijk.

Dit was de eerste keer in 18 maanden dat Adolf Burger niet werd opgeroepen als ‘gevangene nummer 64.401’. Toch maakte hij zich zorgen over wat hem nu weer te wachten stond.

Andere uitverkoren gevangenen grepen deze kans maar wat graag aan om aan een wisse dood te ontsnappen.

Toen een Nederlandse steendrukker werd uitgekozen, beweerde zijn vriend Max Groen dat hij ook in het vak had gewerkt. Het was een leugen uit wanhoop. Toch riep Krüger hem bij zich.

‘Wat weet u over retouche?’

Max Groen herinnerde zich een boek waar hij ooit eens in had gebladerd. ‘Amerikaanse retouche’, stamelde hij.

‘Ah, u bedoelt positieve retouche’, zei Krüger. Max Groen mocht mee.

De gevangenen werden vervoerd naar Sachsenhausen, zo’n 30 kilometer boven Berlijn. Het was geen vernietigingskamp, maar leverde werkkracht voor de wapenindustrie en de bouw. Toch waren geweld en terechtstellingen ook hier aan de orde van de dag.

Adolf Burger werd naar een apart deel gebracht, verborgen achter een schutting. Hier lagen barak 18 en 19.

Valsmunters worden bijeengebracht

Toen er eenmaal genoeg gevangenen in Sachsenhausen waren, vertelde Krüger wat hen te doen stond: valse paspoorten en documenten maken, maar eerst en vooral miljoenen Engelse bankbiljetten.

Het werk was uiterst geheim, benadrukte hij nog eens. Niemand mocht met iemand van buiten contact hebben. Daarom hadden de barakken eigen bewakers en artsen. Krüger herinnerde hen eraan dat hij hen had gered van een ‘wisse dood’ in de vernietigingskampen:

‘Als jullie je werk goed doen, hebben jullie niets te vrezen. Ooit is de oorlog voorbij, dan kunnen jullie deze barakken verlaten. Jullie begrijpen dat we jullie niet de volledige vrijheid kunnen geven. Jullie werk moet geheim blijven. Doe je het goed, dan zal onze zege als een beloning komen’, beloofde Krüger.

Hij had een volledige valsmunterswerkplaats ingericht – welhaast een fabriek – met graveerwerkplaats, foto­laboratorium, telruimte en zes moderne drukpersen, waarvan vier Monopol Type 4, het nieuwste model.

De gevangenen waren blij dat ze aan de vernietigingskampen waren ontkomen. Ze werden relatief goed behandeld, kregen een eigen bed, opbergruimte voor hun spullen, meer te eten en mochten burgerkleding dragen. Ze wisten echter dat hun werkzaamheden geheim waren en dat de nazi’s dat ten koste van alles zo wilden houden.

‘Ik wist zeker dat ik het niet zou overleven’, verklaarde Adolf Burger na de oorlog in een interview.

‘Toen ik door de poort liep, wist ik dat ik vroeg of laat vermoord zou worden. In mijn zachte bed dacht ik alleen maar: ik ben een dode met verlof.’

De mannen hadden in de kampen familie en vrienden verloren. Sommigen zagen nu een kans om zich te wreken.

Een drukker uit Berlijn, Max Bober, probeerde de anderen over te halen tot sabotage door slordig en traag te werken: ‘We hebben een wapen in handen, dat moeten we gebruiken’, meende hij.

Maar de meeste lotgenoten richtten zich vooral op overleven: ‘We hebben een dak boven ons hoofd en we zullen niet doodvriezen’, zei gevangene Arthur Tuppler. ‘Laten we daarom proberen er het beste van te maken.’

De andere gevangenen in Sachsenhausen hadden geen idee wat er in barak 18 en 19 gebeurde.

© Archives of the Former Soviet Union & Scala/BPK

Bank neemt biljetten aan

Geen van de gevangenen had ervaring als valsmunter. Ze leerden het ambacht al doende en raakten vertrouwd met graveren en druktechniek.

Ze moesten op de biljetten de geheime echtheidskenmerken zien te vinden. Vooral het ‘Britannia-medaillon’ (de afbeelding linksboven van een vrouw met wapperende jurk) met alle minuscule details en verborgen kenmerken vergde het uiterste van hen.

Het resultaat moest perfect zijn, had Krüger bevolen. De gevangenen en de bankbiljetten werden steeds beter. Het slopende werk werd in een tweeploegendienst verricht. De machines draaiden onophoudelijk en drukten briefjes van 5, 10, 20 en 50 pond.

Alle bankbiljetten werden nauwkeurig bekeken, op kwaliteit gesorteerd, geregistreerd en samengebundeld zoals bij een echte bank. De geldvoorraad werd de ‘Bank of England’ genoemd.

Krüger was echter pas tevreden als de briefjes de ultieme test zouden doorstaan. Op een dag in 1943 ging een gevangene onder bewaking met een map vol vals geld naar de Rijksbank in Berlijn. Het moest gewisseld worden om te onderzoeken of de kassier de vervalsing ontdekte. Elk briefje werd geaccepteerd.

Zieken worden terechtgesteld

Waar de gevangenen erg aan moesten wennen was de totale afzondering van het verder overbevolkte kamp. Op een dag brak er op een dak van een barak brand uit. Gewapende bewakers voorkwamen dat gevangenen konden vluchten en dat er brandweer binnenkwam om te blussen. Om het vege lijf te redden moesten de gevangenen daarom zelf voor brandweer spelen.

Ook leefden de gevangenen altijd in onzekerheid. Ziekte of een ongeval kon de dood betekenen, omdat Krüger niet toestond dat iemand werd behandeld op de ziekenafdeling. Dat zou de geheime operatie in gevaar kunnen brengen. 

Zieken werden gedood. Een Poolse leraar had bijvoorbeeld geprobeerd zijn tuberculose te verbergen. Toen hij bloed opgaf, maakte Krüger korte metten met hem. Zeven gevangenen werden tijdens ‘Operatie Bernhard’ terechtgesteld.

Krüger trad niet al te bruut op: het moreel van de gevangenen moest wel goed blijven. Hij wist uit ervaring dat onte­vreden arbeiders de productie konden verminderen, en zijn gevangenen hadden zeker een sterk motief om het werk te vertragen, want zolang de operatie duurde, bleven ze in leven.

Operatie verandert van doel

Krüger voerde een tweesporenbeleid: gevangenen moesten met bedreigingen in het gareel blijven en met hoop gemotiveerd worden. 

Hun vertrouwen wilde hij winnen door goed werk te belonen: de mannen kregen vrij op zondag, tabak en beter eten. Hij liet een tafeltennis­tafel tussen de barakken zetten en ze mochten luisteren naar de Duitse radio.

‘Het was een zenuwslopende tijd’, zei de Noorse gevangene en typograaf Moritz Nachtstern later. ‘Zodra ze de fabriek zouden sluiten, zou voor ons het crematorium niet ver meer zijn.’

Maar de nazi’s stopten er niet mee. Ze kwamen zelfs met een nieuw plan: in plaats van het geld boven Engeland uit te strooien en de economie te ontwrichten, zou het Duitsland militair voordeel kunnen geven. 

Het land had acuut gebrek aan buitenlandse valuta om wapens en grondstoffen te kopen en zijn buitenlandse agenten te betalen. Met het bijna perfecte valse geld beschikte het land over miljoenen ponden.

Als leider van dit deel van de operatie benoemde de SS de legendarische oplichter, nazi, spion en wapenhandelaar Friedrich Paul Schwend.

Deze behoorde door zijn huwelijk met een barones tot de bovenlaag van de samenleving en leidde in de oorlog een luxeleventje in Italië. Hij bouwde een netwerk op van zo’n 50 mensen die vals geld moesten wisselen bij goedgelovige banken in Zwitserland en failliete handelaars in de neutrale landen.

‘We konden alles krijgen waar gebrek aan was in de oorlog – van Amerikaanse jeeps tot flesjes jodium’, beweerde de zwendelaar Schwend na de oorlog.

Valsmunters op vrije voeten: Op 5 mei 1945 was de nachtmerrie eindelijk voorbij. De gevangenen konden het kamp verlaten en terugkeren naar hun vaderland. 

© Elisabeth Sandmann Verlag

Krüger opent dollarwerkplaats

‘Mijne heren!’ Met deze woorden liep Krüger de werkplaats binnen. Het was september 1944 en het valsgeldproject liep nu zo’n twee jaar. ‘Vanaf nu gaan we ook dollarbiljetten maken!’

Het besluit viel samen met de komst van een nieuwe gevangene. In augustus 1944 werd een graatmagere, haveloze 57-jarige Rus met uitgestreken gezicht het kamp binnengebracht.

‘Van beroep ben ik valsmunter, en zelfs mijn vijanden beschouwen mij als een kunstenaar in mijn vak’, vertelde Salomon Smoljanov trots.

‘Hier hebben we de expert’, jubelde Krüger enthousiast, maar het tij was voor Duitsland gekeerd. Al op 6 juni 1944 hadden gevangenen op Radio Berlijn reportages gehoord over de ‘laffe aanval’ van de geallieerden, later bekend als D-Day. De gevangenen wisten dat hun tijd er bijna op zat. In plaats van hun best te doen werkten ze nog wat langzamer en wachtten op het einde.

Het regende bommen boven Berlijn. Misschien zou Sachsenhausen ook vernietigd worden door een genadig bombardement, hoopten de kampbewoners. Dat was beter dan de gaskamer.

Het namaken van dollars kwam nooit op gang. Er werden maar 200 briefjes gedrukt. Op een dag in maart 1945 reed Krügers Mercedes door de poort.

‘Mijn meerderen in Berlijn hebben besloten de fabriek te verplaatsen naar een veiliger oord’, meldde hij.

De gevangenen moesten in 36 uur de fabriek ontmantelen en alles in dozen op een trein laden. Nog vreesden ze te worden terechtgesteld, maar de SS had een comfortabel transport geregeld: verwarmde veewagons met hooi, zodat de gevangenen konden uitrusten op weg naar het Redl-Zipf-kamp bij Salzburg.

Het was de bedoeling dat de productie hier in een mijngang zou worden opgepakt. Krüger bracht zijn gevangenen een laatste bezoek. Hij zag er moe uit.

‘Vandaag draag ik nog een uniform. Wie weet wat er de dagen hierna gaat gebeuren?’ zei hij en hij legde zijn arm om Smoljanovs schouder. ‘Ik heb bevel gegeven jullie te verhuizen naar een veiliger plaats tot jullie worden bevrijd.’

In werkelijkheid was de SS van plan de gevangenen levend te begraven in de mijngang, maar dat mislukte omdat de Amerikanen het kamp bevrijdden.

Max Groen, die zich met een leugen ‘Operatie Bernhard’ in had gekletst, kwam een Amerikaanse sergeant tegen. Deze vertelde over zijn familie en haalde foto’s uit de zakken van zijn uniform. Groen wierp er een snelle blik op.

‘Geef me liever een sigaret’, zei hij.

Naschrift

Na de bevrijding wijdde Adolf Burger zijn leven aan de strijd tegen het nazisme. Zijn boek The Devil’s Workshop (1997) is verfilmd als Die Fälscher, met een Oscar bekroond in 2008.

De leider van de operatie, Bernhard Krüger, werd kort gevangengenomen door de geallieerden, maar wist onder te duiken. 

Hij hield zich enkele jaren schuil bij de directeur van Hahnemühl, zijn vroegere papierleverancier. Tot zijn dood in 1989 wist hij rechtsvervolging te ontlopen voor de grootste valsmunterij van de geschiedenis en de terechtstelling van zeven zieke gevangenen.

Lees ook

Adolf Burger: The Devil's Workshop – A Memoir of the Nazi Counterfeiting Operation, Frontline Books, 2009. Moritz Nachtstern: Falskmøntner i Sachsenhausen, Schønberg, 2008. Lawrence Malkin: Krüger’s Men, Little, Brown & Co., 2008.

Bekijk ook ...