De luchtoorlog begint

De MiG-15 van de Sovjets bracht de Amerikanen in grote problemen, maar de VS zetten snel hun F-86 Sabre in. Luchtoorlogen werden vanaf nu op een nieuw niveau gevoerd: piloten vochten met 1000 km/h.

De MiG-15 van de Sovjets bracht de Amerikanen in grote problemen, maar de VS zetten snel hun F-86 Sabre in. Luchtoorlogen werden vanaf nu op een nieuw niveau gevoerd: piloten vochten met 1000 km/h.

Angel Trancon Studio

Piloot George L. Jones is in opperste concentratie. Hij maakt een steile duikvlucht met zijn F-86 Sabre-straaljager, recht in de wirwar van vijandelijke toestellen boven het noordwesten van Korea.

Schuin achter de 33-jarige New Yorker vliegt wingman Richard Pincoski, en de twee beseffen dat alleen hun aanval een Amerikaanse bommenwerper van de vijandelijke MiG-15 kan verlossen.

Op 2 november 1951 bombarderen de piloten treinstations en depots in Noord-Korea, en Jones leidt het escorte.

Hij weet dat er een gevecht op leven en dood uitbreekt als hij op een MiG-jager af duikt die achter een van de Amerikaanse bommenwerpers aan zit.

George L. Jones trekt de gashendel vol open, maar schat in dat hij niet op tijd op schootsafstand van zijn tegenstander kan komen.

Daarom vuurt hij op afstand een salvo af, waarna de vijand meteen een draai maakt en zijn aanval op de bommenwerper afbreekt.

Jones gaat door en haalt de MiG bij terwijl de twee straaljagers bijna parallel vliegen in hun scherpe draai. Plotseling heeft Jones de vijand in zijn vizier en drukt hij op de vuurknop op zijn stuurknuppel.

De zes machinegeweren van de F-86 ratelen, maar de kogels treffen geen doel, want de vijand maakt op het allerlaatste moment een rol.

De Amerikaan stelt zijn vizier snel bij en ziet korte tijd later een vonkenregen van de staart van de MiG spuiten.

Maar de vreugde is van korte duur, want de MiG blijft in de lucht en Jones heeft geen munitie meer. Pincoski neemt de achtervolging over, maar ook zijn kogels zijn bijna op.

Jones besluit een risico te nemen: de vijand weet niet dat zijn magazijnen leeg zijn. De MiG heeft veel snelheid verloren, en Jones zet de achtervolging in.

Als hij dichterbij is gekomen, besluit de Rus een uitwijkmanoeuvre omlaag te maken, en daar is zijn gehavende machine niet tegen bestand.

Een paar seconden later meldt wingman Pincoski over de radio dat de vijand zijn schietstoel heeft gebruikt, precies zoals Jones had gehoopt.

Jones en Pincoski hebben op deze dag niet alleen voorkomen dat een bommenwerper werd neergehaald, maar ook een van de geduchte MiG-15-straaljagers uitgeschakeld.

Dit gevecht was echter bij lange na niet het eerste luchtduel dat in de Koreaoorlog (1950-1953) werd uitgevochten – en de strijd in de lucht speelde een doorslaggevende rol.

De Amerikanen leverden 90 procent van de VN-troepen in Korea.

© OMikron Science Source/Imageselect

Korea was eerste strijdperk van de Koude Oorlog

Na de Tweede Wereldoorlog deelden de VS en de Sovjet-Unie het Koreaans Schiereiland op langs de 38e breedtegraad.

In juni 1950 viel het communistische noorden het zuiden binnen, dat geleid werd door de democratisch gekozen Syngman Rhee. Binnen een paar dagen waren de VS, de Sovjet-Unie en China bij de oorlog betrokken.

‘Uit de aanval op Korea blijkt dat het communisme nu de wapens heeft opgenomen,’ zei de Amerikaanse president Harry Truman op 27 juni 1950.

Diezelfde dag gaf de VN de lidstaten een mandaat om Zuid-Korea te hulp te schieten. Onder leiding van de VS trok het Westen ten strijde. Zo werd Korea het eerste slagveld van de Koude Oorlog.

Kim Il-sung valt buurland aan

Het Koreaans Schiereiland was sinds het eind van de Tweede Wereldoorlog verdeeld. In het noorden regeerde Kim Il-sung met ijzeren vuist, en het zuiden had een democratisch systeem.

In militair opzicht was Noord-Korea de sterkste van de twee, en Kim Il-sung wilde Korea herenigen onder zijn leiderschap.

Op 25 juni 1950 staken zijn troepen de 38e breedtegraad over, die de grens met Zuid-Korea vormde.

Binnen de kortste keren hadden de Noord-Koreanen het zwakke zuidelijke leger teruggedrongen tot de zuidpunt van het schiereiland, maar de kersverse Verenigde Naties grepen onder leiding van de VS in.

Sinds september 1950 was de VN bezig de Noord-Koreanen terug te drijven naar de 38e breedtegraad – met hulp uit de lucht.

De Noord-Koreaanse luchtmacht vloog nog in propellervliegtuigen, maar de Amerikanen hadden nieuwe toestellen met straalmotoren.

De F-80 ‘Shooting Star’ en de F-84 ‘Thunderjet’ waren halverwege de jaren 1940 ontwikkeld, en de Noord-Koreanen konden er niets tegenover stellen.

Eind oktober stonden de VN-troepen aan de rivier de Yalu, de grens tussen Noord-Korea en China. Vanwege de militaire dreiging gingen de Chinezen aan Noord-Koreaanse zijde meevechten.

De troepen van Mao Zedong zetten de VN-strijdkrachten onder druk op de grond, maar ook in de lucht.

De Chinese luchtmacht had een verdrag gesloten met de Sovjet-Unie, die Russische piloten had gestuurd om de Chinese te trainen. Bovendien gaven de Russen de Chinezen toegang tot nieuwe technologie.

Wonderbaarlijk vliegtuig stijgt op

De meeste VN-piloten waren Amerikaans, en in de eerste maanden van de oorlog konden ze Noord-Korea ongestoord bombarderen. De missies waren een soort spel voor de piloten.

‘Treinen waren de beste doelwitten. Als je er een raakte, was je de koning te rijk,’ zei een Amerikaanse piloot.

Tijdens elke aanval zwermde er een escorte Amerikaanse straaljagers om de bommenwerpers heen.

Op een ochtend in november werd een Amerikaanse B-29 Superfortress omringd door een aantal F-80’s toen de bommenwerper zijn doelwit naderde: een luchtmacht-basis in Noord-Korea.

Vanuit het niets werd de B-29 getroffen, en een seconde later scheerde een vijandelijk toestel met hoge snelheid langs de Amerikanen. Het ging zo hard dat geen enkele Amerikaan het vliegtuig wist te identificeren.

Het straaljagerescorte ging meteen achter het mysterieuze toestel aan, maar in no time was er slechts een stipje aan de horizon te zien.

De lucht wordt in de motor gezogen en door turbines samengeperst. Dan wordt er brandstof aan toegevoegd en zet het mengsel uit. Dat zorgt voor de aandrijving.

© Shutterstock

Amerikanen krijgen het moeilijk

Het rapport van de bemanning van de B-29, die licht beschadigd was, bezorgde de Amerikaanse generaals hoofdbrekens.

Hoewel de beschrijving van het vreemde toestel niet aansloot bij de vliegtuigen die boven Korea opereerden, moest het om een Russische MiG-15 gaan, stelde de inlichtingendienst vast.

En de Amerikanen wisten dat dat toestel beter was dan alle VN-vliegtuigen in Korea. De MiG-15 was genoemd naar zijn bouwers, Artjom Mikojan en Michail Goerevitsj, en was een fraai staaltje techniek.

De straalmotor zorgde voor een topsnelheid van meer dan 1000 km/h, en dankzij de lichte constructie kon hij sneller klimmen dan enig ander toestel.

De pure kracht was een bijzondere ervaring voor de piloten: ‘De MiG-15 overtrof onze stoutste verwachtingen. Na een duwtje tegen de gashendel schoot hij weg als een pijl, en in een paar seconden steeg hij op. De hoogtemeter klom razendsnel tientallen meters,’ zei een piloot.

Aanvankelijk zetten de Russen zo’n 50 MiG’s in, die door Russische en Chinese piloten werden gevlogen.

Het was niet de bedoeling dat zij Amerikaanse jagers aanvielen: ze hadden het gemunt op de grote B-29’s en moesten voorkomen dat die Noord-Korea bombardeerden.

Op 9 en 10 november 1950 haalden MiG’s twee B-29’s neer, en in de rest van november werden nog vijf van deze enorme bommenwerpers uit de lucht geschoten.

Voor de VN was het helder: de Amerikaanse piloten waren kansloos tegenover de nieuwe vijandelijke jager, en dat deed het moreel geen goed.

‘De MiG-15 overtrof onze stoutste verwachtingen.’ Russische piloot over zijn MiG.

‘Wij F-84-escortepiloten hadden het er heel moeilijk mee dat we de MiG’s niet op afstand konden houden,’ zei de Amerikaanse piloot Edward F. Unser.

De MiG’s vielen vooral van boven aan, en in een poging de gevaarlijke duikvluchten te pareren, namen de Amerikanen een tactiek in gebruik die ze top cover noemden.

Hierbij vlogen de escortevliegtuigen op vier verschillende hoogten boven de bommenwerpers. De bovenste groep zat op 35.000 voet hoogte, de onderste op 5000 voet.

Als de bovenste piloten de vijandelijke MiG-straaljagers zagen duiken met bijna de snelheid van het geluid, waarschuwden ze de toestellen onder hen via de radio.

Zo konden die reageren op de razendsnelle acties en de vijandelijke piloten onder vuur nemen wanneer die dichtbij genoeg waren.

Deze tactiek alleen was echter niet toereikend: de piloten hadden ook nieuw materieel nodig. En gelukkig hadden de Amerikanen dat.

Een snelle manoeuvre kon het verschil tussen leven en dood maken voor de straaljagerpiloten. De rollen van jager en prooi werden voortdurend omgedraaid als de vliegtuigen met 1000 km/h hun duels uitvochten.

De piloten moesten een gunstige positie achter de vijand zien in te nemen (‘zes uur’) om het beslissende salvo te kunnen afvuren.

© Shutterstock

Leader en wingman splitsen zich op

  1. Normaal vlogen de piloten in duo’s, met een leader en een wingman die de leider beschermde. Bij een klassieke uitwijkmanoeuvre van een achtervolgd duo draaide de leader naar rechts en klom hij, terwijl zijn wingman naar links draaide en daalde.

  2. In deze situatie moest de vijand in een fractie van een seconde beslissen wie hij ging achtervolgen.

  3. Zodra hij die keuze had gemaakt, keerde het vliegtuig dat niet achtervolgd werd om en ging het achter de vijand aan. Nu was de aanvaller in het defensief gedrongen.

© Shutterstock

Piloten maken een sandwich

  1. De leader kon ook naar de zijkant draaien om een verdedigende actie in een aanval om te zetten.

  2. De leader kon ook naar de zijkant draaien om een verdedigende actie in een aanval om te zetten.

  3. De wingman hield de situatie scherp in de gaten. Als de vijand de leader volgde, moest hij meteen zijn toestel omdraaien en de achtervolging inzetten. Als deze tactiek slaagde, werd de vijand in een zogeheten sandwich genomen en liep hij een groot risico om neergehaald te worden.

VS komen met eigen supervliegtuig

Terwijl de Russische vliegtuigbouwers eind jaren 1940 aan de MiG werkten, hadden de Amerikanen ook niet stilgezeten.

Het resultaat was de F-86 Sabre, door de piloot James Low beschreven als een ‘mooi vliegtuig dat de piloot bijna als een jas kan aantrekken’.

Al eind november 1950 brachten vliegdekschepen splinternieuwe F-86’s naar Noord-Korea. Ze werden gestationeerd op de basis Gimpo even ten zuiden van de 38e breedtegraad.

De piloten verbleven in barakken die niet echt warm werden in de winterkou. ’s Ochtends stonden ze te popelen om in actie te komen om het weer een beetje warm te krijgen.

Op de ochtendbriefing kregen ze hun missie voor de dag te horen – meestal een escorte of patrouille – en daarna stegen ze snel achter elkaar op.

Terwijl de legers op de grond de Eerste Wereldoorlog dunnetjes overdeden in hun loopgraven, maakten de piloten in hun straaljagers een technische en tactische revolutie mee.

Op 17 december 1950 troffen de Sabre en de MiG elkaar voor het eerst in een luchtduel. Luitenant-kolonel Bruce Hinton leidde vier F-86’s, die een dogfight met de vijand moesten uitlokken, de Amerikaanse term voor een luchtduel.

Daartoe vlogen Hinton en zijn drie collega’s met lage snelheid om zich voor te doen als F-80’s, die een makkelijke prooi waren voor MiG’s. De Russen trapten erin.

De Amerikanen stuitten op vier MiG’s, die pas onraad roken toen de piloten van de F-86’s vol gas gaven en zich achter de Russen positioneerden.

De overrompelde vijanden deelden zich op om te ontkomen, maar Hinton zette de achtervolging in op een van de MiG’s.

Toen hij op 300 meter afstand was, opende hij het vuur. De MiG raakte snelheid kwijt terwijl de rook uit gaten in de romp kwam.

Hinton vuurde nog een salvo af, en zag ‘dat het toestel gehuld raakte in lange, felle vlammen’. Daarna stortte de Rus in een spin neer.

Hinton had het eerste luchtduel van een F-86 tegen een MiG gewonnen. Maar de strijd boven Korea was nog niet gestreden.

De piloten probeerden op de staart van hun tegenstander te komen.

© Osprey Publishing

Communisten voeren de strijd op

De Russen en Chinezen raakten niet in paniek van de komst van de Sabres.

Hun MiG’s waren eraan gewaagd, en van november 1950 tot mei 1951 bouwden de communisten hun luchtvloot sterk uit: ze begonnen met 50 straaljagers en hadden er uiteindelijk 445.

De MiG’s opereerden vanuit bases die onbereikbaar waren voor de Amerikanen omdat ze aan de overkant van de Yalu lagen, in China.

De VN-troepen hadden geen mandaat om op Chinees grondgebied te opereren, dus de Russische toestellen stonden veilig geparkeerd vlak over de grens.

Daarvandaan konden ze het noordwesten van Noord-Korea bestrijken, dat bekend kwam te staan als MiG Alley omdat de Russische piloten bijna alleen daar aanvielen.

Pas in het najaar van 1951 begonnen de vele MiG’s de Amerikanen zware verliezen toe te brengen.

Dinsdag 23 oktober was een zwarte dag: negen B-29-bommenwerpers naderden met een escorte van 34 F-86’s en 55 F-84’s de Noord-Koreaanse basis Namsi.

Zodra de Russische radarsystemen de vloot vijandelijke vliegtuigen opgepikt hadden, stegen er wel 84 MiG’s op, met vooral Russen aan de stuurknuppel.

Majoor Dmitri Oskin leidde een squadron van 18 straaljagers, die al snel contact maakten met de vijand.

De 31-jarige majoor opende eerst de aanval op een F-86, maar staakte die toen zijn wingman ‘bakbeesten aan de rechterkant’ meldde: B-29’s.

‘Aan iedereen: val die bakbeesten aan!’ riep Oskin over de radio, waarna hij een draai maakte en met zijn machinekanonnen een salvo afvuurde op een B-29, die in brand vloog.

Ondertussen stortte wingman Dmitri Samojlov zich op een Amerikaanse F-84, die de straaljager van Oskin van achteren wilde aanvallen.

Na een fel luchtgevecht, waarin Oskin met een klinische precisie nog een B-29 uitschakelde, vlogen de Russen met vrijwel lege brandstoftanks naar huis.

In totaal raakten de Amerikanen zes B-29’s kwijt op deze dag in oktober, die later ‘zwarte dinsdag’ werd genoemd.

De luchtslag, de grootste van de Koreaoorlog, maakte duidelijk dat zelfs een grote groep escortevliegtuigen de bommenwerpers niet tegen MiG’s kon beschermen.

In de rest van de oorlog vlogen de Superfortresses alleen ’s nachts.

Met 22 zeges haalde majoor Nikolaj Soetjagin de meeste vijanden neer.

© Historie Arkiv

Stalin stuurde piloten

Toen de VN-coalitie in het begin van de Koreaoorlog de Noord-Koreaanse luchtmacht had uitgeschakeld, schoot Stalin zijn communistische bondgenoot te hulp.

Officieel waren er geen piloten uit de Sovjet-Unie aanwezig in Noord-Korea, want Stalin wilde een rechtstreekse confrontatie met de VS uit de weg gaan.

Daarom droegen de Russische piloten een Chinees uniform. De MiG-piloten hadden strenge instructies om over de radio uit hun hoofd geleerde Chinese zinnen te gebruiken.

Maar als ze met bijna 1000 km/h in een luchtduel verwikkeld waren, nam hun instinct het over en gingen ze Russisch praten.

De Amerikanen vingen dat op en hadden door wat er gaande was. Maar ook zij waren niet uit op de Derde Wereldoorlog, en de politici besloten het Russische geheim niet te verklappen.

Straaljagerpiloten willen winnen

Toen er overdag geen grote bombardementen meer werden uitgevoerd, daalde het aantal verliezen sterk.

De Amerikanen bleven echter bij daglicht bombarderen met jachtbommenwerpers, zoals op 2 november 1951, toen George L. Jones en Richard Pincoski met succes een groep van deze toestellen verdedigden.

Ze haalden samen een MiG neer en schreven zo ieder een halve overwinning op hun conto. Alle piloten droomden van het behalen van vijf overwinningen, waarna ze officieel ‘vliegende aas’ waren.

Maar dat was een race tegen de klok, want de Amerikaanse piloten dienden maar zes maanden en werden dan vervangen.

Daarom brachten ze hun tijd liever niet op de grond door. Gimpo was een troosteloze plek tussen de rijstvelden, en de mannen konden alleen poker en gin rummy spelen.

Dat deden ze om geld, want ze kregen 60 dollar per maand en twee flessen Old Methusalem-whisky.

De jonge piloten waren dan ook dolblij als ze in actie konden komen. Ze moesten vaak patrouilles uitvoeren van 45 tot 90 minuten, waarbij ze zelden een vijand tegenkwamen.

De 26-jarige James Low uit Californië was een van de weinigen die op hun eerste dag in de lucht een zege behaalden.

‘Ik vond het fantastisch – het vliegen, het schieten. Ik was te jong om aan de achterliggende politiek te denken. We waren hier om te werken,’ merkte Low na de oorlog op.

‘Ik vond het fantastisch – het vliegen, het schieten.’ Piloot James Low over de luchtduels.

Voor de Sabre-piloten was een MiG de absolute hoofdprijs. De piloten waren haast bezeten van de vijandelijke straaljagers en spraken zelfs van MiG Madness.

De piloten waren bereid onverantwoorde risico’s te nemen voor de kans een MiG neer te schieten en haalden daar soms halsbrekende toeren voor uit.

Dat deden ook Joe Cannon en Iven ‘Kinch’ Kincheloe, die op 2 april 1952 drie vijandelijke straaljagers in het oog kregen bij de Yalu.

‘We doken op hen af. Kinch schoot er een neer terwijl we door hun formatie bulderden. Dat was niet het slimste wat we ooit hebben gedaan. Ik vloog zo dicht op een MiG dat ik de piloot recht in de ogen keek en zag dat hij een stofhelm droeg,’ aldus Joe Cannon.

In de wirwar van Amerikaanse en Russische straaljagers wist ook Cannon zich achter een MiG te positioneren en die in brand te schieten.

En de dogfight was nog niet voorbij: ‘Op dat moment riep Kinch: “Draai naar links!” Toen ik een scherpe bocht maakte en mijn hoofd draaide om te kijken wie er achter me zat, vloog alles in de fik. De MiG-piloot schoot mijn zuurstofapparaat van mijn gezicht, halveerde mijn vleugel en doorboorde mijn staartroer.’

Op wonderbaarlijke wijze, en alleen dankzij de steun van zijn landgenoot, wist Cannon zijn straaljager in de lucht te houden en bracht hij het er levend vanaf.

Met hun MiG Madness hadden Cannon en Kincheloe toch maar weer twee overwinningen behaald.

In de VS veranderde No Kum-sok zijn naam in Kenneth H. Rowe en werd hij elektro-ingenieur.

© Imageselect

Noord-Koreaanse overloper bezorgde de VS een MiG

Sinds de Amerikanen in november 1950 kennismaakten met de MiG-15 boven Noord-Korea, vergaarde het leger informatie over de Russische straaljager.

Er werd een beloning van 100.000 dollar uitgeloofd voor degene die de Amerikanen een exemplaar van het toestel kon bezorgen.

Een intacte MiG kregen de VS niet tijdens de Koreaoorlog, maar in september 1953, twee maanden nadat de wapenstilstand was gesloten, kreeg de bemanning van de basis Gimpo onverwacht bezoek: de Noord-Koreaanse piloot No Kum-sok zette zijn toestel op de landingsbaan.

De Noord-Koreaan wilde eigenlijk alleen maar overlopen naar het Westen, maar dat deed hij in een geheel functionele MiG-15.

Het toestel werd zorgvuldig onderzocht door deskundigen en getest door piloten. Zo bracht de Amerikaanse luchtmacht het vliegtuigtype tot in detail in kaart.

De testpiloten noemden het een ‘prachtige machine’ en begrepen wel waarom de Russische straaljager zo’n uitdaging was geweest voor de Amerikaanse F-86 Sabre.

No Kum-sok was niet op de hoogte van de beloning van 100.000 dollar, maar kreeg hem toch en mocht als politiek vluchteling naar de VS komen.

Zijn actie maakte echter ook slachtoffers: vijf van No’s collega’s van de luchtmacht werden geëxecuteerd.

Communisten zijn slecht getraind

In 1952 en 1953 zagen de statistieken er goed uit voor de VN-piloten, hoewel ze maar zo’n 150 Sabres hadden tegenover de 800 MiG’s van de vijand.

De Amerikanen hadden een beslissend voordeel doordat de ervaren Russische piloten vanaf eind 1951 ofwel waren gesneuveld, ofwel teruggehaald.

Ze waren vervangen door Chinezen en Noord-Koreanen zonder training en ervaring. De Amerikanen en hun bondgenoten werden juist uitgebreid getraind voor ze naar Korea werden gestuurd.

De Sabre- piloten oefenden uitgebreid in duels en in vuren met precisie, en die training was doorslaggevend in de gevechten in de lucht met 1000 km/h.

Er zat maar 11 seconden tussen het moment dat de piloten elkaar op 5 kilometer afstand in het oog kregen en het duel. Ze moesten razendsnel denken, en dat vergde vele uren van oefenen onder hoge druk.

Al in 1951 had een Amerikaans rapport gemeld dat zeker de helft van de vijandelijke piloten hun MiG niet onder controle had, en er kwamen steeds meer onbekwame piloten bij.

‘De tactieken van de MiG-piloten waren zo belabberd dat je dacht dat ze op oefening waren,’ zei de piloot John Glenn in 1953. Later werd hij de eerste Amerikaan in een baan om de aarde.

Volgens de Amerikaanse straaljager-piloten speelde hun eigen agressieve tactiek ook een belangrijke rol. De jonge vliegeniers wilden zichzelf graag bewijzen en namen daarom het initiatief in de luchtduels.

Ze moesten daarvoor wel uit het juiste hout gesneden zijn, en het motto van de 4th Fighter Wing, de eenheid van George L. Jones en James Low, luidde niet voor niets: ‘Je hoeft niet gestoord te zijn, maar het helpt wel.’

‘Je hoef niet gek te zijn om straaljagerpiloot te zijn, maar het helpt wel’ Mottoet i 4th Fighter Wing

Wapenstilstand beëindigt de oorlog

Onder meer vanwege het Amerikaanse overwicht in de lucht zag Kim Il-sung zich juli 1953 gedwongen een wapenstilstand te accepteren. Korea werd langs de 38e breedtegraad opgedeeld.

Voor de VN-troepen en Zuid-Koreanen op de grond was de luchtsteun zeer waardevol geweest, en volgens de soldaten hadden ze Zuid-Korea niet kunnen heroveren zonder de zwerm van bommenwerpers en straaljagers in de lucht.

De VN-strijdkrachten vlogen dan ook maar liefst 1.040.708 missies in de drie jaar dat de oorlog duurde.

Ook de bevelhebbers van de luchtmacht wisten zeker dat de laatste grote acties in mei en juni 1953 beslissend waren geweest.

Toen was een aantal dammen gebombardeerd die van groot belang waren voor de rijstproductie van Noord-Korea.

Het vooruitzicht dat de infrastructuur van zijn land compleet verwoest zou worden omdat de Amerikanen heer en meester waren in het luchtruim, zou Kim Il-sung uiteindelijk over de streep getrokken hebben.

Terwijl de Koreaoorlog feitelijk onbeslist eindigde en de grens tussen Noord- en Zuid-Korea nauwelijks veranderd was, konden de Amerikanen zeker zeggen dat zij de luchtoorlog gewonnen hadden.

De twee nieuwe straaljagers waren behoorlijk aan elkaar gewaagd, maar de Amerikanen trokken aan het langste eind.

De F-86’s schoten 566 MiG’s neer, terwijl de Amerikanen maar iets meer dan 100 Sabres verloren.

George L. Jones en James Low konden met opgeheven hoofd naar huis. Met respectievelijk 6,5 en 5 overwinningen op MiG’s waren ze beiden officieel een vliegende aas.

En belangrijker nog: ze hadden het er levend van afgebracht.