De Monuments Men vormden een speciale eenheid die kunst redde, uiteindelijk 60 man sterk.
© Forlaget Thaning & Appel

Speciale eenheid borg gestolen schatten van de nazi's

Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd een klein korps museummedewerkers naar de fronten gestuurd om kunstwerken te redden en historische gebouwen te beschermen. Na de val van nazi-Duitsland moesten ze de gestolen schatten in mijnen en bunkers opsporen.

3 oktober 2016 door Morten Rendsmark
In de nacht van 8 september 1944 werd er hard op een deur van de kathedraal in het Belgische Brugge gebonsd. De slaperige koster mompelde ‘rustig, rustig’, terwijl hij zijn kamerjas aantrok en open ging doen. Voor de deur stonden twee Duitse officieren en een twintigtal soldaten.

De Duitsers drongen de kathedraal binnen. Een paar haalden een beeld van Maria en het kind Jezus van zijn voetstuk en sleepten het weg op een matras. Andere soldaten haalden schilderijen van de muren en droegen ze naar een paar wachtende vrachtauto’s, getooid met valse Rode Kruis-symbolen.

Het beeldhouwwerk was een waardevol kunstwerk. De Madonna met kind was rond 1504 door de Italiaanse meester Michelangelo gehouwen uit marmer. Het werd gekocht door een Italiaanse koopman, die in Brugge en in Florence in kleding handelde. Hij schonk het beeld aan de kathedraal, sindsdien de rechtmatige eigenaar.

Maar nu verdween het in de nacht en ging het een onbestemd lot in een door oorlog geteisterd Europa tegemoet.

Een paar dagen later bevrijdden de Engelsen Brugge. Onder hen was kunsthistoricus Ronald Balfour van de universiteit van Cambridge. Hij ondervroeg meteen de deken van de kathedraal.

‘Heeft u enig idee wanneer ze België verlaten heeft?’

‘Een paar dagen geleden denk ik. Misschien zelfs pas gisteren.’

Ronald Balfour zette zijn brilletje recht op zijn neus en sloot zijn notitieblokje. Hij was er zó dichtbij. Nu waren er twee dagen – en een frontlinie – tussen hem en Michelangelo’s madonna.

Speciale eenheid redde kunst

Ronald Balfour hoorde bij een speciale eenheid die het Britse en het Amerikaanse leger in 1943 opgericht hadden. 


De officiele naam van de eenheid was Monuments, Fine Arts, and Archives program, maar de mannen stonden al snel bekend als de Monuments Men.

Het waren vaak academici van middelbare leeftijd, zorgvuldig geselecteerd voor deze taak. In het dagelijks leven waren ze architect, kunstenaar, conservator of kunsthistoricus. 

De meesten waren getrouwd en hadden kinderen thuis in de VS of Groot-Brittannië.

De Monuments Men moesten het leger, de marine en de luchtmacht adviseren over belangrijke gebouwen, standbeelden, musea en archieven in Europa.

Op 10 juli vielen de geallieerden het fascistische Italië vanuit het zuiden binnen, en een jaar later bestormden ze de Normandische kusten. Cultuursteden als Florence in Italië en Chartres in Frankrijk liepen het risico gebombardeerd te worden. De Monuments Men moesten dergelijke verwoestingen zo veel mogelijk zien te voorkomen.

Precisiebombardement in Florence

De Monuments Men hadden in maart 1944 een geallieerde luchtaanval op Florence minutieus voorbereid. Toch was piloot Ben McCartney er niet helemaal gerust op toen hij met zijn bommenwerper richting de stad vloog.

McCartney had aan de universiteit van Harvard gestudeerd en was voor de oorlog in Florence geweest. Hij was dol op de renaissancestad en haar cultuur. Florence was cultureel erfgoed dat aan de hele wereld toebehoorde. Maar nu moest hij het bombarderen.

De formatie bestond uit vier bommenwerpers. De bemanning gebruikte speciale kaarten van de stad. Witte velden gaven historische gebouwen en wijken aan die niet gebombardeerd mochten worden. De Monuments Men hadden deze gebieden aangewezen, en ze waren grondig te werk gegaan. Het grootste deel van de kaarten was wit. Dit zou een lastige opgave worden.

‘Hier valt niet veel te bombarderen’, zei een bemanningslid over de radio toen de vliegtuigen hun doel naderden.

Onder zich zag de bemanning paleizen, smalle steegjes, elegante pleinen en de rivier de Arno met oeroude bruggen. De bommenwerpers vormden een dichte formatie toen ze de stad naderden en vlogen een paar rondjes.

De luiken gingen open en de bommen vielen. Ze troffen het rangeerterrein van de stad, waar vele sporen op een stukje land van 600 meter lang en 120 meter breed bij elkaar kwamen.

De aanval was een groot succes: de rails op het rangeerterrein werden totaal verwoest, maar geen enkel historisch gebouw werd geraakt.

Ook andere steden als Rome en Siena werden gespaard tijdens de twee jaar durende, vastberaden opmars door het Italiaanse schiereiland. Het oude benedictijnerklooster Monte Cassino werd echter platgebombardeerd.

Het klooster, in de nadagen van het Romeinse Rijk op een berg 130 kilometer ten zuiden van Rome gesticht, vormde een ideale verdedigingsstelling voor de Duitsers, die het hele Liridal konden overzien. Na een bloedige belegering die vier weken duurde, besloten de
geallieerden het klooster niet langer te sparen. Bommenwerpers verwoestten het en de Duitse linie werd doorbroken.
Een zelfportret van Rembrandt was een van de 1000 kunstwerken die de Monuments Men vonden in een mijn bij Heilbronn in Duitsland.
© National Archives/Thaning & Appel

Opdracht leek onmogelijk

Op D-Day, 6 juni 1944, landden de geallieerden massaal op de Normandische kust. De Duitsers hadden Noord-Frankrijk in hun greep, en een geallieerde troepenmacht van zo’n half miljoen probeerde die te doorbreken. Een tiental Monuments Men volgde hen.

De opdracht waarmee de Monuments Men belast waren, was onoverzichtelijk. Het kleine korps was onbekend, en het leger had geen voertuigen of schrijfmachines verstrekt. Elk lid was aan een legeronderdeel gekoppeld en werkte alleen. Om zich te verplaatsen sprongen ze op jeeps of vrachtwagens die toevallig de juiste kant op gingen.

Ze inspecteerden historische gebouwen en hingen bordjes op die het soldaten verboden om landgoederen, kerken en monumenten uit de oudheid te verwoesten of te plunderen. Eén lid stopte een bulldozer af die een landgoed met de grond gelijk aan het maken was. Ergens anders werd een groep soldaten uit een oud nonnenklooster gezet, waar ze de nacht wilden doorbrengen.

Hoewel de Monuments Men zelf niet vochten, was het werk op de grond gevaarlijk. Tijdens de terugtocht lieten de Duitsers mijnen en boobytraps achter, vooral op plaatsen waar ze dachten dat de geallieerden zouden stoppen om wat te drinken of naar souvenirs te zoeken: wijnkelders, kerken en kastelen.

Bovendien stonden de Monuments Men, net als alle andere geallieerde soldaten, voortdurend bloot aan het gevaar van sluipschutters en hinderlagen.

Duitsers hadden een roverskorps

De geallieerden doorbraken de Duitse linies en rukten op door Frankrijk. Tot opluchting van de Monuments Men stond de kathedraal van Chartres nog fier overeind tussen de gele velden.

De gebrandschilderde ramen van de kathedraal werden gered door genietroepen die tijdig 22 explosieven op bruggen over de Eure, die langs de kerk loopt, wisten te demonteren. Als de ladingen ontploft waren, hadden de wereldberoemde ramen dat niet overleefd.

Tijdens de opmars verhoorden de Monuments Men geregeld Duitse gevangenen. Ze gingen achter chauffeurs en ambtenaren aan die iets te maken hadden gehad met de Einsatzstab Reichsleiter Rosenberg (ERR). 


Deze organisatie, die direct onder rijksmaarschalk Hermann Göring viel, moest kunstvoorwerpen en historische documenten van Joodse personen en organisaties opsporen en in beslag nemen.

In heel Europa werden vijf miljoen kunstvoorwerpen geconfisqueerd door de ERR. Hier waren grote namen bij: Gauguin, Rembrandt en Leonardo da Vinci. Meestal liet de ERR kunstbezit van de staat met rust, om niet te veel onrust te veroorzaken in de bezette landen. Maar in Polen hadden de nazi’s alles geplunderd wat los en vast zat – privébezit en staatseigendom.

Monuments Man in gevecht

De legereenheid van Monuments Man Robert Posey werd verrast door een Duits tegenoffensief in de Ardennen.

De Amerikaanse troepen kwamen onder zware druk te staan, en alle gezonde mannen – koks, chauffeurs en assistenten – moesten de gevechtstroepen in de voorste linies helpen. Iedereen, dus ook Robert Posey. De 40-jarige architect had geen enkele gevechtstraining. 

Het leek wel een nachtmerrie voor Posey toen Duitse pantservoertuigen en infanteristen opdoken en het vuur openden. Hij had geen flauw idee wat hij moest doen, maar een gestreste officier gaf hem een zeer beknopte instructie: ‘Schiet tot je patronen op zijn, laad, en schiet opnieuw!’

Posey volgde zijn orders op en de een­­heid wist de aanval af te slaan.

Posey overleefde de oorlog, maar zijn collega Ronald Balfour had minder geluk. Hij heeft de Brugse Madonna nooit teruggezien, want op 10 maart 1945 werd hij gedood door een granaat toen hij het altaarstuk van een kerk in de Duitse stad Kleef probeerde te redden.

De Monuments Men stonden alleen in hun pogingen Duitse cultuurschatten te redden. Officieren en gewone soldaten hadden goed naar het korps geluisterd in Italië en Frankrijk, maar in het gehate Duitsland sloeg de stemming om en werden er enorme verwoestingen aangericht. 


Zo werd de befaamde kathedraal van Aken in een ruïne veranderd. Alleen de zwartgeblakerde buitenmuren stonden nog overeind. 

Michelangelo’s werk werd gestolen door de nazi’s, maar het speciale kunstkorps van de geallieerden vond het terug.
© Scanpix/AkG-images

Verborgen schatten op het spoor

Het Derde Rijk verkeerde in staat van ontbinding. De Monuments Men kregen nu als taak om uit te zoeken waar de nazi’s hun buit verstopt hadden. Het korps was geleidelijk aan uitgebreid: 60 man trokken eropuit.

In Parijs trof een van de Monuments Men een lid van het Franse verzet dat ook museumdirecteur was. Zij had mensen van de ERR horen praten over het kasteel Neuschwanstein in Beieren, en bezat Duitse documenten waarin was beschreven naar welke stations bepaalde kunstvoorwerpen waren gegaan.

Een tweede doorbraak kwam toen Robert Posey de SS-officier Hermann Bunjes opspoorde, die zich in een huisje bij Trier in het Rijnland verborgen hield. Hij behoorde tot de top van de ERR. Nu was hij bereid om te praten.

‘Hitlers verzameling’, zei hij terwijl hij op een kaart wees, ‘ligt in de zoutmijn bij de Altaussee, bij Linz in Oos­tenrijk waar hij opgroeide.’

Bunjes gaf veel informatie. Zo wist hij dat het antieke zilver van de Joodse familie Rothschild in de kantine van de Berlijnse vliegclub was terechtgekomen. Stukje bij beetje kwamen 1500 bergplaatsen in mijnen, bunkers en kastelen aan het licht, met voor miljarden aan kunst en antiek. 


De Monuments Men informeerden de geallieerde troepen, en er werden onmiddellijk wachten bij de bergplaatsen geposteerd. De Monuments Men volgden de stoottroepen op de voet. Ze inventariseerden en verpakten de vondsten, die na de oorlog aan de eigenaren werden teruggegeven.

Michelangelo’s Madonna werd op 17 mei 1945 gevonden bij de Altaussee. Ze staat weer op haar Brugse voetstuk.

Bekijk ook ...