Gewonde soldaat, soldaten bij kanon
© New York Public Library Science Source/Imageselect & Granger/Imageselect

Kanonnen veranderden Westfront in vleesmolen

Alleen met enorm veel kanonnen en granaten kan het Westfront opschuiven, zo menen de generaals van de Eerste Wereldoorlog. In 1916 omarmen ze een verwoestende artillerietactiek: de vuurwals.

Het geluid van de dood – dat is wat de Duitse soldaat Karl Gorzel overal om zich heen hoort op de Thiepval-heuvel ten noorden van de rivier de Somme.

De granaten gieren door de lucht, en de grond trilt als ze inslaan. Geisers van aarde vliegen de hoogte in en dalen neer op Gorzel en zijn kameraden. Hun oren en mond zitten er vol mee.

Pas na een urenlang bombardement van de Britse kanonnen en houwitsers in de verte is het even stil. Nu hoort de 21-jarige Gorzel alleen nog gehuil en gejammer.

‘Wat een gruwelijke aanblik! Geen spoor van een loopgraaf meer te zien.’ De Duitse soldaat Karl Gorzel na een artillerieaanval aan de Somme

Om hem heen liggen landgenoten met vreselijke verwondingen en afgerukte ledematen. Het bloed sijpelt in de omgewoelde aarde, die twee uur eerder nog de voorste linie van het Duitse loopgravenstelsel vormde.

‘Wat een gruwelijke aanblik! Geen spoor van een loopgraaf meer te zien – alleen nog granaatkraters, zo ver het oog reikt,’ zegt Gorzel, die niet lang de tijd heeft om het gehavende landschap gade te slaan.

‘De beschieting wordt weer heviger. Mijn hoofd bonst en mijn lippen branden. Ons lot ligt in Gods handen,’ schrijft Gorzel over de verschrikkingen aan het front aan de Somme in 1916.

VIDEO: Bekijk originele beelden van de artillerie van de Eerste Wereldoorlog

Gorzel is slechts een van de miljoenen mannen die in de Eerste Wereldoorlog in een granaatstorm belanden die zijn weerga niet kent. Het gebulder van de kanonnen houdt niet op. Ze draaien vier jaar lang op volle toeren.

De artillerie is het meest angstaanjagende wapen van deze oorlog. Het geschut kost de meeste mensenlevens en veroorzaakt de ergste verwondingen – lichamelijk en geestelijk. Het is de vleesmolen van het Westfront.

Eerste Wereldoorlog, artillerie, Passendale, 1917

Overal aan het Westfront veranderde de artillerie het groene landschap in een woeste leegte.

© Ritzau Scanpix

Artillerie begint in een bijrol

Toen de eerste kanonnen in de zomer van 1914 de slagvelden van het Westfront op werden gerold, leek het een herhaling van de Napoleontische Oorlogen 100 jaar eerder. Inmiddels kon het geschut verder vuren, maar de strategie was grotendeels hetzelfde.

Eerst werden de stellingen van de vijand bestookt met kanonnen, waarna de infanterie vooruitgestuurd werd om de chaos te benutten die de granaten gezaaid hadden. Het probleem was alleen dat de loopgraven van de Eerste Wereldoorlog goed bestand waren tegen de bombardementen.

Artillerie, Eerste Wereldoorlog
© Imageselect

Stalen kogels dwongen soldaten de loopgraven in

In het begin van de oorlog was de granaatkartets, die een regen van stalen kogeltjes verspreidde, het meest gebruikte projectiel. Het was zo effectief dat het de troepen dwong loopgraven aan te leggen, maar daarmee was het achterhaald.

In 1914 had het leger te weinig granaten om de vijandelijke stellingen te kunnen verwoesten. De verdedigers zochten gewoon dekking tijdens de beschieting waarmee de aanval begon en kropen daarna terug naar de mitrailleurs.

Van verrassing was evenmin sprake, want het duurde een hele tijd voor de artilleristen hun doelwit raakten. De kanonbemanningen hadden vaak slechte kaarten, waarop hoogteverschillen niet te zien waren.

Stukje bij beetje moesten de artilleristen ‘scherpstellen’ op de vijandelijke stellingen op aanwijzing van waarnemers verderop. Dit kostte veel tijd, waardoor het bombardement maar weinig schade aanrichtte.

VIDEO: Massaal bombardement moest vijand wegvagen

In 1914 openden de strijdende partijen een slag met een massaal bombardement op de vijandelijke stellingen. Daarna werd de infanterie pas vooruitgestuurd – en dat draaide altijd uit op een bloedbad.

Duitse, Franse en Britse generaals waren het er echter roerend over eens dat alleen artillerie – heel veel artillerie – de patstelling van de loopgravenoorlog kon doorbreken. Maar er was veel meer munitie nodig dan de artilleristen tot hun beschikking hadden.

‘Je kunt helemaal niets verwoesten als je telkens je granaten moet tellen,’ mopperde een Britse artillerist in 1914.

De productie van granaten en kanonnen kreeg dan ook de hoogste prioriteit.

Iedereen wil meer kanonnen

Tussen augustus en december 1914 hadden beide partijen bijna 1 miljoen soldaten verloren. Maar de Duitsers hadden het meeste succes geboekt: ze hadden het grootste deel van België en het noordoosten van Frankrijk bezet.

Achter het front, in Engeland, Frankrijk en Duitsland, maakten de wapenfabrieken overuren om granaten te produceren. Ook snelvurende kanonnen met een groter bereik en een verbeterde precisie werden in grote hoeveelheden gebouwd en naar het front vervoerd. Dat gold ook voor de houwitser, een tussenvorm tussen een kanon en een mortier, die zware granaten in een hoge baan op de vijandelijke stellingen kon afvuren. Terwijl de Britten in 1914 nog maar 91 stuks geschut produceerden, waren dat er in 1915 al 3226.

Somme, artillerie, Eerste Wereldoorlog

In de Slag aan de Somme in 1916 bestookten de Britten de Duitse linies met bijna 1500 kanonnen en houwitsers.

© Bridgeman Images/billedmontage: HISTORIE

Omdat de mannen in groten getale naar het front werden gestuurd, werd de munitie vooral door vrouwen geproduceerd.

‘Ondanks de hitte mochten we de vertrekken niet luchten, ook niet in de lunchpauze, want deuren en ramen moesten permanent gesloten blijven vanwege het explosiegevaar,’ vertelde Editha von Krell, die in vier maanden in een munitiefabriek drie ongelukken meemaakte waarbij een jong meisje omkwam.

Artilleriaanval, Eerste Wereldoorlog, granaten

De artilleristen zaten ver achter het front, maar waren niet veilig. Hier zoekt een soldaat dekking voor granaten.

© Bridgeman Images

Terwijl de wapenproductie op volle toeren draaide, werd de precisie van de artillerie verbeterd. Iedereen had inmiddels door dat factoren als windsnelheid, luchtdruk en hoogteverschillen van groot belang waren.

In 1915 riepen de Britten topografische eenheden in het leven om betere kaarten te maken, en een jaar later werden er observatie-eenheden opgericht. Bovendien kregen de artilleristen drie keer per dag het weerbericht.

Ook aan waarneming vanuit de lucht werd gewerkt: luchtballonnen en vliegtuigen fotografeerden de vijandelijke posities. En de soldaten sidderden en beefden als er vijandelijke vliegtuigen overkwamen.

‘We waren volledig aan hen overgeleverd, en ze stuurden de zware Engelse kanonnen met een wrede precisie aan, granaat voor granaat,’ schreef Karl Gorzel over de Slag aan de Somme in 1916. In dat jaar toonde de artillerie voor het eerst echt wat ze kon.

Granaathulzen, Eerste Wereldoorlog

Aan het Westfront werden miljoenen granaten afgevuurd. Dit zijn de lege hulzen na een groot bombardement.

© Imageselect

Het regent dag en nacht granaten

De eerste anderhalf jaar aan het front waren al geen pretje voor de soldaten in de loopgraven, maar het werd alleen maar erger. In februari 1916 begonnen de Duitsers aan de Slag bij Verdun door in één etmaal zo’n 1 miljoen granaten af te vuren op de Franse stellingen. Het artillerieduel hield 302 dagen aan.

‘Vallende granaten ontzien niemand. Ik begrijp niet hoe het kan dat ik nog leef,’ schreef de Franse soldaat Paul Pireaud.

‘We worden weggevaagd zonder de vijand ooit gezien te hebben.’

Een andere Fransman merkte op: ‘We zijn in het dodenrijk. De nacht wordt verlicht door vlammen uit de hel. Plotseling wordt het donker van de nacht verscheurd. Aan de hele horizon explodeert het schijnsel van de apocalyps.’

In de zomer van dat jaar begonnen de Britten aan hun hevigste bombardement tot dan toe langs een 29 kilometer lang front aan de Somme. Zeven dagen lang bestookten 1437 kanonnen en houwitsers de Duitsers.

‘Niets kan dit hebben overleefd.’ De Britse generaal Rawlinson na het afvuren van 1,5 miljoen granaten aan de Somme

In één week vuurden de Britten en Fransen ruim 1,5 miljoen granaten af – meer dan er in totaal in de eerste 12 maanden van de oorlog waren gebruikt.

‘Niets kan dit hebben overleefd,’ zei de Britse generaal Henry Rawlinson zelfverzekerd.

Hij zat ernaast. Toen 100.000 Britse soldaten in de aanval gingen, openden de Duitsers het vuur met mitrailleurs en geschut. Alleen al op de eerste dag sneuvelden 19.240 Britten: 13 doden per minuut, 24 uur lang. En zo ging het nog maanden door – net als in Verdun en elders aan het Westfront.

‘Kan iemand zich verdedigen tegen een aardbeving die hem aan het opslokken is?’ Franse soldaat over de enorme Duitse granaten

Het constante gefluit van de granaten hakte erin bij de mannen in de loopgraven. Zelfs troepen die diep onder de grond zaten, waren als de dood voor de enorme granaten.

‘Kan iemand zich verdedigen tegen een aardbeving die hem aan het opslokken is? Wat heeft het voor zin met een geweer te schieten op een vulkaan die lava spuwt?’ vroeg een Fransman zich af.

spoorwegkanon, Eerste Wereldoorlog

De kanonnen werden na verloop van tijd zo groot dat ze op rails vervoerd moesten worden.

© Naval History and Heritage Command

Aan weerszijden van het front richtten de projectielen veel schade aan.

‘De frontsoldaten voelen niets meer als ze lichamen zien zonder hoofd, zonder benen, door de buik geschoten, met weggeblazen voorhoofd, met gaten in de borst,’ merkte een Duitser op bij Verdun.

Er vielen talloze slachtoffers in wat een zinloze strijd leek.

‘De brancarddragers slepen de gewonden zo ver als ze kunnen. Er arriveren versterkingen, de doden worden begraven en dan breekt een nieuwe dag aan – nog verschrikkelijker dan de vorige,’ schreef Karl Gorzel in de herfst van 1916 aan de Somme.

De 21-jarige Duitser overleefde de slag waarbij bijna 320.000 andere jonge mannen omkwamen, grotendeels als gevolg van granaten. De artillerie moest nog laten zien dat er terreinwinst mee geboekt kon worden. Er moesten nieuwe tactieken komen.

Somme, Eerste Wereldoorlog, 1916

Zo’n 300.000 mannen sneuvelden aan de Somme. Hier Britse soldaten in het maanlandschap in 1916.

© US National Archives

Granaatmuur verborg aanvallers

Het Westfront veranderde door al die bombardementen in een maanlandschap met her en der een boomstronk. Maar het front was ondanks al het geweld nauwelijks opgeschoven.

‘Waarom rukken we niet op?’ schreef een Franse infanterist gefrustreerd. Volgens hem waren hij en zijn kameraden alleen maar op de dood aan het wachten.

Een verwoestende artillerietactiek moest uitkomst bieden. De zogeheten vuurwals of ‘kruipend spervuur’ optimaliseerde de samenwerking tussen artillerie en infanterie. Bij een aanval bestookte de artillerie het terrein vlak voor de oprukkende troepen met een enorm spervuur.

Het kanonvuur ‘kroop’ zo over het slagveld met een vast tempo, en in het kielzog volgde de infanterie, die zo werd beschermd door een muur van exploderende granaten.

VIDEO: Vuurwals vaagt alles op zijn pad weg

In 1916 testten de Britten de verwoestende vuurwals, en de andere legers namen de tactiek snel over. Het slagveld werd stukje bij beetje gebombardeerd, vlak voor de oprukkende troepen uit.

Achter de vuurwals kon de vijand de oprukkende troepen niet zien, en het spervuur ruimde meteen prikkeldraad en andere obstakels uit de weg. Daarnaast dwong het de vijand in dekking te blijven, zodat de mitrailleurs pas bemand konden worden als het al te laat was.

De tactiek stond of viel echter met coördinatie. Als de infanteristen te langzaam liepen, stopte het spervuur te vroeg en kon de vijand in de tegenaanval gaan. Als de soldaten juist te snel gingen, konden ze geraakt worden door hun eigen granaten. Ondanks het grote gevaar hadden de manschappen orders om zo dicht mogelijk bij de ontploffende granaten te blijven.

Uit berekeningen bleek dat zo’n 10 procent van de aanvallende infanteristen geraakt zou worden door verdwaalde scherven van de eigen granaten of door granaten die niet ver genoeg kwamen. Maar de generaals waren bereid die verliezen te accepteren als de patstelling ermee doorbroken werd.

prikkeldraad, Eerste Wereldoorlog, vuurwals

Brede prikkeldraadversperringen beschermden de stellingen aan het Westfront. De vuurwals moest ermee afrekenen.

© Shutterstock

Tactiek wordt bijgeschaafd

De Britten gebruikten de vuurwals als eersten aan de Somme, maar de resultaten vielen tegen. De Duitse prikkeldraadversperringen waren ondanks de regen van granaten nog intact toen de Britten ze bereikten.

Het gevolg was dat de infanteristen vertraging opliepen ten opzichte van het spervuur, waardoor de Duitsers de gelegenheid kregen hun stellingen te bemannen voordat hun loopgraven werden bestormd.

‘Van alle kanten renden mannen met stalen helmen naar voren.’ Duitse luitenant die de vijand ziet na een aanval met de vuurwals

In de loop van 1917 werd de tactiek echter verfijnd en de coördinatie verbeterd. Een mijlpaal was de ontwikkeling door de Britten van een gevoelige ontsteker, waardoor de granaten al ontploften zodra ze een stukje prikkeldraad schampten. Zo werd er veel meer prikkeldraad uit de weg geruimd en kon de infanterie het tempo van de artillerie bijbenen.

De combinatie van het hevige artillerievuur en het feit dat de vijand plotseling opdook als de rook was opgetrokken, was een angstaanjagende ervaring voor de verdedigers.

‘We waren als gehypnotiseerd door het schouwspel (de granaatregen, red.). We hadden geen kans om ons terug te trekken en onze wonden te laten verzorgen, want de regen van vuur was nog niet gestopt of het hele landschap leek tot leven te komen. Van alle kanten renden mannen met stalen helmen naar voren,’ vertelde een Duitse luitenant in Vlaanderen in 1917.

Soldaat, Eerste Wereldoorlog, planning

De planners van de artillerieaanvallen moesten rekening houden met de baan van de kanonnen, het type granaat en de vuursnelheid van de artilleristen.

© Imageselect

Het succes was een gevolg van de massale aanvoer van kanonnen, waardoor de vuurwals lang volgehouden kon worden over een breed front.

Maar in de Slag bij Passendale op 12 oktober dat jaar draaide een aanval met de vuurwals uit op een tragedie. Toen het geweld ’s morgens losbarstte, werden de Nieuw-Zeelandse troepen die zich opmaakten voor de bestorming, getroffen door de granaten.

Artilleriekaart, Passendale, vuurwals

Een aanval met de vuurwals moest zorgvuldig gepland worden. Dit zijn de tijdschema’s van een aanval bij Passendale. Elke streep toont een stap in het artilleriebombardement op een vast tijdstip.

© Australian War Memorial

En toen de infanterie in de diepe modder de vijandelijke stellingen bereikte, bleek dat het prikkeldraad niet verwoest was. Bijna 1000 Nieuw-Zeelanders kwamen om voordat de aanval werd afgeblazen.

Maar de generaals twijfelden niet: de oplossing was meer artillerie en meer granaten. In 1917 produceerden de Britten 76 miljoen granaten, meer dan vier keer zo veel als in 1915. In de tweede helft van 1917 hadden de generaals het over ‘artillerieslagen’ als ze offensieven planden, zo belangrijk was het geschut geworden.

Nu moesten de aanvallers het bereik van de kanonnen ten volle benutten, zodat ze ver achter het front konden toeslaan.

Artillerie, letsel, handicap

Tienduizenden jonge mannen kwamen thuis met vreselijk letsel.

© Imageselect

Granaten bliezen lichaam en geest op

Het eindeloze artillerievuur leidde tot een onthutsend aantal gewonden. Granaten rukten armen, neuzen en hele gezichten af. Ook wie niet gewond was, was voor het leven getekend.

Artsen wisten niet wat ze zagen toen de gewonden begonnen binnen te stromen van de slagvelden van het Westfront. De artillerie rukte ledematen af en verbrijzelde hele lichamen.

Uit berekeningen blijkt dat er bij zo’n 67.000 Duitse gewonden een of meer ledematen werden geamputeerd. Aan Britse kant was dat cijfer 41.000. Verreweg het grootste deel was te wijten aan granaten.

Een veelvoorkomende verwonding die weinig aandacht kreeg, was doofheid. De bombardementen aan het Westfront waren zo heftig dat ze vaak te horen waren tot in Londen, 325 kilometer verderop. Vooral artilleristen die geen gehoorbescherming gebruiken, liepen gescheurde trommelvliezen op, net als de troepen in het veld.

Zelfs soldaten die het er heelhuids van afbrachten, hadden vaak shellshock opgelopen tijdens de langdurige bombardementen. Het gevolg was apathie of hevige trillingen. In 1916 was zo’n 40 procent van de opnamen in veldhospitalen te wijten aan shellshock.

Metaalmoeheid slaat toe

De vuurwals alleen kon de oorlog niet beslissen. De communicatielijnen waren verbeterd, en hoofdkwartieren en observatieposten stonden nu in verbinding met artilleriebatterijen. Zo konden de aanvallers sneller beschoten worden.

De generaals voerden nu vooral diepe aanvallen uit, die de vijand zodanig verzwakten dat hij geen effectieve verdediging op touw kon zetten.

De artillerie richtte zich niet alleen op de loopgraven aan het front – ook commandoposten, communicatiecentra en reservetroepen ver achter het front werden bestookt met kanonnen met een groot bereik. Zo kon de vijand weinig uitrichten terwijl de aanvallers oprukten.

‘Nu hebben we het recept,’ zei de Franse bevelhebber Philippe Pétain.

Diepe aanvallen, die nog maar uren in plaats van dagen duurden, werden door beide partijen uitgevoerd, en er werden ook gasgranaten ingezet.

‘Het geluid waar iedereen het bangst voor was, was het geluid dat deze granaten maakten bij de inslag. De doffe knal was een teken dat de dood kwam aangeslopen,’ schreef een Duitse soldaat.

Granaten, Eerste Wereldoorlog, Frankrijk

In de bossen en velden bij Verdun liggen nog zo’n 12 miljoen onontplofte granaten.

© Getty Images

Bodem zit nog vol gevaren

Elk jaar komen duizenden onontplofte granaten uit de Eerste Wereldoorlog tevoorschijn in België en Noord-Frankrijk. En de explosieve voorraad is nog lang niet uitgeput.

De ‘ijzeren oogst’ noemen Franse boeren de onontplofte granaten en ander metalen schroot uit de Eerste Wereldoorlog die nog in de bodem zitten. Als ze de grond omploegen, komen oude granaten, prikkeldraad, patronen en granaatscherven naar boven.

Alleen al in de Slag bij Verdun vuurden de strijdende partijen zo’n 65 miljoen granaten af. Maar die ontploften lang niet allemaal: volgens experts zitten er nog zeker 12 miljoen onontplofte granaten in de bodem.

Hoewel de oorlog al meer dan 100 jaar geleden beëindigd is, is de achtergebleven munitie nog steeds levensgevaarlijk. In Frankrijk en België heeft de explosievenopruimingsdienst de handen vol aan de granaten die telkens opduiken.

Jaarlijks wordt er zo’n 1000 ton onontplofte munitie uit de Eerste Wereldoorlog ontdekt, en af en toe komt een onfortuinlijke vinder om het leven. Sinds 1918 zijn er zo’n 600 doden gevallen bij het opruimen van de oude munitie. Duizenden vierkante kilometers grondgebied zijn nog steeds verboden terrein vanwege het explosiegevaar.

Met revolutionaire tactieken en enorme artilleriearsenalen hadden de geallieerden en de centrale mogendheden binnen vier jaar een geheel nieuwe vorm van oorlogvoering ontwikkeld. In 1914 speelde de artillerie nog een bijrol, maar in 1918 stond geschut centraal.

In het Franse leger was het aantal artilleristen bijvoorbeeld gestegen van 20 procent in het begin van de oorlog tot 38 procent vier jaar later. Terwijl de steeds grotere kanonnen bleven bulderen op de slagvelden, sloeg de oorlogsmoeheid toe bij de soldaten.

Het ergst was het voor de Duitsers, die de bui al zagen hangen toen de Amerikanen in de zomer van 1918 het strijdperk betraden. Uiteindelijk zat er voor Duitsland niets anders op dan een wapenstilstand te sluiten. Die ging in op 11 november 1918. Voor het eerst in vier jaar zwegen de kanonnen.

In totaal waren er zo’n 720 miljoen granaten afgevuurd aan het Westfront, en twee derde van de verliezen – doden en gewonden – was te wijten aan de nietsontziende artillerie.

Een van de vele slachtoffers was Karl Gorzel. De jonge Duitser had het bloedbad aan de Somme in 1916 overleefd, maar zijn geluk duurde niet eeuwig. Gorzel sneuvelde in maart 1918, acht maanden voor de oorlog voorbij was.