De Duitse troepen gingen doelgericht op de allerbeste wijnen in Frankrijk af. 

© Scala/BPK & Scanpix

Wijnboeren fopten dorstige nazi’s

Wanneer Hitlers troepen zich de kwaliteitswijnen van wijnboeren, restaurants en uit de kelders gaan toe-eigenen zijn de Fransen het zat. Met man en macht verdedigen ze Frankrijks nationale schat.

20 februari 2018 door Hans Henrik Fafner

Veldmaarschalk Hermann Göring was in opperbeste stemming toen hij op 14 juni 1940 Parijs binnenreed. 

De Duitse troepen hadden Frankrijk bezet en Göring was met zijn chauffeur onderweg naar het beroemde restaurant La Tour d’Argent.

‘Laat me de wijnkelder zien’, zei Göring opgewonden toen hij binnenstapte. ‘Ook de flessen uit 1867!’

Het gerenommeerde restaurant stond bekend om zijn wijnkelder, die 100.000 flessen wijn bevatte, inclusief flessen uit het topjaar 1867. 

De chef, Gaston Masson, nam de Duitse gasten mee de wijnkelders in, waar deze direct de voorraden inspecteerden. Ze vonden echter geen enkele fles uit het grote wijnjaar.

Göring was teleurgesteld, maar ook woedend. Hij beval zijn mensen te vertrekken, met medeneming van 80.000 flessen uit de wereldberoemde kelder.

Dit voorval was het begin van een systematische plundering van de voorraden in Frankrijk. De Duitsers lieten een minimale hoeveelheid levensmiddelen voor de Fransen achter, net genoeg om van te leven, en brachten de rest naar Duitsland. 

Dat gold ook voor ‘het grootste juweel van Frankrijk’, zoals de voormalige minister-president Edouard Daladier de exclusieve wijnen noemde.

Gaston Masson van La Tour d’Argent had de situatie goed ingeschat, en voordat de Duitsers Frankrijk binnenvielen, bouwde hij met zijn zoon in allerijl een muur in de wijnkelder waar ze de beste 20.000 wijnen achter verborgen hielden – ook het beroemde wijnjaar 1867.

Maar niet iedereen was even goed voorbereid. Toen de eigenaar van een wijngoed in de Bordeaux-streek hoorde dat de Duitsers op zijn terrein zouden inkwartieren, verborg hij zijn beste wijnen haastig op de bodem van een meertje in het park. 

Toen een Duitse officier de volgende dag een wandeling maakte, wist hij niet wat hij zag: het wateroppervlak was bezaaid met wijnetiketten.

Boeren leiden Duitsers om de tuin

Direct na de Duitse opmars hadden de wijnboeren het volste vertrouwen in de 84-jarige Philippe Pétain, de nieuwe regeringsleider. Hij maakte zelf wijn en zou de producenten beschermen.

Daartoe werkte Pétain samen met Duitse commissarissen die elk voor een eigen wijndistrict verantwoordelijk waren en daar wijnen opkochten bestemd voor de Duitse markt.

De meeste wijnhuizen stonden achter de regeling, want ze waren tijdens de bezetting afgesneden van de grootste exportmarkten. Maar de prijs die de Weinführer voor de wijn
betaalde was niet eens kostendekkend. 

Toen de nazi’s steeds meer wijn begonnen op te eisen – de ‘hand­el’ kreeg meer weg van uitbuiting – en Pétain er niets aan deed, gingen de wijnboeren de boel saboteren. Met gevaar voor eigen leven leidden ze de Duitsers om de tuin, en ze waren daarin bijzonder creatief.

Het tekort aan arbeidskrachten was een groot probleem voor de zwaar getroffen wijnboeren. 

© Polfoto/Ullstein Bild

Wijn wordt weggesluisd

Jean-Michel Chevreau, een wijnboer in het Loiredal, nam persoonlijk wraak nadat Duitse soldaten zijn wijnkelder hadden leeggeroofd. 

Op een nacht sloop hij met zijn vrienden naar het station van Amboise. Daar tapten ze alle wijn uit de vaten die de Duitsers net in een goederenwagon hadden geladen.

Een andere keer zorgde een wijnboer voor een ‘misverstand’ door een partij vaten met water te vullen. Ook werden de vrachtbrieven door ‘iemand’ veranderd, waardoor de wijn niet in Hamburg terechtkwam maar in Homburg – 650 kilometer naar het zuiden.

Af en toe maakten de wijnboeren misbruik van niet al te nauwkeurige Duitse bestellingen. In 1939 had het de hele zomer geregend in de Elzas waardoor de wijnoogst mislukte. 

Toen de wijnfamilie Hugel een hoeveelheid niet precies omschreven wijn moest leveren aan de Duitsers, haalde ze het ondrinkbare wijnjaar 1939 uit de kelder en hield ze zelf de betere wijnjaren.

Wanneer de bezetters om een specifiek wijnjaar vroegen, zagen sommigen hun kans waar en plakten ze een ander etiket op de slechte wijnen. Zelfs in de chicste restaurants in Parijs konden de Duitsers bedrogen worden. 

Het Parijse bedrijf Chevalier reinigde tapijten, en het stof daarvan werd doorverkocht aan restaurants die het uitstrooiden over nieuwe flessen slechte wijn, die er zo oud en chic uit kwamen te zien.

Ondanks de pogingen tot sabotage raakten de wijnkelders toch langzaam leeg. De productie viel terug omdat veel arbeidskrachten in de wijnbouw als dwangarbeider in Duitsland werden tewerkgesteld, en de Duitsers namen in 1942 bijna alle werkpaarden in beslag die aan het oostfront werden ingezet.

Ook kopersulfaat, dat op wijnstokken wordt gespoten om ze te beschermen tegen schimmels en andere ziekten, kon niet gewonnen worden en de oogst halveerde, waardoor de Fransen in 1942 met een tekort aan wijn zaten. 

De productie van 69 miljoen hectoliter in 1939 was gezakt tot 35 miljoen, waarvan Duitsland het merendeel opeiste.

‘We drinken hier zo veel water dat de tijd van de Ark van Noach wel lijkt aangebroken’, zei een verbitterde restauranteigenaar in Bordeaux, toen hij zijn gasten geen wijn meer kon schenken.

Pétain probeerde de gemoederen te sussen. Hij spoorde mensen vanwege het gevaar van alcoholisme aan minder te drinken – in Frankrijk gold voor het eerst een minimumleeftijd voor alcoholgebruik, 14 jaar – maar hij maakte zich daarmee bepaald niet geliefd. De oude man, die soms in het openbaar in slaap sukkelde, werd Le Conquistador genoemd, dat klonk als le con qui se dort – de sukkel die slaapt.

Het conflict verergerde toen de Duitsers de wijnhuizen die meer dan 5000 hectoliter per jaar produceerden, verplichtten de helft af te staan aan de productie. 

Om er zeker van te zijn dat ze dat werkelijk deden, goten Duitse inspecteurs in de andere vaten machineolie. Hiermee werd niet alleen de wijn verpest, maar werden ook de kostbare oude vaten onbruikbaar. De wijnboeren werkten steeds minder mee.

De oorlog werd ver van de wijnkelders uitgevochten, en in augustus 1944 waren de Fransen bevrijd. De bezetting was ze duur komen te staan. 

Honderduizenden flessen goede wijn waren verloren gegaan, maar door de tegenwerking was een deel gered.

Drie flessen Château Lafite Rothschild uit 1869, die al die jaren in de kelder van het kasteel hadden gelegen, gingen in 2010 voor 167.964 euro van de hand, ­de hoogste wijnprijs ooit. 

Lees ook

D. & P. Kladstrup: War & Wine – The French, the Nazis & the Battle for France’s greatest Treasure, Broadway Books, 2002.

Bekijk ook ...