Vóór de gevangenis luidde het vonnis: Pijn en vernedering

Een hoofdstel voor brutale vrouwen, afgehakte handen voor diefstal en een brandmerk voor dronkenlappen – eeuwenlang kregen wetsovertreders lijfstraffen. En na de pijn kwam de schaamte.

Een hoofdstel voor brutale vrouwen, afgehakte handen voor diefstal en een brandmerk voor dronkenlappen – eeuwenlang kregen wetsovertreders lijfstraffen. En na de pijn kwam de schaamte.

Granger/Imageselect

Moordenaars en struikrovers eindigden aan de galg, terwijl landverraders werden doodgemarteld. Tot in de 19e eeuw, toen er gevangenissen kwamen, was de doodstraf dé manier om van zware criminelen af te komen. Maar er waren ook mildere straffen nodig om tucht en orde te handhaven.

Veel landen maakten gebruik van deportatie en lijfstraffen. Zweepslagen, brandmerken en dergelijke waren vooral bedoeld om de veroordeelde van nieuwe overtredingen te weerhouden, maar de straf werd meestal voltrokken op het marktplein of een andere openbare plek, waardoor ook de rest van de bevolking werd gewaarschuwd. De straf was niet alleen pijnlijk, maar meestal ook zwaar vernederend.

1. Kwijlen met open mond

Hoofdstel legde vrouwen het zwijgen op

Vaak kregen vrouwen het hoofdstel op op verzoek van hun man.

© Granger/Imageselect

Een masker met de naam scold’s bridle werd in het 17e-eeuwse Engeland en Schotland gebruikt. Een bridle is een hoofdstel zoals voor een paard, en scold was een brutale vrouw die niet op haar mondje gevallen was. Alleen de scold’s bridle kon haar het zwijgen opleggen.

Dit ijzeren hoofdstel werd vaak toegepast bij verwarde vrouwen die de openbare orde verstoorden met geschreeuw. Het was een uiterst vervelende straf, want de scold’s bridle had een bit – een vlak of rond stuk ijzer – dat nauwelijks in de mond paste.

Met het bit kon de veroordeelde niet praten, want haar mond werd opengesperd. Er bestonden ook versies waarbij er een scherpe punt op het bit zat, die het pijnlijk maakte om de tong te bewegen.

Met dit hoofdstel kon een vrouw ook niet slikken, waardoor kwijlen onvermijdelijk was. De gestrafte had niet alleen pijnlijke kaken, maar werd ook vernederd door haar door de straten te slepen of in het schandblok te zetten met de scold’s bridle op.

2. Een juk met stenen

Echtbrekers zeulden stenen

‘Stadstenen’ waren zwaar en vervelend om over je nek te dragen.

© Torgén, Per/Örebro läns museum & Shutterstock

In de middeleeuwen trad het stadsbestuur van Stockholm in Zweden hard op tegen echtbreuk. Overspelige vrouwen werden gestraft met de ‘stadstenen’: twee 13 kilo zware stenen, verbonden met een ijzeren ketting.

De stenen moesten over de nek gedragen worden tijdens een walk of shame door de stad. Deze vernederende straf kwam in meerdere landen voor en werd ook wel toegepast voor andere misdrijven.

In augustus 1475 keken de Stockholmers toe hoe ene Ärmgard de stenen door de straten sleepte. De man met wie Ärmgard haar echtgenoot had bedrogen, kwam er makkelijker vanaf. Deze ‘Kleine Anders’ kreeg een flinke boete opgelegd.

Ärmgard had er wellicht ook met een boete vanaf kunnen komen, maar waarschijnlijk weigerde haar gekrenkte echtgenoot te betalen. En omdat vrouwen in de middeleeuwen geen eigen geld hadden, moest ze de vernederende wandeling maken. Als Kleine Anders ook niet betaald zou hebben, had Ärmgard hem volgens de wet achter zich aan moeten trekken met een touw aan zijn geslachtsdeel.

3. Letter op je hoofd

Op dronkenschap en blasfemie stond brandmerken

De beul plantte zijn gloeiende ijzer vaak in het voorhoofd van de veroordeelde.

© Internet Archive Book Images

De zelfverklaarde Engelse profeet James Nayler reed in 1656 door de straten van Bristol op een paard. Hij wilde de intocht van Jezus in Jeruzalem dunnetjes overdoen. Nayler was een quaker, en zijn poging volgelingen te werven leverde hem een vonnis wegens godslastering op.

De beul sloeg eerst een gloeiende spijker door zijn tong en brandmerkte Nayler vervolgens op zijn voorhoofd met de B van blasfemie.

Veel misdaden konden met een brandmerk bestraft worden, en aan de letter was te zien wat de gestrafte had misdaan.

In Amerika gebruikten de kolonisten bijna het hele alfabet om overtreders publiekelijk te kijk te zetten. Zuiplappen kregen met een gloeiend ijzer een D van drunkenness in hun huid gebrand.

In Frankrijk moesten misdadigers roeien in de galeien van de admiraliteit. Tot aan 1832 brandmerkten de autoriteiten hen met de letters GAL. Misdadigers die voor straf op het land moesten zwoegen, kregen het brandmerk TF van travaux forcés (dwangarbeid).

4. Geslagen door kameraden

Spitsroeden lopen had vele beulen

De militaire straf spitsroeden lopen is meer dan 2000 jaar oud.

© Før og Nu, Historisk, topografisk tidsskrift og illustrationsværk

Als een soldaat in de 17e en 18e eeuw niet kwam opdagen voor dienst, werd hij gestraft door de kameraden die hij in de steek had gelaten. Met ontbloot bovenlijf en zijn armen op de rug gebonden moest de overtreder tussen twee rijen van soldaten door lopen, die orders hadden om hem te slaan.

Terwijl hij met stokken en takken werd bewerkt, liep een officier met getrokken degen voor hem uit. Door het wapen op de borst van de gestrafte te richten, voorkwam hij dat die ging rennen.

Achter de soldaten stonden officieren klaar om soldaten die niet sloegen te disciplineren. De gangbaarste straf was drie keer spitsroeden lopen tussen 300 man, waarbij de asociale soldaat dus 900 keer geslagen werd.

De straf werd als eervoller beschouwd dan bijvoorbeeld zweepslagen, want de soldaat kon blijven staan en de pijn als een man dragen. In oorlogstijd was de straf voor wegblijven negen keer spitsroeden lopen ofwel 2700 slagen. Dat stond gelijk aan een doodvonnis.

5. Wrede straf op zee

Matrozen vielen uit de mast

Op marine- en koopvaardijschepen heerste een kadaverdiscipline.

© Bettmann/Getty Images

Nederlandse kapiteins bedachten de straf ‘van de ra vallen’ om ongehoorzame zeelieden een lesje te leren. De ra is de houten dwarsbalk waaraan het grote zeil is bevestigd.

Om te voorkomen dat de veroordeelde zich vastklampte aan de ra, kreeg hij een touw om zijn middel en werd hij door de bemanning opgehesen. Als hij 20 meter boven zee bungelde, lieten de mannen het touw los en stortte de overtreder in zee.

Als je van zo’n hoogte valt, is de zeespiegel net zo hard als de grond, tenzij je in een perfecte hoek terechtkomt. Omdat de meeste mensen niet konden zwemmen, werd de onruststoker met behulp van het touw om zijn middel weer opgehesen.

In 1632 werden twee opvarenden van de Oostindiëvaarder Zutphen veroordeeld tot deze gevaarlijke straf. Ze hadden een slapende collega voor paal gezet door zijn gezicht en geslachtsdeel met roet en olie in te smeren. Beiden overleefden de beproeving.

6. Littekens op je rug

Zout in de wonden gestrooid

Mannen en vrouwen konden zweepslagen krijgen aan de kaak.

© Google Books

Zweepslagen werden vaak toegediend terwijl de misdadiger vastgebonden was aan een schandpaal, ook wel kaak genoemd. Daar komt de uitdrukking ‘aan de kaak stellen’ vandaan.

In sommige landen werd de veroordeelde met de hals aan de kaak gebonden, op andere plaatsen met zijn handen – zo hoog dat hij op zijn tenen moest staan.

Zo werd de rug uitgestrekt en kon de beul zich uitleven met een zweep, een stok of een takkenbundel. Voor een extra zware afstraffing werden die takken in zout water gedoopt, zodat de bloederige wonden nog meer pijn deden.

De pijn was bijna ondraaglijk, en de veroordeelde hield er bovendien lelijke littekens op zijn rug aan over. De rest van zijn leven kon iedereen zien dat hij ooit een misdaad had gepleegd.

7. Houd hem vast terwijl ik hak

Handen en neuzen vlogen in de rondte

Vroeger amputeerden beulen meer lichaamsdelen dan artsen.

© Luisa Ricciarini/Bridgeman Images

Na de doodstraf werd amputatie gezien als het zwaarste vonnis. Het was niet alleen pijnlijk als een lichaamsdeel werd afgehakt, maar de gestrafte die zijn neus, een oor of een hand kwijt was, moest ook leven met de schande.

Alleen ernstige overtredingen werden met amputatie bestraft, maar ‘ernstig’ was een rekbaar begrip.

Zo staat in een Deense wet uit 1214 over valsemunterij:

‘Als een man zwendel pleegt, is zijn hand voor de koning.’

Middeleeuwse beulen hakten het liefst handen af, maar misdadigers konden ook andere lichaamsdelen verliezen. Bij dieven werd vaak de neus of een oor afgesneden.

Onder keizer Frederik de Grote (1740-1786) raakten overspelige vrouwen in Pruisen hun neus kwijt – een gebruik dat terugging tot het Oost-Romeinse Rijk en de Arabische en Indiase cultuur. Volgens schriftelijke bronnen werden er tot eind 18e eeuw oren afgesneden in enkele Britse koloniën in Amerika.

8. Te paard

Pijn in het kruis was extra vernedering

In 1864 beeldde de kunstenaar A.W. Warren een Uniesoldaat op het strafpaard af.

© www.sonofthesouth.net

Een ‘ritje’ op het strafpaard was een van de makkelijkst te voltrekken straffen en kwam daarom veel voor. Een veroordeelde werd op een houten paard of gewoon een rechtopstaande plank met de benen aan weerszijden gezet.

De boosdoener moest een uur of langer blijven zitten, terwijl de scherpe rand van de plank zich in zijn of haar kruis boorde. Voor extra pijn werden er soms stenen aan de benen gehangen.

Deze pijnlijke straf voor mannen en vrouwen kwam uit Zuid-Europa: tijdens de Spaanse Inquisitie in de 16e eeuw werden er vooral vrouwen mee gemarteld. Ze moesten naakt plaatsnemen op een houten paard, in sommige gevallen voorzien van spijkers. Ze overleden na de marteling vaak aan een infectie.

Eind 18e eeuw mocht de Amerikaanse generaal George Washington de straf graag toepassen om zijn troepen te disciplineren, en het strafpaard was ook decennia later, tijdens de Amerikaanse Burgeroorlog, nog in gebruik.

9. Rotte eieren en speekselklodders

Kruimeldief werd bespot

10. Aangestaard in de kerk

Schaamstraf werd verboden na moord

In Zweden moesten gevallen vrouwen boete doen door in de kerk op het ‘schaambankje’ te staan.

© Russell-Cotes Art Gallery/Bridgeman Images

Als een ongetrouwde vrouw in het 18e-eeuwse Scandinavië gemeenschap had gehad, kreeg ze niet alleen een hoge boete: ze moest haar zonde in de kerk, ten overstaan van de hele gemeente, bekennen. Vooral als ze zwanger was geraakt of het buitenechtelijke kind al was geboren, was een straf onvermijdelijk.

Als de vader van het kind daarnaast deed of zijn neus bloedde en de verhouding ontkende, liep ze – naast de openbare vernedering – het risico om nooit van haar leven te trouwen, want niemand wilde een gevallen vrouw als echtgenote. In het vooruitzicht op een leven in armoede als verstoteling pleegde een vrouw soms uit wanhoop een veel ergere misdaad: ze vermoordde het kind en verborg het lijkje.

Het was juist de bedoeling dat de kerkgemeente haar na de bekentenis weer in de armen zou sluiten, maar dat gebeurde zelden. In Zweden en Finland verbood de koning deze ‘kerkplicht’ in 1741. Hij wilde daarmee het schrikbarende aantal kindermoorden in zijn rijk beperken.