© Polfoto/Topfoto

Gallipoli: Ontsnapt van Schiereiland des doods

Winston Churchill, de Britse minister van Marine, dacht dat de invasie van het Turkse schiereiland Gallipoli maar een paar dagen zou duren. Acht maanden en 130.000 doden later besluit hij de laatste soldaten in het holst van de nacht te evacueren om een totale vernedering te voorkomen.

17 augustus 2018 door Jakob Eberhardt

Op een koude decembernacht in 1915 is de Australische sergeant Cliff Pinnock bloednerveus. 

In het rotslandschap om hem heen liggen 60.000 Turkse soldaten. Pinnocks frontlinie bestaat slechts uit 2000 man, de rest is geëvacueerd.

Na maanden van uitzichtloze gevechten en slapeloze nachten wacht Cliff Pinnock op toestemming om ook zijn troepen terug te trekken van het schiereiland Gallipoli. Hij hoopt dat hij snel weg mag uit dit bloederige moeras waar hij al zo lang in vastzit.

De evacuatie kan echter alleen slagen als de Turken – die soms slechts 10 tot 20 meter verderop zitten – niets in de gaten hebben. 

Als de Britse soldaten ontdekt worden, zullen er tienduizenden mannen sneuvelen, zo vrezen de generaals. De spanning stijgt.

‘Waar ik ook keek, overal zag ik Turken. Goeie God, ik zou alles geven om honderd kilometer hard te kunnen lopen, gewoon om mijn zenuwen de baas te worden’, schrijft de Australiër later.

Aanval op het Osmaanse Rijk

Acht maanden tevoren waren Cliff Pinnock en zijn mannen naar Gallipoli gekomen. 

Ze moesten de Turkse kanonnen vernietigen die de Dardanellen, een smalle zeestraat, steeds onder vuur namen, waardoor de Britse en de Franse vloot Istanbul niet konden aanvallen.

Turkije staat in de Eerste Wereldoorlog aan de kant van Duitsland en van Oostenrijk, tegen Rusland, Frankrijk en Groot-Brittannië. Op het vasteland is het Duitsland gelukt Rusland te isoleren. 

De enige mogelijkheid om mensen en goederen te vervoeren is via de zee, maar de Duitse zeemijnen snijden de Russische havens in de Zwarte Zee van de buitenwereld af. Er is nog maar één manier om Rusland te bevoorraden: een frontale aanval op het Osmaanse Rijk.

Winston Churchill, de Britse minister van Marine, schat het Turkse leger niet hoog in en verwacht een simpele overwinning. 

Hij stuurt zijn meest aftandse schepen naar Istanbul en gaat ervan uit dat de Turken zich bij het zien van de machtige Britse vloot direct overgeven.

In februari 1915 proberen de oorlogsschepen van Churchill via de Dardanellen hun doel te bereiken, maar tot hun grote verrassing stuiten ze op mijnen en kanonnen langs de kust.

De geallieerden besluiten tot een verrassingsaanval over land. Het is de bedoeling enige bruggenhoofden op het strategisch gunstig gelegen schiereiland Gallipoli te veroveren. 

Van hier kunnen soldaten het land intrekken om de Turkse kanonnen onschadelijk te maken. Een simpel plan, zo lijkt het.

Duitsers zijn goed voorbereid

De invasie begint op 25 april 1915. Al vanaf de eerste minuut blijkt dat er niet goed over de operatie is nagedacht.

De Britse landing vindt plaats aan de zuidkust van Gallipoli – Kaap Helles –over smalle loopplanken. 

De soldaten komen een voor een aan land en vormen daardoor een perfect doelwit. Van de eerste 200 man bereiken er slechts 21 het strand. 

Daar worden ze gestuit door prikkeldraad, voor Turkse sluipschutters en artillerie het vuur openen. 70% van de Britten overlijdt ter plekke.

Ondanks de bloedige invasie slagen de geallieerden erin bruggenhoofden op te zetten aan de zuidkust van Gallipoli.

Volgens Churchill zouden de Turken binnen een paar dagen verslagen en hun kanonnen vernietigd zijn, maar ook dit pakt heel anders uit. 

Het onherberg­zame en heuvelachtige landschap lijkt op een labyrint, met steile hellingen en diepe kloven, wat een militaire confrontatie haast onmogelijk maakt.

Ook al waren de details over de invasie volledig geheim gebleven, de Turken hadden toch maanden de tijd gehad om hun verdedigingsposities in te nemen. 

Osmaanse spionnen waren er namelijk van op de hoogte dat het geallieerde leger zich in het Middellandse Zeegebied verzamelde en dat Britse officieren hun familie hadden gevraagd eventuele brieven naar Istanbul te sturen.

Nu het verrassingseffect uitblijft, kunnen de 75.000 mannen van Churchill het niet bolwerken. De Turkse troepen worden al meteen op de tweede dag van de invasie versterkt en ze hebben de geallieerden in een houdgreep.

De Australische, Nieuw-Zeelandse, Britse, Franse en Indiase soldaten graven zich in hun loopgraven in en zitten daar acht maanden lang vast.

De verrassingsaanval is uitgelopen op een langdurige loopgravenoorlog.

Een golf van gevechten

De aanvallen golfden op en neer, maar in de acht maanden durende invasie op Gallipoli bewogen de fronten nauwelijks.

© Scanpix/AKG Images

‘Allah, Allah, Allah!’ De strijdkreet van 40.000 Turkse troepen schalt over de vlakte, het maanlicht weerspiegelt in hun bajonetten. Als een onstuitbare lawine stormen ze de helling af, op jacht naar de geallieerde soldaten.

Het is 19 mei 1915. In de Anzac-baai in het zuidwesten van Gallipoli ondernemen de Turken hun eerste poging om de geallieerden uit hun ingegraven stelling te verdrijven. Steeds weer stormen hun troepen de helling af, maar ze worden op een overweldigende kogelregen onthaald.

De aanval mislukt: aan Turkse zijde sneuvelen 3000 soldaten en raken er 7000 gewond. De geallieerden verliezen slechts 160 mannen.

Als de Australische oorlogsverslaggever Charles Bean het slagveld bezoekt en de gesneuvelde Turken ziet, schrijft hij verbijsterd: ‘Ik zag een hoofdwond in de vorm van een ster in een ruit, een andere was min of meer rond; in beide gaten zou je je hand kunnen steken.’

De charge op 19 mei is typerend voor de talrijke offensieven die Gallipoli in de zomer van 1915 in golven overspoelen. Ondanks de vele aanvallen valt er geen beslissing in de strijd.

Met name de geallieerden sturen duizenden soldaten met hun bajonetten in de aanslag op
de Turken af voor een frontale aanval, meestal vruchteloos en zonder dat ze van hun fouten leren.

De verliezen zijn gigantisch. Eind juni proberen de geallieerden verder op Kaap Helles door te dringen. Ze willen zo snel mogelijk de Achi Baba-hoogvlakte innemen.

Luitenant Leslie Grant komt aan bij een Turkse loopgraaf: ‘Het was echt verschrikkelijk – overal lagen bloed, armen, benen en ingewanden verspreid. Sol­daten vochten met geweren, met hun voeten, met hun blote vuisten, met een bijl, hamer, wat dan ook’, schrijft hij.

Tijdens drie veldslagen in juni en juli sterven er wel 12.300 man zonder dat de troepen een meter opgeschoten zijn.

Vliegen verspreiden ziekten

Na elke veldslag ligt het strijdperk met gewonden bezaaid, gevangen in een niemandsland. 

Ze zijn niet alleen gewond, maar hebben vreselijke dorst en worden bedreigd door de branden die na de strijd woeden. Angst voor de dood en voor verminking zijn nooit ver weg.

‘Vanaf de eerste minuten op Gallipoli was ik doodsbang – 24 uur per dag. Soms moest ik iets doen om mezelf onder controle te krijgen.

Ik begon als een gek te graven, dieper en dieper. Ik was zo bang dat ik van de aardbodem wilde verdwijnen’, aldus soldaat Russell Weir.

Overal op Gallipoli is men trouwens druk aan het graven, zowel loopgraven als tunnels, die soms gebruikt worden om te spioneren, maar ook wel om mijnen onder het kamp van de vijand te laten ontploffen. 

De soldaten die zich in deze tunnels bevinden, horen de vijand vaak graven aan hun eigen tunnels, op weg naar hun eigen linies.

Na een mislukt offensief stuiten de geallieerde tunnelgravers met grote regelmaat op de rottende, halfvergane lichamen van Turkse soldaten.

‘We komen ze steeds weer tegen. Het is een “genoegen” om deze heren te ontmoeten. Of we graven om ze heen, of we halen ze weg’, schrijft sergeant Cyril Lawrence.

Ook als ze niet direct met elkaar in gevecht zijn, leven de soldaten onder de voortdurende dreiging van granaataanvallen of sluipschutters.

‘Ik ging zwemmen met twee mannen. Ze zijn allebei ter plekke gesneuveld. Ik zat onder het bloed’, schrijft soldaat John Gammage in zijn dagboek na een duik in de Egeïsche Zee.

En als de Turken het vuur staken, neemt een andere vijand het over. In de zomermaanden wordt Gallipoli geteisterd door miljoenen vliegen die de soldaten beletten te slapen en te eten. 

De insecten zijn groot en hebben zich te goed gedaan aan de lijken op het slagveld. En ze verspreiden ook nog tyfus.

De soldaten zijn er dan ook niet best aan toe. In augustus 1915 kampt 80% van de soldaten aan geallieerde zijde met dysenterie. 

En bij de vijand is het al niet veel beter. Ruim 20.000 Turken overlijden aan een ziekte, en de slag om Gallipoli is nog altijd niet beslist.

‘En dan was er ook nog de stank van de lijken die tussen de Turken en ons in lagen’, zegt sergeant Dan Curham.

‘Vlak voor onze loopgraaf lag een lijk – van ons of van hen – dat iemand had geprobeerd om ’s nachts met een brandbare vloeistof aan te steken. 

Dat maakte de stank nog erger; dagenlang moesten we leven, eten en slapen met de geur van verbrand mensenvlees.’

De veldtocht loopt vast

Ziekte en kou testerden de geallieerden. De bevelhebbers wisten dat ze een winter op Gallipoli niet zouden overleven.

© Getty Images

De eerste helft van augustus trachten de geallieerden uit hun benarde positie te komen. Nieuwe troepen moeten een bruggenhoofd oprichten aan de Suvla-baai, terwijl andere aan de Anzac-baai de hoogvlakte Sari Bayir moeten veroveren.

Om de Turkse troepen af te leiden zullen Britse soldaten bij Kaap Helles twee schijnaanvallen uitvoeren.

Dit offensief wordt een ramp voor de geallieerden, en niet alleen vanwege de incompetente militaire leiding, die kenmerkend is voor de gehele operatie in Gallipoli.

Door de falende leiding krijgen de troepen tijdens het augustusoffensief tegenstrijdige orders, waardoor hun aanvallen als los zand uiteenvallen.

Ook de snelle, effectieve reactie van de Turken draagt bij aan de nederlaag. Turkse soldaten zetten de tegenaanval snel in, heroveren het gebied en dwingen de geallieerden terug naar de kust.

De strijd is hevig, maar blijft onbeslist. De oevers van de Dardanellen en Gallipoli blijven in Turkse handen, en kanonnen houden de Britse en Franse oorlogsschepen nog altijd op afstand.

Naarmate het najaar nadert, komen de geallieerden steeds meer onder druk te staan. In november is de situatie echt onhoudbaar: de veldtocht is vastgelopen en de soldaten zijn ziek en uitgeput na hun maandenlange strijd.

Bovendien worden de Turken steeds sterker. Bul­garije heeft zich bij Duitsland en Oostenrijk-Hongarije aangesloten, waardoor de Turken zonder problemen materiaal en voedsel over land kunnen vervoeren.

In de herfst wordt Istanbul voorzien van nieuwe wapens en munitie en in november stellen de Turken pal tegenover een geallieerd bruggenhoofd vier Oostenrijkse kanonnen op, die veel effectiever zijn dan de Turkse. Ze schieten de geallieerde verdediging dan ook stuk.

‘Overal waar de bommen insloegen, ontstonden gaten zo groot als een woonkamer. De explosies waren gewoonweg verschrikkelijk’, schrijft Cliff Pinnock.

De geallieerden zijn ten einde raad, en de winter komt steeds dichterbij.

Weer als vijand

Eind november teistert de regen het onherbergzame landschap. Vanaf de hoogvlakte stroomt water naar beneden dat de geallieerde loopgraven in één groot open riool verandert. 

Dode soldaten en paarden, de tol van zeven maanden oorlog, drijven mee naar de voorste verschansingen en maken het toch al ellendige leven aan de frontlinie tot een hel.

Plots draait de wind naar het noorden en veroorzaakt de ergste sneeuwstorm in het gebied in 40 jaar. Nu is ook het weer een vijand geworden. 

Meer dan 200 mannen verdrinken of sterven van de kou, 5000 soldaten lijden aan bevriezing in de drie dagen durende storm.

Deze orkaan is slechts een voorproefje van wat de geallieerden te wachten staat als ze op Gallipoli overwinteren.

Soldaten moeten weg

De Britse generaal Charles Monro zit in een lastig parket. 

Sinds oktober is hij opperbevelhebber van de troepen op Gallipoli en zijn opdracht is duidelijk: hij is de enige die mag beslissen of de ge­allieerden zich terug moeten trekken of dat ze mogen blijven proberen om het Turkse schiereiland te veroveren – een missie die inmiddels al tienduizenden mensenlevens heeft gekost.

De beslissing is zwaar. Monro weet dat de helft van zijn mannen bij een evacuatie kan sneuvelen, een verlies van 55.000 soldaten. 

Aan de andere kant eist een nieuw offensief waarschijnlijk 400.000 levens, en dan moeten ze op het voorjaar wachten. In dat geval moeten de soldaten overwinteren in hun primitieve loopgraven en schuttersputjes. 

De kans dat de troepen het in het ijzige winterweer volhouden is al klein, zeker als de Turken nog versterkingen sturen. Monro neemt de beslissing: zijn troepen moeten weg uit Gallipoli.

Vanwege de chaotische strijd is het aantal gesneuvelden op Gallipoli niet precies bekend; naar schatting waren er 400.000 doden en gewonden.

© Polfoto/Topfoto

Laatste soldaten verlaten Gallipoli

Om 2.15 uur krijgt sergeant Pinnock eindelijk het bevel om zijn stellingen aan de Anzac-baai te verlaten. 

Op hun route is zout en meel gestrooid zodat de soldaten in het donker de weg naar het strand kunnen vinden en geëvacueerd kunnen worden. De tocht duurt 20 minuten en verloopt geruisloos. Dekens en doeken op de grond dempen het geluid.

De terugtocht gaat in etappes. Op de ochtend van 18 december is de helft van alle militairen uit de Anzac- en de Suvla-baai vertrokken, 40.000 man in totaal, en de twee volgende nachten trekt ook de rest zich terug.

Het is essentieel dat de Turken niets te weten komen over de evacuatie. De geallieerden zijn nu heel erg kwetsbaar en een Turkse aanval zou duizenden mensenlevens kunnen kosten.

Daarom weten alleen een paar officieren van de plannen, en ze houden deze zo lang mogelijk geheim om het risico op een informatielek zo klein mogelijk te houden.

Alles wordt uit de kast gehaald om de Turken te misleiden. De troepen woelen de grond in de loopgraven om, om zoveel mogelijk geluiden te dempen.

Ze bouwen geweren die met tussenpozen vanzelf op de Turken schieten. Ze plaatsen namaaksoldaten in de loopgraven en leggen eten op het vuur.

De evacuatie uit Suvla en Anzac is een enorm succes. De Turken merken pas iets als iedereen weg is.

Een paar dagen later besluiten de Britten – in navolging van de Fransen – om ook hun 35.000 soldaten bij Kaap Helles te evacueren. 

Ze maken hierbij gebruik van dezelfde afleidingsmanoeuvres, en op 9 januari 1916 verlaten de laatste soldaten Gallipoli.

Paradoxaal genoeg is de evacuatie van de drie bruggenhoofden het enige grote succes van de geallieerden. Geen een soldaat sneuvelt tijdens de operatie.

De Schot Joe Murray is een van de laatsten die het schiereiland verlaat. Met zijn laarzen in doeken gewikkeld legt hij de vijf kilometer naar het strand af. 

In zijn dagboek beschrijft hij de frustratie die de soldaten voelden over deze absurde missie: 

‘Misschien gaat dit de geschiedenis in als de veldtocht die mislukte door jaloezie, kwaadaardigheid, besluiteloosheid en verraad. De Turken hebben ons niet verslagen – we waren het slachtoffer van onze bevelhebbers.’

Minister van Marine Churchill, de grootste voorstander van deze operatie, wordt op het matje geroepen. Na een politieke rel wordt hij gedegradeerd naar een symbolische functie, en uiteindelijk stapt hij uit de regering.

Lees ook

Tim Travers: Gallipoli 1915, The History Press, 2009. Kevin Fewster m.fl.: Gallipoli: The Turkish Story, Allen & Unwin, 2003. Robin Prior : Gallipoli: The End of the Myth, Yale University Press, 2009. 

Bekijk ook ...