Irak-Iranoorlog: Kindsoldaten gedwongen tot zelfmoordmissie

Als Irak in 1980 buurland Iran binnenvalt, lijkt de zege binnen handbereik. Maar ayatollah Khomeini van Iran heeft een luguber wapen achter de hand: een militie van jonge mannen en jongens van soms nog maar 12 jaar, die dwars door mijnenvelden op de vijand af lopen.

Als Irak in 1980 buurland Iran binnenvalt, lijkt de zege binnen handbereik. Maar ayatollah Khomeini van Iran heeft een luguber wapen achter de hand: een militie van jonge mannen en jongens van soms nog maar 12 jaar, die dwars door mijnenvelden op de vijand af lopen.

Corbis/Aop & Hulton/Getty

Het is nog donker op deze vroege ochtend in april, wanneer de troepen van Saddam Hoessein in Zuid-Irak een onheilspellend geluid horen. Het is 1982, en een paar kilometer verderop staat de vijand, het Iraanse leger. Een koor van duizenden stemmen doorbreekt de stilte: ‘Allahu akbar, Allahu akbar’ – God is groot.

Ineens klinkt er een reeks explosies als de eerste aanvalsgolf van 40.000 Iraniërs op de Iraakse verdediging af rolt. De aarde trilt als de aanvallers met hun voeten de talrijke mijnen die de Irakezen voor hun stellingen hebben gelegd tot ontploffing brengen.

Als de zon opkomt zien de Irakezen tot hun ontsteltenis dat de aanvallers geen gewone soldaten zijn, maar vooral jonge jongens – sommige kunnen hun geweer bijna niet eens tillen. Maar hoe klein ze ook zijn, ze leggen een ware doodsverachting aan de dag.

Met duizenden tegelijk rennen ze naar voren, schijnbaar onaangedaan door de aanblik van hun kameraden die opgeblazen worden door de mijnen. De geschrokken Irakezen schieten hun geweren leeg op de gigantische mensenmassa.

Ze weten er honderden te raken, maar daar komen telkens duizenden anderen voor in de plaats. De aanvalsgolf is niet te stuiten, en na enkele dagen van hevige gevechten worden de Iraakse posities onder de voet gelopen.

Na de zege steekt de Iraanse krant Ettela’at in mei 1982 de loftrompet over de inzet van de kindsoldaten: ‘Ze rukten op over de mijnenvelden met ogen die niet meer zagen en oren die niet meer hoorden. Toen het stof opgetrokken was, was er niets meer. Stukken vlees en botten waren achtergebleven in de woestijn als stille getuigen.’

De islam raakte verdeeld toen de kleinzoon van de profeet Mohammed, Hoessein ibn Ali, in een gevecht met soennieten werd gedood.

© Corbis/AOP

Martelaren kwamen in het paradijs

Toen de oorlog met Irak in 1980 uitbrak, maakte ayatollah Khomeini gebruik van de oude rivaliteit tussen soennieten en sjiieten om een leger vrijwillige martelaren te mobiliseren.

Het schisma tussen sjiieten en soennieten dateert uit 680, toen een van de belangrijkste figuren van de sjia-islam, Hoessein ibn Ali, bij de stad Karbala gedood werd.

Hoessein was een kleinzoon van de stichter van de islam, Mohammed, en volgens de sjiieten diens rechtmatige opvolger. Daarom herdenken ze elk jaar zijn martelaarschap.

Omdat Saddam Hoessein een soenniet was, hamerde Khomeini erop dat de Iraakse aanval op Iran een herhaling was van de historische Slag bij Karbala.

Volgens Khomeini was iedereen die op het slagveld viel een martelaar voor de ware islam, die rechtstreeks naar het paradijs zou gaan.

Dankzij deze propaganda kwamen sjiieten uit heel Iran massaal naar de wervingskantoren.

Saddam vreest Iraanse revolutie

De achtjarige oorlog tussen Irak en Iran in de jaren 1980 was de bloedigste in de geschiedenis van het Midden-Oosten. Vooral de inzet van kindsoldaten door Iran staat symbool voor de gruwelen.

Het was niet de eerste keer, maar het islamitische regime van Iran ging wel verder dan ooit tevoren. De kindsoldaten dienden niet alleen als ondersteuning voor de reguliere troepen: ze vormden de ruggengraat van de offensieven.

De inzet van jongens was het wrede antwoord van ayatollah Khomeini op de invasie door Irak in september 1980. Een jaar eerder had hij de macht in Iran gegrepen en de heerser van het land, de sjah, afgezet. Iran ging verder als een streng islamitische republiek.

De revolutie kwam als een schok voor de wereld, met name voor buurland Irak, waar Saddam Hoessein aan de touwtjes trok. Irak was een seculier land, waar de soennieten het voor het zeggen hadden, hoewel de sjiieten net als in Iran in de meerderheid waren.

Saddam was bang dat het nieuwe Iraanse bewind de Iraakse sjiieten zou aanzetten tot een revolutie, en de dictator besloot dan ook gebruik te maken van de onrust in Iran om het land binnen te vallen en het regime af te zetten.

Wervelwind

Op 22 september 1980 viel het veel sterkereIraakse leger Iran over een front van 650 kilometer aan. Saddam Hoessein had het offensief de ‘wervelwindoorlog’ genoemd, omdat hij en zijn generaals ervan overtuigd waren dat de strijd in een paar weken voorbij zou zijn.

Aanvankelijk verliep de aanval volgens plan. Het Iraanse leger was slecht georganiseerd en trok zich al snel terug uit het grensgebied bij de rivier de Sjatt al-Arab richting de bergen in het oosten.

In de Zuid-Iraanse stad Koramsjar kwam het offensief van Saddam echter onverwachts tot stilstand. In de stad zaten soldaten van de fanatieke revolutionaire garde van Khomeini, en die waren strijdlustig.

Een maand lang wisten de slechts 2500 gardisten met lichte machinegeweren de 15.000 zwaarbewapende Iraakse aanvallers op afstand te houden.

Toen Koramsjar uiteindelijk door de Irakezen ingenomen werd, waren zo’n 8000 van hen gesneuveld. Saddam was geschrokken van de moed van de garde en riep de opmars van zijn troepen een halt toe.

De hevige strijd rond Koramsjar was een voorbode van wat de Irakezen nog te wachten stond in deze oorlog.

Een jaar voor het uitbreken van de oorlog hadden Irak en Iran elk een nieuwe, strijdbare heerser met een agenda gekregen.

© AFP/Scanpix

Saddam

  • Een meerderheid van de Irakezen was sjiiet. Saddam Hoessein wilde koste wat kost voorkomen dat zij in opstand zouden komen naar Iraans voorbeeld.
  • De belangrijkste toegang tot de zee voor Irak was de grensrivier Sjatt al-Arab tussen Iran en Irak. Saddam wilde die beheersen.
  • Saddam wilde de Iraanse grensgebieden waar een Arabische minderheid woonde in handen krijgen.
© AFP/Scanpix

Khomeini

  • Het sjiitische Iran moest het machtigste land van het Midden-Oosten worden.
  • Khomeini wilde een wereldwijde islamitische revolutie ontketenen, waarbij alle sjiieten zouden opstaan tegen hun soennitische en westerse ‘onderdrukkers’.
  • Met een dreiging van buitenaf kon Khomeini binnenlands verzet de kop indrukken.

Volksleger moet Irakezen stuiten

Khomeini had de revolutionaire garde een jaar voor de Iraakse invasie opgezet. De leden waren fanatieke gelovigen en gingen voor hem door het vuur.

De voornaamste taak van de garde was het beschermen van het regime tegen couppogingen. Khomeini was vooral bang voor een opstand in het reguliere leger, dat daarom werd teruggebracht van285.000 tot 150.000 man.

Toen Saddam Hoessein zijn tanks de grens over stuurde, besloot Khomeini dan ook om van de revolutionaire garde, die toen nog maar 30.000 leden telde, de ruggengraat van de verdediging te maken. Daartoe zette hij een enorme wervingscampagne op touw.

Er werden duizenden militieleden gerekruteerd, met name onder arbeiders in de steden, die zich makkelijk lieten beïnvloeden door propaganda.

Maar het bewapenen en trainen van de vele nieuwe rekruten kostte tijd. En die had Khomeini niet: hij moest de aanval zo snel mogelijk zien af te slaan. Daarom kreeg de revolutionaire garde in januari 1980 het bevel over een speciale militie die bliksemsnel op het slagveld ingezet kon worden.

Die militie heette Basij – mobilisatie – en moest in de woorden van Khomeini een leger van 20 miljoen man worden, dat Iran onoverwinnelijk zou maken.

In tegenstelling tot de soldaten van de revolutionaire garde, die goed getraind werden, moest de Basij het doen met een paar weken oefenen. Zijn kracht was vooral religieus fanatisme.

Na de revolutie en de Iraakse invasie waren de nationalistische gevoelens van de Iraniërs aangewakkerd, en het regime speelde daar handig op in. Al snel werden de kantoren van de Basij overspoeld met mannen van alle leeftijden. Zelfs jongens van pas 12 jaar oud meldden zich aan of werden door moellahs – geestelijken – gerekruteerd.

‘De moellahs kwamen de hele tijd langs op school en onderbraken de les,’ schreef de kindsoldaat Samir later.

‘Ze vertelden ons over de glorierijke Iraanse Revolutie en de ayatollah, die ons uit de klauwen van de VS gered had. Toen riepen we heel lang “dood aan Amerika, Israël en Saddam”.’

De moellahs zeiden dat het een eer was om voor de islam te strijden, en spoorden de jongens aan om martelaar te worden, net als Hoessein ibn Ali, een van de grondleggers van de sjia-islam.

‘Op tv was een jonge soldaat te zien, met een geweer en de rode hoofdband van de Basij,’ aldus Samir.

‘Hij vertelde hoe geweldig het was om islamstrijder te zijn en te vechten voor de vrijheid en tegen de Irakezen. We moesten ons bij hem aansluiten.’

De propaganda maakte indruk opSamir. Hij liep mee in massabetogingen in Teheran, waarbij hij en duizenden andere jongens met rode hoofdbanden de strijdkreten van de moellahs tegen de VS en Saddam herhaalden.

In de kampen van de Basij leerde Samir hoe hij met een geweer moest schieten en hoe handgranaten werken. Uiteindelijk werd hij naar het front gestuurd om te vechten.

Saddam had aan het begin van de oorlog ruim 1000 tanks meer dan Khomeini.

© Roger Viollet/Polfoto

Jongens doen zelfmoordaanvallen

Terwijl de Iraniërs in hoog tempo hun troepen mobiliseerden, was Saddams ‘wervelwindoorlog’ vastgelopen. Hij was geschrokken van de grote verliezen in Koramsjar en liet zijn troepen de veroverde gebieden versterken met wallen en bunkers in de hoop dat de Iraniërs ze niet zouden proberen te heroveren.

Maar dat was precies wat Khomeini van plan was. Eind 1981 ging hij vol in de aanval. Het offensief, dat de naam ‘Operatie Weg naar Jeruzalem’ droeg, was gericht op de bezette Iraanse stad Bostan.

Op 29 november vielen 80.000 fanatieke gardisten en Basij-strijders, onder wie schooljongens, de Iraakse verdedigers aan. Ze wilden zo graag vechten dat ze de geplande artilleriebeschieting van de vijandelijke stellingen niet afwachtten en de Irakezen volledig overrompelden met ware doodsverachting.

Het offensief was de eerste menselijke aanvalsgolf van de oorlog. Zoals een Iraakse officier het in 1982 uitdrukte in het Duitse opinieblad Der Spiegel:

‘Je kunt de eerste golf neermaaien, en de tweede ook. Maar de lijken blijven zich opstapelen, tot je het alleen nog maar uit wilt schreeuwen en weg wilt rennen. Het zijn ondanks alles mensen.’

In de Slag bij Bostan sneuvelden 30.000 Iraniërs, vooral leden van de Basij. Maar voor het regime bewees de zege dat de tactiek succesvol was.

De revolutionaire garde had een korps dat
op de motorfiets Iraakse tanks te lijf ging.

© AP/Polfoto

Iraanse milities kenden geen vrees

Revolutionaire garde

In de chaotische maanden na de revolutie had Khomeini een strijdmacht nodig die hij kon vertrouwen en die rivaliserende groeperingen kon bevechten in geval van een staatsgreep.

De revolutionaire garde was geboren. De leden waren vertrouwelingen van Khomeini en jonge mannen uit de steden.

Toen de oorlog uitbrak, wierf de garde leden voor de vrijwillige Basij-militie. In 1985 telde de eenheid 250.000 man.

Basij-militie

Het Iraanse regime wilde het volk wapens leren gebruiken en een blind vertrouwen bijbrengen in de krijgszuchtige variant van de islam die het uitdroeg.

Hiertoe werd de Basij-militie opgericht. De rekruten waren arme arbeiders die in de oorlog als kanonnenvoer dienden.

In 1985 had de Basij zo’n 600.000 strijders. De militie bestaat nog steeds en werd in 2009 gebruikt om betogingen in eigen land neer te slaan.

Kinderen ruimen mijnen

In maart 1982 veroverden 120.000 Basij-strijders, revolutionaire gardisten en reguliere troepen het gebied rond de plaatsen Dezful en Shush.

De Iraniërs stonden maar vijf kilometer van de grens, maar volgens een Iraanse kolonel die de journalist Robert Fisk sprak was het enige doel van het leger om de Irakezen het land uit te krijgen:

‘Onze troepen konden de laatste rivier oversteken, maar Khomeini wilde dat niet hebben.’ Na elke zin die de kolonel sprak, riepen zijn officieren en een moellah in koor: ‘God is groot. Dood aan de VS. Dood aan de Sovjet-Unie.’

Fisk interviewde vervolgens een 14-jarige Basij-strijder, die vol vuur vertelde hoe hij twee vrienden was verloren in de slag, en dat hij had gehuild toen hij hoorde dat zijn vertrek naar het front was vertraagd. Tot zijn opluchting kon hij toch meedoen aan de aanval.

Al een maand later begon Iran aan het eindoffensief. ‘Operatie Jeruzalem’ was bedoeld om onder meer Koramsjar te heroveren, dat de Irakezen met zo veel moeite ingenomen hadden.

De troepen van Saddam hadden een zware verdediging opgezet met wallen, landmijnen en bunkers. De Basij werd dan ook de mijnenvelden in gestuurd om de weg vrij te maken voor het leger.

‘Sommige kinderen wikkelden zich in een deken voordat ze het mijnenveld op renden, zodat hun lichaamsdelen niet in het rond zouden vliegen en ze in een kist getoond konden worden,’ schreef de Iraanse krant Ettela’at.

Op 24 mei 1982 hadden de Iraniërs het Iraakse verzet gebroken en konden ze Koramsjar innemen. Daarmee hadden ze tegen de verwachtingen in alle Irakezen uit Iran weten te verdrijven.

Hierop ging Saddam met hangende pootjes naar Khomeini om over vrede te onderhandelen, maar de ayatollah was inmiddels van mening veranderd: hij wilde Saddam afzetten.

100.000 jongens aan het front

Khomeini was nu van plan om het overwegend sjiitische Zuid-Irak in te nemen, waar Basra lag, de tweede stad van het land. Halverwege 1982 lanceerden de Iraniërs vijf grootschalige aanvallen om de stad in te nemen, maar de Irakezen, die nu op eigen terrein vochten, wisten die af te slaan. Khomeini realiseerde zich dat hij meer troepen nodig had.

In 1983 werd de rekrutering van jonge jongens voor de Basij dan ook nog eens opgevoerd. Aan het einde van het jaar deelde de minister van Onderwijs mee dat er ruim 100.000 schooljongens en 30.000 leraren meevochten.

‘Er is geen school of plaats die niet van het genoegen om oorlog te voeren heeft geproefd en niet van het elixer van de dood heeft gedronken,’ schreef Ettela’at enthousiast. De krant drukte foto’s van bijna lege klaslokalen af.

De kindsoldaten van de Basij en de gardisten liepen voorop in de Iraanse offensieven. Een van de Basij-strijders, een jongen van 13 die maar een maand getraind had, kreeg op een veld ten noordoosten van Basra te horen wat zijn doel was.

Met andere jongens en oude mannen moest hij – gewapend met een geweer en twee handgranaten – een weg bij Basra proberen te veroveren.

‘Toen we op een heuveltop stonden, stormden we op de vijandelijk stelling aan de andere kant af. Ik was niet meer bang. We riepen “Allahu akbar” tijdens het rennen, en ik zag de soldaten voor ons – een lange rij helmen. Toen gingen ze schieten. Overal om me heen vielen mijn makkers neer, maar ik rende door en bleef schreeuwen.’

De jongen werd uiteindelijk in zijn been geschoten en gevangengenomen.

Telkens opnieuw probeerde de Basij-militie vergeefs met massa-aanvallen door de Iraakse linies te breken.

‘Ze riepen “Allahu akbar” en bleven maar komen. Wij bleven maar schieten, en we maaiden met onze 50-millimeter machinegeweren als met een zeis. Mijn mannen waren 18 of 19, een paar jaar ouder dan deze kinderen. Ik heb hen zien huilen.

Af en toe moesten de officieren hen terug naar hun geweren schoppen,’ zei een Iraakse officier later, die ook een merkwaardige aanval meemaakte:

‘Op een keer kwamen Iraanse kinderen op de fiets op ons af, en mijn mannen begonnen te huilen. Maar toen de kinderen handgranaten gooiden, hielden we op met huilen en openden we het vuur op hen.’

Duizenden Iraanse vrijwilligers sneuvelden. Hier rouwt een Iraanse soldaat naast het lichaam van zijn broer.

© Hulton/Getty

Kinderen voorop in groot offensief

Iran verloor ongeveer drie keer zo veel soldaten als Irak tijdens het offensief van 1983, maar maakte weinig voortgang. Toch hield het Iraanse regime vast aan de massale aanvallen. In 1984 volgden meer grootschalige offensieven met kinderen in de voorste linies.

Tijdens het belangrijkste offensief van dat jaar, Operatie Kheibar, bestond 57 procent van het Iraanse leger uit schoolkinderen. Met rubberbootjes en pramen staken ze de moerassen bij Basra over.

‘We waren niet bang, want een 10-jarige jongen beseft niet wat hij doet als hij op vijandelijke soldaten af rent,’ zei een kindsoldaat later.

De grootste Iraanse triomf was de verovering van het kunstmatige eiland Majnun in een van de belangrijkste olievelden van Irak. Maar het leger kon de lichtbewapende Basij-strijders en revolutionaire gardisten geen steun geven met artillerie, en al snel sloegen de Irakezen terug.

Een kindsoldaat zei later: ‘Na een tijdje begonnen Iraakse tanks ons te bestoken – drie dagen en drie nachten lang. Ik denk dat maar 34 van de 1200 man het overleefden.’

Tijdens de bittere strijd in het moeras in het voorjaar van 1984 stonden aan elke kant 250.000 soldaten tegenover elkaar, en de Irakezen schuwden geen middel om de Iraniërs terug te slaan. Gevechtshelikopters vlogen over de moerassen en maaiden de Iraniërs neer met raketten en mitrailleurs.

Daarnaast zette Saddam mosterdgas en sarin in tegen Khomeini’s troepen. Op één plaats werden Iraanse troepen geëlektrocuteerd toen de Irakezen hoogspanningsleidingen doorsneden en in het moeras legden.

In totaal kwamen er 25.000 Iraniërs om tijdens het offensief. 10.000 kinderen sneuvelden, raakten gewond of werden gevangengenomen.

De Iraakse kampen zaten vol met jongens van de Basij die verminkt waren geraakt in mijnenvelden.

© AP/Polfoto

Khomeini weigerde kindsoldaten thuis te laten komen

Meer dan 30.000 Iraniërs kwamen in krijgsgevangenenkampen terecht, onder wie veel kindsoldaten van de Basij.

Dat waren de gelukkigen: ‘Ik ben blij dat ik gevangengenomen ben, al is het leven in het kamp zwaar. Maar alles is beter dan te sterven,’ gaf een Iraanse tiener in 1987 toe in een interview.

In 1983 kreeg het Rode Kruis de Irakezen zo ver een groepje gevangengenomen kindsoldaten naar huis te sturen. Maar ayatollah Khomeini wilde ze niet hebben.

Hij schreef aan het Rode Kruis: ‘Dit zijn onze kinderen niet. Onze kinderen zitten in het paradijs.’

Pas in 2003 – vlak voor de VS Irak binnenviel – wisselden Irak en Iran de laatste gevangenen uit.

Iraniërs geven massa-aanval op

Hoewel de Iraniërs het eiland Majnun en een handvol andere buitgemaakte gebieden wisten te behouden, was het Kheibar-offensief een fiasco.

De troepen van Saddam verdedigden hun vaderland hartstochtelijk, en de moellahs moesten inzien dat de jonge Basij-strijders voor niets de marteldood stierven. De massa-aanvallen werden geleidelijk verruild voor traditionele tactieken.

In de jaren die volgden leden beide partijen zware verliezen, maar er kwam geen doorbraak. Khomeini wees echter alle vredesvoorstellen af, tot zijn vertrouwelingen de bejaarde ayatollah er in 1988 van wisten te overtuigen dat de revolutie zelf in gevaar was.

Op 17 juli 1988 stemde het regime in met een wapenstilstand. Drie dagen later werd een toespraak van Khomeini op de radio gelezen: ‘Ik ben bedroefd dat ik nog leef. Voor mij zou het makkelijker zijn geweest om de dood en het martelaarschap te aanvaarden.’

Een jaar later stierf de ayatollah, en pas in 1990 sloten de twee landen vrede. De oorlog had circa een miljoen levens geëist. Het is niet precies bekend hoeveel kinderen er gesneuveld zijn; kenners gaan uit van zeker 100.000.

De grenzen waren niet veranderd, maar Saddam Hoessein én het Iraanse islamitische regime zaten nog steviger in het zadel dan voor de oorlog.