Alles bevroor tijdens de gevaarlijke tocht door het Noordpoolgebied. Als iemand zijn hand op de reling legde, zat die onherroepelijk vast.

© Imperial war museum & ap/polfoto & shutterstock

Konvooi door de barre IJszee

Vier jaar lang ploeterden geallieerde schepen door een van de meest ongastvrije zeeën ter wereld om de Russen te bevoorraden. Overal lagen U-boten, vliegtuigen en oorlogsschepen op de loer, maar de ergste vijanden waren het ijs en de temperaturen tot 50 graden onder nul.

Een torpedo raakte het stoomschip de Induna op 30 maart 1942 om 7.20 uur. Het Britse schip had zich in de dagen daarvoor een weg gebaand door de ijzige Barentszzee, samen met 18 andere vaartuigen van het geallieerde konvooi PQ 13.

De bestemming was de stad Moermansk in de Sovjet-Unie. Duitse vliegtuigen hadden het schip twee keer aangevallen, maar ze waren door het geschut van de Induna verjaagd. De veilige haven was nog maar 300 kilometer varen toen een Duitse U-boot toesloeg.

De torpedo sloeg een gat in de ijzeren scheepsromp en bracht de brandstof tot ontploffing. Een enorme steekvlam maakte een einde aan het leven van de slapende mannen in de hutten erboven.

Machineofficier William Short, die net aan zijn dienst was begonnen, werd omvergeblazen. Hij krabbelde snel weer op en sprong in de ijzige golven om het vege lijf te redden. Toen hij na een paar minuten bijna aan onderkoeling bezweken was, grepen een paar sterke armen hem beet en trokken hem in een reddingsboot.

32 mannen zaten opeengeperst in de sloep – bleek en klappertandend, met ijs in hun haar en baard. De Induna was al voor de aanval achterop geraakt, dus er schoten geen schepen te hulp.

De eerste nacht bezweken zeven man aan de ijzige kou. Zes van hen werden overboord gegooid. De zevende, een machinist, bleef liggen: ‘Hij was aan de bodem van de sloep vastgevroren. We konden hem met geen mogelijkheid los krijgen,’ schreef William Short later.

Ook het drinkwater was bevroren, en de mannen moesten om de beurt aan de ijsklomp likken. Vier dagen lang dreef de sloep rond, tot een Russische mijnenveger de mannen oppikte. Toen waren er al 15 van hen bezweken, en twee stierven er later in het ziekenhuis.

In Moermansk werden beide benen van Short geamputeerd, want hij had koudvuur opgelopen. De snelle ingreep van de artsen redde zijn leven. Duizenden van zijn collega’s hadden minder geluk.

Van alle konvooien van de Tweede Wereldoorlog waren die in de Noordelijke IJszee, die materieel naar de Sovjet-Unie brachten, verreweg het gevaarlijkst.

De zeelieden hadden niet alleen te kampen met vijandelijke onderzeeërs, schepen en vliegtuigen, maar ook met extreme kou en tonnen ijs. Zeker 3000 van hen kwamen om tijdens wat de Britse premier Churchill ‘’s werelds gevaarlijkste reis’ noemde.

Houd je muis boven de rondjes voor informatie over de strategie achter de formatie van de konvooien.

Sovjet-Unie mag niet vallen

De konvooien waren uit wanhoop ontstaan. Nadat Hitler het grootste deel van Europa had veroverd, viel hij in juni 1941 de Sovjet-Unie binnen. De opmars leek onstuitbaar, en Churchill was bang dat de Sovjets zouden capituleren.

Als dat gebeurde zouden de Duitsers al hun troepen naar het westen kunnen brengen en zouden ze toegang krijgen tot enorme hoeveelheden grondstoffen, die Duitsland schier onoverwinnelijk zouden maken.

Churchill besloot dan ook de Sovjet-Unie ‘tegen elke prijs’ met bevoorrading te steunen. Omdat de nazi’s de Middellandse Zee en Noord-Afrika grotendeels beheersten, kon het transport niet via het zuiden verlopen.

De enige optie was om de konvooien via het Noordpoolgebied naar de steden Moermansk en Archangelsk te sturen. Het eerste konvooi, Dervish geheten, vertrok op 21 augustus 1941. Het bestond uit slechts zes vrachtschepen met een escorte van negen oorlogsschepen.

De vaartuigen kwamen bij elkaar bij het IJslandse Hvalfjörður, vanwaar ze met onder meer 15 Hurricane-vliegtuigen en 10.000 ton rubber op weg gingen naar Archangelsk. Zowel de heen- als de terugreis verliep zonder incidenten.

‘De Duitsers hadden helemaal niet in de gaten waar we mee bezig waren,’ herinnert de marconist Eric Alley zich. Hij deed dienst op een destroyer. Ook de volgende transporten, die nu werden aangeduid met PQ voor de heenreis en QP voor de terugreis, hadden een redelijk rustige oversteek.

Maar de bemanning van het konvooi PQ 8, dat op 8 januari 1942 uit IJsland vertrok, ondervond aan den lijve hoe ijzig het water was. Een dag voor PQ 8 de haven van Moermansk bereikte, werd de destroyer Matabele getorpedeerd door een U-boot.

Hoewel een reddingsboot binnen een paar minuten ter plaatse was, werden slechts twee leden van de 20-koppige bemanning gered. De rest stierf aan onderkoeling in het water.

In het voorjaar van 1942 begonnen de nazi’s serieus nadeel te ondervinden van het materieel dat via de Arctische konvooien de Sovjet-Unie bereikte. Op 14 maart 1942 riep Hitler daarom de konvooien uit tot een strategisch doelwit van vitale betekenis.

‘De maritieme verbinding tussen de Angelsaksen en de Russen dwars over de Noordelijke IJszee, die tot nu toe vrijwel ongehinderd doorgang vond, moet worden gestopt,’ aldus de Führer.

De konvooien werden geëscorteerd door oorlogsschepen die Duitse bommenwerpers en U-boten op afstand moesten houden. Vooral de snelle destroyers waren effectief.

© Topfoto/Polfoto

Alles zit onder het ijs

De Duitsers hadden in 1940 Noorwegen bezet en daarmee toegang gekregen tot havens en vliegvelden die ze tegen de Noordpoolkonvooien konden inzetten. In de Noorse fjorden kwamen de grote Duitse slagschepen bijeen, waaronder de gevreesde Tirpitz.

Vanuit Noorse havens vertrokken U-boten, en vanaf de vliegvelden, waarvan het noordelijkste slechts op 80 kilometer van Moermansk lag, stegen jagers en bommenwerpers op richting Churchills konvooien.

PQ 13, dat op 21 maart 1942 vertrok vanuit IJsland, was een van de eerste konvooien die te maken kregen met de verhevigde Duitse inzet. En het was al slecht begonnen: na vier dagen kwam het konvooi in een zware storm terecht.

‘De Barentszzee was woest,’ schreef Ronald Adds, een stoker op de Britse destroyer Fury: ‘De golven veranderden in enorme waterbergen van 20 tot 25 meter hoog. En dan was er de kou.

De ijskoude zee bevroor, en het ijs raakte het dek en de reling van het schip.’ Het was 33 graden onder nul, en de bemanning moest uit volle macht het ijs van het dek en de reling slaan om te voorkomen dat het schip slagzij maakte door het gigantische gewicht.

‘De ijslaag was zo dik dat je het moest zien om het te geloven. Zelfs in de kajuit van de kapitein was de binnenmuur bedekt met ruim 2,5 centimeter ijs,’ schreef Harald O’Neill, bemanningslid van het escorteschip Sumba.

In het vroege voorjaar strekte het poolijs zich verder naar het zuiden uit dan op enig ander moment van het jaar. De schepen moesten dan ook dichter op de Noorse kust varen, waardoor ze veel kwetsbaarder waren voor Duitse luchtaanvallen.

Op 28 maart om 10.00 uur werd het konvooi gespot door een Duits verkenningsvliegtuig, en niet veel later verschenen er Ju 88-bommenwerpers.

Twee schepen gingen naar de kelder, en de overlevenden dobberden in hun reddingsbootjes op de ijskoude zee. De luchtaanvallen gingen een paar dagen genadeloos door.

De scheepskanonnen konden volgens O’Neill maar weinig uitrichten: ‘In het begin van de aanval namen we onze positie in bij het kanon dat voor de brug stond, maar toen we het wilden afvuren, vloog de loop eraf – die zat helemaal vol met ijs.’

Er zat zo veel ijs op de schepen dat het wel ijsbergen leken. O’Neill schreef dat het kleine escorteschip Sulla geheel ingekapseld was in het ijs: ‘Naast ons zag ik de Sulla. Toen ik even later weer keek, was ze weg. Geen geluid, geen wrak – niets. Ik nam aan dat ze was omgeslagen en gezonken door het ijs.’

De Sulla nam 21 man mee naar de zeebodem, en de beproevingen waren nog niet voorbij voor het konvooi. Nu verschenen er ook Duitse onderzeeërs, die nog eens drie schepen tot zinken brachten, waaronder de Induna, waar William Short dienstdeed. Hij moest in zee springen.

Toen het konvooi uiteindelijk in Moermansk aankwam, waren zes schepen en 148 man verloren.

Ook de bemanning van de Duitse onderzeeërs die jacht maakten op de konvooien had onder de kou te lijden.

© bayerische staatsbibliothek München/bildarchiv

Duitsers slaan toe

Van de acht konvooien met in totaal 163 schepen die tussen maart en mei 1942 de tocht maakten, haalde er slechts één ongehavend de Sovjet-Unie. De Britse marineleiding maakte zich dan ook ernstig zorgen over de situatie.

De vijand was, zo schreef admiraal sir John Tovey later, ‘vastbesloten om alles te doen wat in zijn macht lag om dit verkeer een halt toe te roepen’.

Britse en Russische marineofficieren zagen nieuwe konvooien niet zitten, maar Churchill en Stalin wuifden hun bezwaren weg. Op 8 april 1942 ging PQ 14 op pad. In die tijd van het jaar was het uiterst gevaarlijk op zee.

Vanaf eind april duren de dagen 20 uur in het Noordpoolgebied, waardoor de schepen bijna de hele tijd goed te zien waren. Het konvooi van 16 schepen werd door vijf destroyers, een kruiser, een mijnenlegger en twee bewapende trawlers begeleid – een buitengewoon krachtig
escorte.

Daarnaast volgden twee slagschepen, twee kruisers en 12 destroyers het konvooi op afstand. Zij moesten in actie komen als er zich Duitse schepen in de buurt vertoonden.

Maar zelfs deze grote zeemacht bood niet genoeg bescherming. In de lichte nachten was het prijsschieten voor de Duitsers, die vier schepen – een kwart van het konvooi – tot zinken brachten.

PQ 16 verging het niet veel beter. Het konvooi van 35 vrachtschepen met een escorte vertrok in mei 1942 en werd gespot door Duitse vliegtuigen. Al snel zwermden er ruim 100 bommenwerpers en torpedobommenwerpers boven het konvooi.

‘Het was de hel, ik kan het niet anders zeggen. Waar je ook keek in de lucht, overal zag je ze duiken en weer optrekken. De bommen waren bruin en glad, en ze gierden tot ze in de witte zee ontploften,’ schreef de zeeman Robert Carse na de oorlog.

Hij zag hoe het voorste schip in zijn colonne een voltreffer kreeg: ‘Er klonk een enorme, vreselijke knal. Ze zonk in 15 seconden in een dieprood en geel vlammentapijt. De hitte die ervan af- kwam, trof ons als een klap.’

Acht van de 35 schepen werden tot zinken gebracht, vooral door bommen. ‘We staan er in vrijwel elk opzicht slecht voor,’ schreef admiraal Dudley Pound, die het overleefde.

Churchill weigerde nog steeds om de konvooien te staken. De Sovjet-Unie was nog lang niet uit de gevarenzone, en de konvooien hadden tot dan toe nog maar de helft van de geplande
hoeveelheid materieel overgebracht.

‘De voortzetting van de konvooien is een kwestie van plicht,’ schreef de premier aan de Britse marineleiding.

PQ 17 krijgt het zwaar

Het hoofd van de marine voerde zijn orders uit, maar ondertussen dacht hij er het zijne van: ‘Het is je reinste waanzin,’ zo schreef hij in zijn dagboek.

PQ 17, dat op 27 juni uit IJsland wegvoer, zou zijn woorden kracht bij zetten. Drie dagen na vertrek ontdekten de Duitsers het konvooi. Op 2 juli brachten ze drie schepen tot zinken, en twee dagen later was het opnieuw raak.

Maar het ergste moest nog komen, want in Londen kwam het bericht binnen dat het Duitse slagschip Tirpitz uitgevaren was. In paniek beval de bevelhebber van de marine de schepen van het konvooi zich te verspreiden, terwijl het escorte zich moest terugtrekken.

Daarmee stonden de vrachtschepen er alleen voor in de lichte zomernacht. Op 5 juli bracht de Luftwaffe in een half uur zeven schepen tot zinken. Pas op 10 juli hielden de luchtaanvallen op; volgens de Duitsers ‘waren er geen scheepsdoelen meer over’.

24 van de 35 vrachtschepen waren toen vergaan, met 153 mensen aan boord. Daarnaast gingen 3350 motorvoertuigen, 430 tanks en 210 vliegtuigen verloren.

Toen Stalin hoorde dat de Britten de vrachtschepen van PQ 17 aan hun lot hadden overgelaten, was hij woedend: ‘Schaamt de Britse marine zich nergens voor?’ vroeg hij retorisch. Hij eiste dat er onmiddellijk een nieuw konvooi zou vertrekken richting Archangelsk.

Dat weigerden de Britten. Ze waren te zeer geschrokken van PQ 17. Wel waren ze bereid tot een compromis: ze wachtten niet tot de donkere winter, en PQ 18 zou al in september vertrekken.

Suezkanaal biedt uitkomst

Dat konvooi voer uit vanuit Loch Ewe in Schotland. Met het tragische lot van PQ 17 nog vers in het geheugen kreeg PQ 18 een enorm escorte van maar liefst 44 oorlogsschepen.

In Noorwegen stonden de toestellen van de Luftwaffe, uitgerust met torpedo’s, klaar om op te stijgen, en zo’n tien Duitse onderzeeërs gingen langs de route van PQ 18 liggen.

Het werd een van de grootste krachtmetingen van de konvooienoorlog. De Duitse toestellen en U-boten vielen keer op keer aan, maar het konvooi keerde ondanks zware verliezen niet om.

De zeeman Aran Morris, die aan boord van een destroyer was, zag hoe het slagschip Mary Luckenbach na een voltreffer spoorloos verdween: ‘Het was een groot tankschip vol benzine en munitie, en het werd getorpedeerd.

Er klonk een verdomd harde knal, en we zagen een enorme rookkolom. Er was niets van haar over. Zoiets vergeet je nooit.’

Toen het konvooi in Archangelsk binnenliep, waren er 13 vrachtschepen verloren gegaan, maar 27 hadden het gehaald. En de escorteschepen hadden de vijand grote verliezen toegebracht. Voor de Britten was het een triomf, en die konden ze goed gebruiken.

Het volgende konvooi werd afgelast omdat de Britse marine alle eenheden nodig had voor de invasie van Noord-Afrika in november 1942. Dankzij de zeges daar en in Italië had de marine vanaf de herfst van 1943 toegang tot de Middellandse Zee.

Voortaan konden de konvooien via het Suezkanaal en de Perzische Golf naar Rusland, een veel langere, maar veiligere route.

Ondanks het zware escorte van PQ 18 brachten de Duitsers 13 vrachtschepen tot zinken.

© Granger/Polfoto

Zeelieden vergeten misère nooit

Desondanks gingen de konvooien door de Noordelijke IJszee tot mei 1945 door. De U-boten bleven tot het eind een bedreiging vormen, maar ze hadden hun beste tijd gehad.

De konvooien werden nu door meer escorteschepen begeleid, die niet alleen bescherming boden, maar ook achter de onderzeeërs aan gingen. Tussen augustus 1944 en april 1945 wisten de Duitsers slechts zeven vrachtschepen en vier escorte-schepen uit te schakelen, waarvan drie in de laatste negen oorlogsweken.

In totaal zijn er 87 vrachtschepen en 18 escorteschepen van de noordelijke konvooien verloren gegaan, die bijna 3000 opvarenden meenamen naar de bodem van de zee. Maar de schepen die het haalden, leverden miljoenen tonnen essentiële voorraden af.

‘’s Werelds gevaarlijkste reis’ stond voorgoed in het geheugen van de overlevenden gegrift. Aran Morris, die met PQ 18 meevoer, zei vele jaren later dat hij niet meer bang was voor de dood: ‘Want ik ben al naar de hel en terug geweest, dus ik weet hoe het is.’