Duitse soldaten halsoverkop gevlucht

Een Duitse bemanning raakte in de Eerste Wereldoorlog haar schip kwijt en sloeg op de vlucht. De mannen waren zes maanden onderweg en legden meer dan 11.000 kilometer af.

Een Duitse bemanning raakte in de Eerste Wereldoorlog haar schip kwijt en sloeg op de vlucht. De mannen waren zes maanden onderweg en legden meer dan 11.000 kilometer af.

Aan het begin van de Eerste Wereldoorlog bracht de Duitse kruiser Emden diverse schepen in de Indische Oceaan tot zinken. Op 9 november 1914 gingen 50 matrozen aan land op het kleine Australische eilandje Direction Island. Onder leiding van kapitein-luitenant Hellmuth von Mücke vielen ze het telegraafstation aan.

Maar de Emden werd door een Australische pantserkruiser aangevallen. De Duitsers moesten toezien hoe hun schip door de kanonskogels werd verwoest. Maar ze gaven zich niet over, ze vluchtten 11.000 kilometer de halve aardbol rond.

Eerst enterden de mannen een witte schoener, de Ayesha, die in een lagune voor anker lag. ‘Veel succes, de scheepsromp is een zeef,’ waarschuwde de kapitein. Na een paar mijl werd duidelijk dat het houtwerk verrot was en dat het schip nauwelijks nog kon drijven.

© IWM/Wikimedia

De mannen waren dag en nacht in touw om de drijvende doodskist enigszins te herstellen en slaagden erin het vaartuig naar Padang in Nederlands-Indië te navigeren, waar de bemanning op 14 december 1914 een vrachtschip nam naar Al Hudaydah op het Arabisch Schiereiland.

De matrozen wilden een trein nemen naar Constantinopel (nu Istanboel) in het met Duitsland geallieerde Ottomaanse Rijk. En was de vlucht erheen al uitputtend, het zou nog veel erger worden.

De spoorweg was namelijk nog niet af, dus in januari moesten de Duitsers per kameel de brandende woestijn door. In Sanaa, de hoofdstad van Jemen, was de weg geblokkeerd door vijandelijke troepen, dus de karavaan moest vervolgens te voet naar Al Hudaydah terug.

Het gezelschap voer nu de Rode Zee op met twee visserssloepen. Toen een van de bootjes op een koraalrif liep en zonk, zetten de mannen hun odyssee als haringen in een ton in één boot voort. Maar Britse schepen versperden de weg, dus de Duitsers moesten aan land gaan bij Djedda in Saoedi-Arabië.

In een latere kamelenkaravaan werden de mannen overvallen door bedoeïenen, en drie Duitsers kwamen om. Pas toen de nu uitgemergelde matrozen van Von Mücke in mei 1915 op een trein konden springen in de plaats Al ’Ula zat het ze eens mee. Met wel 30 km/h reisden ze naar het noorden, en op 23 mei 1915 bereikten ze Constantinopel.

Zes mannen hadden de zes maanden durende, uitputtende vlucht niet overleefd. Maar eindelijk kon Von Mücke zich bij zijn bazen melden: ‘Staat u mij toe om te melden dat de landingstroepen van de Emden thans aanwezig zijn.’