Het kamp Stalag Luft III lag 160 kilometer ten zuidoosten van Berlijn en was van de Luftwaffe. De gevangenen waren geallieerde piloten.

© Getty Images & Shutterstock

De grote vlucht: 500 gevangenen graven zich een weg naar de vrijheid

In 1944 begint een kamp vol geallieerde piloten aan de dapperste en grootste ontsnappingspoging van de Tweede Wereldoorlog. Via drie lange en diepe tunnels willen ze vluchten uit Stalag Luft III – het best beveiligde gevangenkamp van de nazi’s.

2 oktober 2019 door Hakon Mosbech

De Britse piloot Ian Cross is onder een vrachtwagen gekropen en houdt zich muisstil. Als de Duitse bewakers hem zouden ontdekken, loopt hij kans te worden neergeschoten. 

Cross, vóór zijn gevangenschap in dienst van de Royal Air Force, klemt zich vast aan het onderstel. Als hij geluk heeft, rijdt de wagen zo de poort van het gevangenkamp Stalag Luft III uit, de vrijheid tegemoet.

Dan stapt de grote baas van de Duitse gevangenbewaarders, Herr Oberfeldwebel Hermann Glemnitz, naar de vrachtwagen en zegt iets tegen de chauffeur. Cross kan het niet verstaan, maar plotseling zet de vrachtwagen koers in de richting van een veld vol boomstronken.

Vlakbij kijkt een groep gevangenen gespannen toe, bang dat Cross geplet wordt door de boomstronken of onder de wielen komt. De truck stopt. Glemnitz loopt erheen en kijkt eronder. ‘Kom maar tevoorschijn, Herr Cross. De isoleercel staat al voor u klaar!’

Ian Cross wordt door de kampbewaarders onder de wagen uit getrokken en afgevoerd.

‘Je ziet hoe voorzichtig we moeten zijn’, zegt een gevangene die het schouwspel van veraf heeft gevolgd. Hij is flink gespierd en heeft een beschadigd, ijsblauw oog – het gevolg van een ski-ongeluk. De andere gevangenen luisteren aandachtig, zoals altijd wanneer hij praat.

De man is Roger Bushell, die al tijden aan het bedenken is hoe hij erin kan slagen te ontsnappen uit Stalag Luft III – het best beveiligde Duitse gevangenkamp tijdens de Tweede Wereldoorlog. Bushell kijkt de anderen strak aan en zegt: ‘Geheimhouding is van levensbelang.’

Brein achter de ontsnapping: Roger Bushell, het brein achter de ontsnapping uit Stalag Luft III, reisde dwars door Duitsland, tot de Gestapo hem te pakken kreeg.

© The Pegasus Archive

Man met ideeën

Roger Bushells reputatie als avonturier was hem al vooruitgesneld, toen hij in de herfst van 1942 in Kamp Stalag aankwam. De 32-jarige majoor van de Britse luchtmacht werd twee jaar eerder boven Frankrijk neergeschoten en was sindsdien krijgsgevangene, maar had al verschillende vluchtpogingen ondernomen.

Volgens Bushell hadden krijgsgevangenen de dood al in de ogen gezien en was er één reden dat God ze nog een kans gaf: ‘Zo kunnen we het leven van die moffen tot een hel maken!’

In zijn eerste kamp had hij een gevecht georganiseerd tussen een gevangene en een geit. Bushell verstopte zich in de drukte in de stal van de geit en ontsnapte ’s nachts. Hij wist de Zwitserse grens te bereiken, maar daar werd hij opgepakt en naar een ander kamp gebracht.

Hier begon hij aan een tunnel, maar voordat die klaar was werd hij naar een derde kamp
gebracht. Onderweg lukte het hem in de vloer van de trein een gat te maken en op het station van Hannover te ontsnappen. Helaas werd hij in Praag weer door de Duitsers opgepakt.

Als Bushell in oktober 1942 naar Stalag Luft III wordt gebracht, hebben de overige gevangenen hoge verwachtingen. In het kamp zit alleen luchtmachtpersoneel en de honderden neergeschoten piloten willen maar één ding: zo snel mogelijk ontsnappen, naar huis gaan en dan meteen weer ten strijde trekken.

Velen hebben al een ontsnappingspoging gewaagd, maar niemand heeft het vernuft en organisatietalent van de pas gearriveerde majoor.

Ontsnappingsplan krijgt vorm

Kort na aankomst verzamelt Bushell een kleine groep gevangenen voor een eerste vergadering.

‘We moeten snel met ons plan beginnen’, zegt hij, want het gerucht gaat dat de gevangenen in maart worden overgeplaatst naar een nieuwe kampafdeling. In het voorjaar is de grond bovendien zacht zodat er gemakkelijk gegraven kan worden. De verhuizing en de chaos die dat tot gevolg heeft, bieden een unieke kans om te ontsnappen, meent Bushell.

‘Ik wil met 500 mannen drie tunnels tegelijk graven. De bewakers ontdekken er misschien een of twee, maar zelfs met één tunnel kan het plan slagen. Wat zeggen jullie ervan?’

Na twee uur overleg hoe de ontsnapping georganiseerd moet worden, nemen de mannen een besluit. Ze gaan drie tunnels graven, een ondergrondse werkplaats bouwen en een treinspoor aanleggen om het zand af te voeren. 

Bovendien moeten de gevangenen honderden paspoorten vervalsen en burgerkleding, kompassen en kaarten maken. Ook moeten ze zelf een inlichtingendienst oprichten om de kampbewakers te kunnen infiltreren en inzicht te krijgen in de routines en beveiligingssystemen.

Maar voor ze gaan beginnen zoekt Bushell de gevangene met de hoogste rang op, kolonel Herbert Massey, officieus leider van de gevangenen. Massey luistert naar de plannen terwijl hij zijn manke been laat rusten op bed.

‘Luister eens, Bushell. Je bent al twee keer ontsnapt. De Gestapo houdt je in de gaten en wil niets liever dan je betrappen. Bemoei je er niet mee en laat de ontsnapping aan de anderen over. Ik wil niet dat je straks een kogel door je kop krijgt’, adviseert Massey.

‘Dit keer krijgen ze me niet’, klinkt het zelfverzekerd, maar Massey twijfelt.

‘Wees voorzichtig. Houd je gedeisd en doe alsof je genoeg hebt van ontsnappen. Neem genoegen met het organiseren ervan.’

Pas als de kolonel hem nadrukkelijk de hulp van iedere gevangene in het kamp heeft toegezegd, verlaat Bushell de kamer.

Schuilnamen zijn Tom, Dick en Harry

De gevangenen weten dat hun plan weinig kans van slagen heeft. Stalag Luft III is het best beveiligde krijgsgevangenkamp. Volgens sommige nazi’s is ontsnappen zelfs onmogelijk.

Rond het kamp ligt een dennenbos, maar de Duitsers hebben de bosrand gerooid zodat de gevangenen, als het ze al lukt om te ontsnappen, zich nergens kunnen verstoppen. Tientallen hekken met prikkeldraad en wachttorens met zoeklichten houden iedereen in bedwang.

Om het graven van tunnels tegen te gaan, staan de meeste gebouwen in het midden van het kamp, ver van de omheining. Sommige barakken staan op palen, zodat de gevangenen zich geen weg naar buiten kunnen graven. Ook zitten overal microfoons in de grond, die ieder ondergronds geluid opvangen.

Maar Bushell denkt dat hij de Duitsers te slim af kan zijn door de tunnels zo diep te maken dat de bewakers en microfoons niets kunnen waarnemen. Negen meter zal genoeg zijn en de tunnels moeten tot in het bos doorlopen.

Als organisator krijgt Bushell de codenaam Grote X. Elke barak krijgt een Kleine X en een Kleine S die het werk op hun afdeling coördineren. Kleine S doet de beveiliging en Kleine X rapporteert direct aan Bushell.

De drie geplande vluchttunnels krijgen de codenamen Tom, Dick en Harry.

‘Ze moeten absoluut alleen met hun codenamen worden aangeduid’, bepaalt Bushell. ‘De idioot die het woord “tunnel” gebruikt, sleep ik persoonlijk voor de krijgsraad!’

Bushell benoemt kapitein-luitenant Arnost Valenta, een Tsjechische RAF-piloot, tot leider van de inlichtingendienst. 

Valenta geeft alle gevangenen die Duits spreken de opdracht om bevriend te raken met de bewakers om informatie over het kamp te verzamelen. Deze moeten ook Duitsers zover zien te krijgen dat ze tegen een vergoeding gereedschap en andere spullen voor de tunnelbouw leveren.

Tegelijk zoekt Bushell gevangenen die hem kunnen helpen met zijn plan, en die bijvoorbeeld hebben gewerkt als kleermaker, mijnwerker, kaartenmaker, ingenieur of technicus.

Zodra zijn team gereed is, komt de grote vraag op tafel: hoe gaat er gegraven worden?

Ingang verborgen onder kachel

Piloot Robert Ker-Ramsay staat gebogen over de kachel in barak 104. Bushell heeft besloten dat hier, in kamer 23, de geheime ingang naar tunnel Harry moet komen. Hij heeft deze barak
uitgekozen omdat hij is gebouwd op een fundering van beton, zodat het graafwerk in de grootste stilte kan plaatsvinden.

De sterke Ker-Ramsay tilt eerst de kachel van zijn plaats. Dan haalt hij de tegels die zijn vrijgekomen weg en bevestigt ze op zelfgemaakte houten planken. Daarmee maken ze een luik dat als twee druppels water lijkt op de vloer die eerst onder de kachel lag.

Dan begint Ker-Ramsay met een zelfgemaakte houweel op de betonnen fundering te hakken. Het lawaai is overal in het kamp te horen, en als de bewakers ontdekken waar het vandaan komt, is het gedaan met de ontsnapping.

Bushell geeft 10 gevangenen opdracht op blikjes te gaan hameren alsof ze keukengerei maken, zoals borden en schalen. De gevangenen hameren er een paar dagen op los, tot Ker-Ramsay een gat in het beton heeft gemaakt.

De ingang van Harry is klaar, net als de twee andere ingangen waar tegelijk aan is gewerkt.

Onder de kachel in barak 104 zat de ingang van Harry verborgen. De tegels onder de oven waren een luik dat toegang gaf tot een negen meter diepe tunnel.

Onderbroeken vol zand

Eindelijk kan er worden begonnen met graven, maar algauw doet er zich een nieuw probleem voor. Stalag is op geel zand gebouwd, wat het graven bemoeilijkt, maar er ook voor zorgt dat het zand lastig ongemerkt is af te voeren.

Bushell roept zijn vertrouwelingen bijeen voor een oplossing. Een van hen stelt voor het zand te camoufleren en oppert dat de gevangenen daartoe kleine moestuintjes voor hun barakken gaan aanleggen. Daarmee kunnen ze de aanwezigheid van geel zand verklaren.

‘Maar hoe breng je dat gele spul naar boven zonder op te vallen?’ vraagt Bushell.

‘Met zandzakken’, antwoord de gevangene en haalt een vreemd stuk stof uit zijn broekzak: twee afgeknipte pijpen van een lange onderbroek die onderaan zijn dichtgebonden.

Iedereen is sceptisch, maar de gevangene laat zien hoe hij de zakken opent door aan een touwtje in zijn broekzak te trekken. De zakken worden in de broekspijpen verstopt en met zand gevuld. Dan loopt de gevangene naar een moestuin, trekt aan het touw en het zand stroomt ongemerkt uit de zak.

‘We gaan het onmiddellijk proberen’, roept Bushell enthousiast. ‘Dat heb ik al gedaan, en het werkt!’, zegt de gevangene.

150 gevangenen worden benoemd tot zanddragers – bijgenaamd ‘pinguïns’, omdat ze met zandzakken aan hun benen waggelend lopen.

Paniek bij de tunnelingang

In barak 123 wordt flink doorgewerkt aan Tom. Een aantal ‘pinguïns’ is net bezig met een lading zand als een kampbewaker plotseling richting de barak loopt. 

De gevangene die de wacht houdt, geeft zijn kameraden een teken, maar de Duitser – bijnaam: de Slimme – loopt recht op de entree van de barak af. De gevangene die de tunnelingang bewaakt, heeft geen tijd om het zand weg te werken en de ingang te sluiten.

De Slimme komt naast de tunnelingang de kamer binnen, op drie stappen van de alkoof waar de gevangenen het luik nog dicht moeten doen. 

Dan klapt er een deur in de barak open en komt er een gevangene schreeuwend binnen. Hij rent de kampbewaker omver en laat zich op hem vallen. De Slimme probeert op te staan, maar de gevangene ligt gillend op hem.

Een groep gevangenen gaat om hen heen staan, en helpt ze overeind. De gevangene begint alles in rad Engels uit te leggen, maar de bewaker is te zeer van zijn stuk gebracht om kwaad te worden. Hij loopt hoofdschuddend en met een klein lachje om de lippen naar buiten.

‘Goede timing’, fluistert de tunnelbewaker tegen de nu rustige gevangene, die teruglacht.

Negen meter diep bedolven

Het graafwerk vordert gestaag. De lange tunnels worden gestut met planken afkomstig van de bedbodems van de gevangenen. In de tunnels leggen ze een spoor van zelfgemaakte rails aan, waar kleine wagons overheen rijden die het zand wegbrengen.

De wielen van de wagons bestaan uit drie houten, ronde schijven van verschillende grootte die zijn samengebonden. De assen bestaan uit stukken metaal die uit de kachels in de barakken zijn gehaald. 

Ze worden gesmeerd met margarine die afkomstig is uit de rantsoenen van de gevangenen zelf. De Noorse RAF-piloot Jens Müller heeft een ventilator gebouwd die frisse lucht de tunnel in blaast. Maar ondanks de vele stutten en slimme oplossingen bestaat constant het gevaar dat de boel instort.

Op een dag horen drie gevangenen die in Dick aan het graven zijn een krakend geluid boven zich. Een van hen ziet een kapotte plank tussen de stutten in de tunnel en er valt wat zand naar beneden. Ze kruipen zo snel mogelijk weg. 

En dan, met een harde klap, begeeft de plank het en stort het zand over ze heen. De eerste twee gevangenen hebben zich net in veiligheid gebracht, maar de derde, Wally Floody, ligt bedolven onder het zand. Gelukkig wordt hij op tijd door zijn twee kameraden gered.

Weer boven vertelt Floody over het ongeluk. Bushell vloekt binnensmonds, maar herpakt zich snel: ‘Wanneer kunnen jullie beginnen met het opruimen van het zand?’, vraagt hij.

Doe alsof je neus bloedt

Valenta, hoofd van de inlichtingendienst van de gevangenen, geeft alle gevangenen opdracht om te proberen aan te pappen met de bewakers om hen uit te horen over controles en treintijden vanuit nabijgelegen steden.

Vooral de Slimme, de bewaker die Tom bijna ontdekte, moet goed in de gaten worden gehouden. Axel Zillessen, een Duits sprekende gevangene, knoopt een gesprek met hem aan. Ze praten onder het genot van een sigaret over de oorlog en hun dagelijks leven.

‘We zullen niet altijd vijanden zijn’, zegt Zillessen tegen de Slimme. ‘Probeer ons eens als vrienden te zien.’ Al snel merken de gevangenen dat de Slimme steeds nonchalanter wordt en steeds meer met Zillessen optrekt.

Bushell kan de Slimme afstrepen op zijn lijstje risicofactoren. Na enige tijd weten de gevangenen welke wegen door het bos lopen, hoe laat de treinen rijden en hoe de machtsverhoudingen in Europa op dat moment liggen.

Onder de gevangenen is de discipline groot, merkt een nieuwe gevangene wanneer een van de centrale figuren binnen de ontsnappings­beweging hem op het hart drukt: ‘Wat je ook ziet, doe alsof je neus bloedt. Zelfs al zie je me met een boomstam in mijn reet lopen, je geeft geen krimp. Het is voor een goede zaak.’

Kamp Stalag was gebouwd op geel zand. De mannen legden tuintjes aan om het zand kwijt te raken. Ze smokkelden het in hun broeken naar buiten.

© Imperial War Museum

Duitsers krijgen argwaan

Bushell overlegt met de andere leiders. Kolonel Massey heeft gehoord dat alle Amerikaanse gevangenen moeten verhuizen naar een afdeling waar ze geen toegang hebben tot de tunnels. Het is een schok voor de Amerikanen, die hard hebben meegeholpen en willen meevluchten.

‘Ik denk dat we nog zo’n twee maanden hebben’, zegt Massey. ‘Bushell, wat vind jij ervan?’

‘Het lijkt me verstandig om ons op één tunnel te richten, sir. Met Tom zijn we het verst.’

Als de gevangenen deze tunnel afkrijgen voordat ze verplaatst worden, kunnen ze nog met zijn allen meekomen.

‘Met wat mazzel gaat het lukken’, stelt Bushell vast. Het graafwerk wordt versneld.

Rondom Stalag Luft III is het inmiddels zomer, maar in het kamp zelf geldt maar één ding: Tom moet klaar zijn voor de Amerikanen worden overgeplaatst. Het verhoogde werktempo heeft echter gevolgen voor de veiligheid.

Op een avond loost een pinguïn zijn zand vlak bij een groep gevangenen die volleybal spelen. Verderop ziet hij ineens Glemnitz lopen, de chef van de bewakers. Snel probeert hij het zand weg te werken. Glemnitz vertrekt geen spier en lijkt niets te hebben gemerkt. Maar hij heeft het wel degelijk door.

De volgende ochtend stormen bewakers het kamp in. Ze halen alle tuintjes overhoop en verdwijnen weer even snel als ze zijn gekomen. Bushell roept de ontsnappingscommissie bijeen en zegt: ‘Ze weten dat we een tunnel hebben.’

‘Je kunt de operatie nu niet meer afblazen’, protesteert een gevangene.

‘Dat wil ik ook niet’, antwoordt Bushell, ‘Dat zou net zo verdacht zijn. Het aantal pinguïns mag alleen niet ineens gaan groeien. 

Wat er ook gebeurt, Glemnitz mag niet weten hoe groot deze operatie is: dat er aan drie tunnels tegelijkertijd wordt gewerkt en dat er 500 tot 600 gevangenen aan de operatie meewerken. We moeten hem de indruk geven dat er maar een paar mannen bij betrokken zijn, anders keert hij het hele kamp binnenstebuiten.’

Maar dat is precies wat er gaat gebeuren. Glemnitz stuurt tientallen bewakers het kamp in. Ze ploegen de grond van het kamp om en doorzoeken alle barakken. Ook de Gestapo zoekt mee – maar ze vinden niets.

Het gevaar lijkt geweken, maar Bushell weet dat de kleinste fout fataal kan zijn.

De gevangenen werken verder aan Tom, die inmiddels 79 meter lang is. Over twee weken worden de Amerikanen overgeplaatst. Bushell schat dat de tunnel intussen het bos heeft bereikt en geeft de opdracht om naar boven te graven. Alles lijkt goed te gaan.

Op een dag leidt Glemnitz nog een doorzoeking – dit keer van barak 123, waar de ingang van Tom ligt. Bushell staat buiten en kijkt naar de bewakers die binnen aan het zoeken zijn. Twee uur lang houdt hij alles onbewogen in de gaten, maar de spanning in het kamp stijgt. Maanden werk staan op het spel.

Dan horen ze een triomfantelijke schreeuw vanuit de barak en Glemnitz komt met een stralende glimlach naar buiten. Tom is ontdekt!

Dick is er geweest

Hoop doet leven in een gevangenkamp. Maar na de vondst van Tom hebben de Duitsers de tunnel opgeblazen en de gevangenen zijn nu terneergeslagen. Sommigen van hen hebben wel eerder een tunnel gegraven, maar geen ervan was zo veelbelovend als Tom.

Hoe teleurgesteld Bushell ook is, hij probeert op een vergadering in het kamptheater de moed erin te houden met de mededeling: ‘We hebben nog steeds twee troeven in handen.’

Maar de winter nadert en Bushell wil pas na nieuwjaar verder graven. Tot die tijd moeten ze maar afwachten of Dick en Harry het houden.

De Amerikanen worden overgeplaatst en de Duitsers kappen nog meer bomen rond het kamp. Dan blijkt dat de Duitsers een nieuwe afdeling gaan bouwen – precies op de plek waar Dick boven zou komen. Ze kunnen niet verder graven en raken nog een tunnel kwijt.

Alleen Harry is nog over. Als de sneeuw begint te vallen, gaat de honger de gevangenen steeds meer parten spelen en neemt hun wanhoop toe. Buiten het kamp worden de Duitse troepen steeds verder teruggedrongen door de geallieerden, maar de gevangenen in Stalag Luft III merken daar hoegenaamd niets van.

De uitzichtloze situatie drijft sommigen tot wanhoop. Iemand probeert ’s nachts via een dak te vluchten, maar wordt doorzeefd met kogels. Een ander probeert met blote handen over het prikkeldraad te klimmen, maar wordt meteen neergeschoten door de bewakers.

Gevangenen graven verder

Op 7 januari 1944 roept Bushell de ontsnappingscommissie opnieuw bijeen. Het is tijd om verder te gaan met de laatste tunnel.

‘Harry kan over een paar maanden klaar zijn, als de bewakers het helemaal niet meer verwachten’, belooft hij. Zijn medegevangenen lijken sceptisch, maar zodra ze een nieuwe plek – het kamptheater – gevonden hebben om het zand te dumpen, beginnen ze met graven.

Ondanks alle tegenslagen wordt Harry steeds langer. En het moreel stijgt toe als ze horen dat een van de meest wantrouwige bewakers, die vanwege zijn lange nek ‘Rubbernek’ wordt genoemd, vanaf 1 maart 14 dagen met verlof gaat.

De dag voor zijn vertrek marcheert Rubbernek met 30 bewakers het kamp binnen en leest de namen van 19 gevangenen op die van een ontsnappingspoging worden verdacht. Bushell wordt niet genoemd. Even zijn de gevangenen bang dat Harry is ontdekt, maar de 19 mannen worden alleen maar overgeplaatst.

Als Rubbernek weg is, beginnen de gevangenen als gekken te graven. Na tien dagen kruipt Ker-Ramsay gewapend met een meetlint de tunnel in. Harry is nu 106 meter lang en zou ongeveer vier meter het bos in moeten reiken.

Ker-Ramsay klimt met een vreemd gevoel uit het kachelluik. Binnen een jaar hebben ze het onmogelijke voor elkaar gekregen. Hij vertelt Bushell dat ze nog maar zeven meter naar boven hoeven te graven en dan vrij zijn: ‘Ik zweer je dat we dat halen voor Rubbernek terug is.’

Naar boven graven is een hels karwei. Het regent zand op Ker-Ramsay, maar hij graaft een stabiele tunnel en bouwt zelfs een ladder. Op de 14e dag is Harry af. Alleen moet bij de uitgang nog een graslaagje worden weggehaald.

Klaar voor de grote ontsnapping

De volgende dag keert Rubbernek terug van zijn verlof. Hij doorzoekt barak 104 en loopt rondjes om de geheime ingang van Harry. 

De doorzoeking duurt vier uur, de langste die de gevangenen ooit hebben meegemaakt. Maar uiteindelijk gaan de bewakers weg, zonder iets te hebben gevonden. Bushell bromt: ‘Zoveel
geluk hebben we niet nog een keer.’

‘Maar we kunnen nu niet ontsnappen’, zegt iemand en wijst naar het pak sneeuw buiten.

‘Wat moet, dat moet’, besluit Bushell.

Op 24 maart lijkt de nacht maanloos te worden. Dit is hun kans, misschien hun enige.

De spanning is in het hele kamp voelbaar. Bushell verwacht dat er hooguit 220 gevangenen op één nacht door de tunnel kunnen, maar er hebben 600 man aan meegewerkt.

De ontsnappingscommissie kiest er 70 uit die veel hebben gedaan en Duits spreken, omdat zij de grootste kans hebben weg te komen. De rest wordt uitgeloot. Onder de gelukkigen zijn ook een paar Nederlanders en een Belg.

De uitverkorenen krijgen een verzonnen verleden, valse papieren, burgerkleding, een kaart en kompas, geld en voedsel. Ze helpen elkaar bij het verifiëren van hun identiteit en controleren de vluchtkleding.

Vannacht gebeurt het

Op de avond van 24 maart staan de uitverkorenen klaar bij hun barak. In het donker gaan ze om de 30 seconden via allerlei omwegen naar barak 104. Buiten de omheining patrouilleren de bewakers en de wachttorens schijnen met hun zoeklichten over de grond, maar de Duitsers hebben niets in de gaten.

Algauw zit barak 104 bomvol gevangenen. Om 19.45 uur ziet een van hen, David Torrens, de deur van de barak opengaan. Er komt een Duitse officier binnen die recht op hem afloopt. 

Drie metgezellen rennen in paniek een aangrenzende kamer binnen, terwijl Torrens met knikkende knieën naar de Duitser loopt. Hij weet zich geen raad – alles lijkt verloren.

De Duitser blijft staan en dan pas herkent Torrens hem: het is geen Duitser, maar een gevangene, gekleed in een Duits uniform. Opgelucht gebaart Torrens hem dichterbij te komen.

Voor het luik van de tunnel staat Bushell met een groep gevangenen. Ze liggen achter op schema. Om 20.45 uur klimmen Lester Bull en Henry Marshall eindelijk als eersten de tunnel in. Bull gaat op de wagon liggen en Marshall trekt aan het touw; Bull verdwijnt op slechts 10 centimeter van de grond de tunnel in.

Een voor een volgen andere gevangenen en al snel zitten er 17 man in de tunnel.

‘Ik denk dat je het nu wel kunt proberen’, zegt Bushell tegen Bull, die de laatste planken en het laatste stukje gras aan het uiteinde van de tunnel moet verwijderen.

Bull knikt. Enkele seconden laten horen ze hoe hij in de schacht omhoog klimt. De mannen in de tunnel ademen moeizaam. De lucht is zwaar, het zweet loopt hun over de rug.

Bull is nog steeds aan het werk in de schacht. Het lijkt alsof hij uren bezig is.

‘Hoe ver ben je al?’ fluistert Marshall.

‘Ik krijg die verdomde planken niet los’, antwoordt Bull. De schacht is zo goed dichtgemaakt dat de planken muurvast zitten.

Aan de andere kant van de tunnel beginnen de wachtende gevangenen zich zorgen te maken. De tunnel zou om 21.00 uur open moeten zijn, en het is al 22.00 uur.

Marshall kijkt op zijn horloge: Bull is al een halfuur bezig. ‘Ga alsjeblieft kijken wat er aan de hand is’, zegt Bushell tegen Marshall.

Marshall klimt de ladder op en neemt het van Bull over. Hij maakt zich even goed kwaad en na 10 minuten komt de eerste plank los. Bull neemt het weer over en maakt het karwei af. Het geluid van vallend zand klinkt iedereen die staat te wachten als muziek in de oren.

De tunnel is open

Bull voelt zijn schop door de laatste laag zand steken. De koude buitenlucht stroomt over zijn bezwete gezicht. Hij maakt het gat groter en ziet de sterrenhemel boven zich.

Nu kan Bull de laatste stap zetten. Hij steekt zijn hoofd naar buiten en schrikt. Overal waar hij kijkt, ziet hij open terrein. Harry heeft het bos niet bereikt, de tunnel is te kort. 

De bomen die beschutting geven, staan drie meter verder en op ongeveer 15 meter van de opening, langs de omheining van het kamp, staat een wachtpost. Bull verdwijnt snel weer onder de grond.

In de tunnel vertelt hij het slechte nieuws aan de anderen. Ze zijn er stil van. Bushell reageert als eerste. Hij overweegt even om de missie af te blazen, maar besluit al snel: ‘We kunnen nu niet meer terug. Op alle papieren staat een datum en over een maand zijn ze niet meer geldig. Zonder papieren komen we nergens. We moeten nu doorzetten.’

De mannen knikken. Ze moeten het wagen.

Ze spreken af dat Bull een touw meeneemt, waarvan één uiteinde in de tunnel blijft hangen. Zodra hij in veiligheid is rukt hij aan het touw om het sein voor de volgende te geven.

Voorzichtig klimt hij omhoog en steekt zijn hoofd naar buiten. De bewaker kijkt in de richting van het kamp en ziet hem niet.

Bull klautert naar buiten en kruipt zachtjes door de sneeuw. Zodra hij de boomgrens heeft bereikt, trekt hij twee keer aan het touw. De anderen klimmen stil naar boven. Een voor een kruipen ze in het duister door de sneeuw. Eerst komt Marshall, daarna Valenta en dan de man met het slechte oog, Roger Bushell.

De eerste gevangenen zijn ontsnapt en het plan is geslaagd. Ze verdwijnen snel het donkere bos in. Er wacht hun nu nog een lange tocht door het vijandige Duitsland. 

Na de oorlog pakten de Britten de Duitsers op die waren belast met de moord op de 50 piloten. Enkele Gestapo-leden kregen de doodstraf.

© Polfoto

Epiloog: slechts drie mannen bleven weg

De meesten van de 76 piloten werden kort na hun ontsnapping opgepakt, onder andere omdat ze door het pak sneeuw niet door het bos verder konden en de weg moesten nemen.

Slechts drie van hen wisten uit nazi-Duitsland te ontsnappen. Twee Noorse piloten, Per Bergsland en Jens Müller, slaagden erin de Duitse havenstad Stettin te bereiken, waar ze aan boord van een Zweeds schip werden geholpen. 

Enkele dagen later kwamen ze in Gotenburg, vanwaar ze met papieren van het Britse consulaat konden doorreizen naar Canada.

De Nederlandse piloot Bram van der Stok was drie maanden op de vlucht voor hij in het neutrale Spanje aankwam. Van der Stok bereikte op 8 juli 1944 de Britse kolonie Gibraltar en werd naar Groot-Brittannië gevlogen. Algauw zat hij weer in een vliegtuig en maakte deel uit van de strijd in Normandië na D-Day.

Van de 73 opgepakte piloten werden er 50 geëxecuteerd, onder wie de Belg Henri A. Picard en de Britten Henry Marshall, Ian Cross, Arnost Valenta, Lester Bull, en de grote organisator van de ontsnapping: Roger Bushell.

Lees ook

Tim Carroll: The Great Escape from Stalag Luft III, Pocket Books, 2005. Arthur A. Durand: Stalag Luft III: The Secret Story, Simon & Schuster, 1989. Albert P. Clark: 33 Months as a POW in Stalag Luft III: A World War II Airman Tells His Story, Fulcrum Group, 2005.

Bekijk ook ...