Sluipschutters en een enorm medialeger belagen de Kreditbank aan Norrmalmstorg van alle kanten.

© Scanpix

Stockholmsyndroom: Zweedse gijzelaars beschermden zware criminelen

Een overval op de Kreditbank in Stockholm in 1973 loopt uit op een gijzeldrama. Twee criminelen gijzelen vier mensen in een kluis. Hoewel ze honger en dorst lijden en doodsangsten uitstaan, voelen ze mee met hun belagers en wantrouwen ze de politie.

20 februari 2018 door Michael Larsen

Dag 1

‘Het feest is begonnen’

Een bijna twee meter lange, gespierde man van 32 jaar trekt dunne zwarte handschoenen aan. Hij haalt nog eens diep adem en loopt de kleine toiletruimte van de krantenkiosk op het plein uit, waar hij zich heeft vermomd.

Het is donderdagmorgen 23 augustus 1973, om een uur of 10. Over drie weken gaan de Zweden naar de stembus, en koning Gustaaf Adolf VI ligt op sterven. Maar wat er staat te
gebeuren zal alle Zweden de verkiezingen en hun stervende koning doen vergeten.

Jan Erik Olsson, bijgenaamd ‘Janne’, heeft zijn gezicht bruin geschminkt. Hij draagt een zwarte pruik, een valse snor en een zonnebril en loopt naar Sveriges Kreditbank op de hoek van Norrmalmstorg en Hamngata, in het centrum van Stockholm. 

Onder zijn jas houdt hij een geladen machinegeweer verborgen, maar de loop steekt onder zijn jas uit.

Hij heeft net de film The Getaway met Steve McQueen in de bioscoop gezien en met de beelden nog in zijn hoofd gaat hij achter een rijtje wachtenden voor de hoofdkas staan. 

In The Getaway zijn de overvallers de helden. Niemand weet wie Olsson is, of wat hij van plan is. En dat is ook de bedoeling. 

Deze overval is zorgvuldig gepland, maar tegelijkertijd erg gewaagd. Olsson wil een aantal mensen gijzelen en een grote som aan losgeld eisen. 

En dan kan hij zijn troef uitspelen: zijn laatste eis. Hij is gespannen, maar niet nerveus als hij het geweer tevoorschijn haalt. Olsson schiet vijf, zes keer in de lucht en schreeuwt in het Engels: ‘Het feest is begonnen. Allemaal op de grond.’

Rondvliegende kogels

Als het machinegeweer ratelt en de kogels iedereen om de oren vliegen, zoeken de klanten en het personeel een veilig heenkomen. 

Olsson springt achter de balie en sommeert vier bankmedewerkers, die liggen te trillen op de grond, te gaan staan; het zijn drie jonge vrouwen en een man. 

Door dit toeval verandert het leven van deze mensen voor altijd. Jaren later hebben ze nog nachtmerries over schoten, de dood en het geluid van een pneumatische boor.

Plotseling verschijnt een bankmedewerker achter een glazen deur en Olsson vuurt meteen een paar kogels op hem af. De medewerker springt net op tijd weg. De mannelijke gijzelaar moet de vrouwen vastbinden met een touw uit Olssons tas. 

In het midden van het grote, oude bankgebouw met marmeren pilaren bevindt zich een trap die het achterste deel van de bank aan het zicht onttrekt. 

De trap loopt naar de directiekamers boven. Links van de hoofdkas ziet Olsson een ruimte van ongeveer 40 vierkante meter met honderden kleine kluisjes voor de klanten van de bank.

De ruimte ligt in de hoek van het gebouw, heeft geen ramen en je kunt er alleen komen via twee massieve kluisdeuren. Olsson gebruikt de vrouwen als schild terwijl hij zich oriënteert. 

Een aantal bankmedewerkers heeft zich onder de tafels achter de hoofdkas verstopt. Als de politie komt, kunnen er onschuldige slachtoffers vallen. 

Dat is het eerste gegeven dat een band schept tussen de gijzelaars en de gijzelnemer. Olssons keuze om de vrouwen als schild te gebruiken is cynisch, maar logisch.

Een van hen, Elisabeth Oldgren, gilt als ze plotseling rechercheur Ingemar Warpefelt ziet staan, die zijn Walther op Olsson richt. Deze kan in zijn eentje niet alles in de gaten houden. 

De bank heeft twee ingangen, en inmiddels is in de directiekamers boven een grote politie-eenheid druk bezig om een commandocentrum in te richten. Warpefelt is zachtjes de grote trap af geslopen. Olsson draait zich om.

‘Ben jij een Zweedse agent?’ vraagt hij in het Engels. Olsson wacht het antwoord niet af en schiet twee keer. Het eerste schot is een waarschuwing. Het tweede treft Warpefelt in zijn hand. De kogel rijt zijn hand open en geschrokken rent de rechercheur de trap weer op.

Als er al twijfels waren over Olsson, dan zijn die nu weg: hij meent het serieus. 

Mannelijke gijzelaar vlucht

‘Blijf kalm’, zegt Olsson tegen de gijzelaars, ‘dan gebeurt er niets.’ Hij inspecteert snel de kluis waar hij zich heeft verschanst met de 23-jarige Kristin Ehnmark, de 31-jarige Birgitta Lundblad en Elisabeth Oldgren, die net 21 is geworden. 

De rechthoekige kluis bestaat uit drie compartimenten en is eenvoudig ingericht met enkele stoelen en schrijftafels. Olsson vraagt de vrouwen wat voor werk ze doen, waar de in- en uitgangen zijn en hoe de politie de kluis zou kunnen bestormen.

Vervolgens geeft hij de mannelijke bankmedewerker opdracht om een ongewapende agent uit de directiekamer te halen. Om 11.30 uur staat Morgan Rylander, een 32-jarige rechercheur van de narcoticabrigade, op de trap. 

Maar Rylander heeft geen toestemming om te onderhandelen en Olsson legt daarom zijn eisen nog niet op tafel. Bovendien beseft hij dat de mannelijke gijzelaar niet meer teruggekeerd is. Hij is nu alleen met de vrouwen.

Oldgren en Lundblad mogen van hem naar het toilet. Hoewel ze dat wel zouden kunnen, vluchten ze niet weg omdat ze de anderen niet in de steek willen laten. 

De vrouwen vertellen Olsson dat agenten met machinegeweren klaarstaan om hem uit te schakelen, en hij eist nu 1,5 miljoen Zweedse kronen aan losgeld. 

Later verhoogt hij zijn eis naar 3 miljoen kronen en hij wil dat Morgan Rylander iemand gaat halen die wel mag onderhandelen. Uiteindelijk speelt Olsson zijn laatste troefkaart uit. 

De eis die heel Zweden in beroering brengt en de situatie drastisch verandert. De beruchte crimineel Clark Olofsson moet worden vrijgelaten uit zijn gevangenis in Norrköping en naar de Kreditbank worden overgebracht.

Topcrimineel moet bank in

Buiten de Kreditbank is de chaos compleet. De Zweedse televisie heeft zendtijd vrijgehouden in verband met de kritieke toestand van de koning, en de hele wereldpers verzamelt zich nu bij de bank. 

Het wemelt van de politie, journalisten en ramptoeristen. Op de daken rond de bank nemen sluipschutters hun posities in. In de grote hal van de bank lopen agenten met machinegeweren en kogelvrije vesten rond.

Olsson had niet gerekend op zo’n enorme politiemacht. Zijn planning was dat hij dezelfde avond de bank zou verlaten, in het bezit van het losgeld en in gezelschap van de gijzelaars en Olofsson, zijn grote idool. 

Bij een gijzelingsactie een jaar eerder werden de eisen van drie Kroatische terroristen wel ingewilligd. Ze hadden na een vliegtuigkaping de passagiers geruild voor zes gevangengenomen landgenoten. 

Maar Olsson heeft zich niet gerealiseerd dat zoiets vlak voor de verkiezingen ondenkbaar is.

Premier Olof Palme ligt achter in de peilingen. De pers uit 20 landen heeft zich voor de bank verzameld, en zelfs de VS volgen alles via satelliet. Palme moet de wereld laten zien dat hij alles onder controle heeft. 

Om verdere escalatie te voorkomen kiest hij met de regering voor een harde aanpak. Olofsson wordt naar de bank gebracht, maar mag onder geen beding naar binnen.

De politie meent inmiddels te weten wie de gijzelnemer is: Kaj Robert Hansson, een vriend van Olofsson, die eerder dat jaar samen met hem een bank heeft overvallen.

Olofsson wordt laat in de middag naar de Kreditbank gebracht. Onderweg is hem strafvermindering en misschien zelfs gratie in het vooruitzicht gesteld als hij ‘Kaj Robert Hansson’ zover krijgt om zich over te geven. 

Tegen alle afspraken in en zonder duidelijke reden wordt Olofsson overgedragen aan de gijzelnemer. De situatie is nu nog gevaarlijker: er zijn nu niet één, maar twee gewetenloze criminelen met de gijzelaars in het bankgebouw. 

De gijzelnemers deden een strop om de nek van de gijzelaars, zodat ze zichzelf zouden ophangen als er gas in de kluis kwam. De foto werd gemaakt door een gat in het dak.

© Scanpix

Klaar voor de inval

Met angst en verwondering kijken de jonge vrouwen naar Clark Olofsson. De 26-jarige topcrimineel is wereldberoemd in Zweden. 

Hij is een rustige, bedachtzame, charmante en welbespraakte man. Hij draagt geen masker, geen wapen en zegt tegen de gijzelaars dat hij niet gevaarlijk is, als ze maar rustig blijven.

Olofsson herkent Olsson, een voormalige medegevangene die hem een paar weken eerder met binnengesmokkelde explosieven had proberen te bevrijden uit de gevangenis in Kalmar. Hij noemt Olsson niet bij naam, niet tegenover de politie en niet tegenover de gijzelaars. 

Olofsson heeft een plan, maar net als de politie en Palme zit hij in een penibele situatie. Het zal niet lang duren voor de politie ontdekt dat hij dubbel spel speelt. Daarom laat hij de pers en de politie weten dat Olsson een wanhopige, gestoorde crimineel is, die tot alles in staat is.

Ze kunnen ze maar het beste zo snel mogelijk laten vertrekken met het geld. Hij geeft hun
eisen door en vraagt om een vluchtauto. En hij wil dat de twee jongste vrouwen meegaan.

Olsson en Olofsson verschansen zich in de kluis. Vlak bij de deur staat een telefoon. Ze schuiven twee zware archiefkasten voor de binnenste kluisdeur. Vanuit een leunstoel bij de deur kan Olsson de gijzelaars via een kier in de gaten houden, terwijl Olofsson patrouilleert in de rest van het banklokaal.

Tijdens een van zijn rondes ontdekt hij een doodsbange bankmedewerker die zich al uren heeft verstopt. De 25-jarige Sven Säfström bepaalt snel zijn eigen positie in de situatie wanneer Olsson hem koelbloedig zijn machinegeweer geeft en de loop tegen zijn eigen borst zet. Trillend legt Säfström zijn vinger om de trekker, maar hij schiet niet.

Olofsson laat de gijzelaars naar huis bellen om hun familie gerust te stellen. Hij onderhoudt ook het contact met de politie. 

Rond 18.30 uur ontdekt hij dat er agenten via de trap de bank zijn binnengedrongen. Hij waarschuwt Olsson, die drie kogels afvuurt. Een van de kogels ketst af en slaat een stuk uit de trap.

Olofsson beseft dat de situatie levensgevaarlijk is: voor de gijzelaars, de politie en hemzelf.

Om 19.40 uur zet de politie een blauwe Ford Mustang voor de bank op de Hamngata. Het lijkt erop dat Olsson en Olofsson hun zin krijgen. 

Maar de vluchtauto heeft een zender. Sluipschutters liggen op de loer en er staan helikopters paraat. De politie is niet van plan om de twee te laten ontsnappen. 

Ze krijgen vrijgeleide, maar zonder gijzelaars. Olsson en Olofsson weten dat dit betekent dat de politie hen zal neerschieten als ze pogen te vluchten.

Palme en zijn regering weten dat deze hopeloze situatie vraagt om drastische maatregelen. Olsson beseft dat hij de bank niet zo makkelijk kan verlaten als hij had gedacht. 

The Getaway is en blijft een film. In de bank voelt iedereen zich in de steek gelaten door de politie. Ook de gijzelaars. Eerst leken Olssons eisen ingewilligd, maar nu mogen de vrouwen niet mee. Deze schending van vertrouwen schept een band tussen gijzelaars en gijzelnemers.

Dag 2

Gijzelaars zijn bang voor politie

‘Waarom laten jullie ons niet gaan,’ vraagt Kristin Ehnmark aan de politie en regeringsvertegenwoordigers aan de telefoon. Ze krijgt geen antwoord. Is haar leven dan niets waard?

Elisabeth Oldgren huilt hysterisch omdat ze niet bij een feest kan zijn. Ook Birgitta Lundblad huilt. Ze heeft twee kinderen die haar nodig hebben. Wanhopige en vrolijke momenten van gelach, gesprekken en verbondenheid wisselen elkaar af. Ze voelen zich één.

‘We willen allebei mee,’ zegt Kristin Ehnmark over de telefoon tegen de Zweedse radio. ‘Ik ben echt niet bang voor Clark en die andere kerel. Ik ben bang voor de politie.’ Elisabeth Oldgren herhaalt in een nieuwsuitzending de eisen: twee revolvers en twee gijzelaars.

‘Er wordt ons geen haar gekrenkt, en we worden ergens vrijgelaten, dat weet ik zeker, zolang de politie niets stoms doet,’ zegt ze.

Op vrijdagmorgen bevestigt Olsson het vermoeden van de politie en autoriteiten dat hij gestoord is, als de politiepsychiater Nils Bejerot de jongere, 17-jarige broer van Kaj Robert Hansson de bank instuurt, om hem om te praten. 

Bejerot is ervan overtuigd dat er niets zal gebeuren, maar zodra de jongen de bank binnenkomt, schiet Olsson op hem en roept: ‘Hou op met je gezever over je mamma of mutti. Ik ben Kaj niet! Ga naar huis!’

Bejerot is enorm geschrokken. Hij had bijna een onschuldige puber de dood in gestuurd. Maar hij constateert ook een zwak punt bij de gijzelnemer. Olsson heeft herhaaldelijk op mensen geschoten, zonder ze te doden.

Vreemd genoeg lijkt de zware crimineel Clark Olofsson zich erg redelijk te gedragen, vergeleken bij Olsson en de politie. 

Zoals gebruikelijk neemt Olofsson het heft in handen en gebruikt hij zijn welbespraaktheid om de journalisten, die aan zijn lippen hangen, te vertellen hoe geschokt hij is dat de politie de levens van jonge vrouwen op het spel zet.

Olsson ligt in de deuropening van de kluis en doezelt af en toe in, ondanks de cafeïnepillen die hij heeft geslikt. Olofsson is echter druk bezig. 

Hij verwijdert en verbrandt de bewakingsopnames en praat met de politie. Op de radio is Kristin in gesprek met premier Palme en ze smeekt hem om hen te laten gaan. Het mag niet baten. Palme is onvermurwbaar.

’s Avonds klinkt er op Norrmalmstorg een doffe knal. Het geluid komt uit de bank. Olsson heeft een bom laten ontploffen om ontzag in te boezemen. 

Maar politiechef Kurt Lindroth, die het bevel heeft over het kleine leger van inspecteurs en rechercheurs, is niet onder de indruk. Hij staat onder enorme druk en wijkt niet af van de ingeslagen koers.

Diezelfde avond doet Olsson zijn vermomming af en kunnen de gijzelaars hem zien. Een goedgetrainde man met hoge jukbeenderen, een snor en bakkebaarden. Hij is gewelddadig en onberekenbaar, maar ook aantrekkelijk, kwetsbaar en zorgzaam. 

De gijzelaars zijn blij dat het geen doorgedraaide Arabische terrorist is. Na de blunder met de broer van Kaj Robert Hansson weet de politie nu dat hij niet is wie ze dachten. En dat hun contactpersoon Olofsson dat allang wist, maar niets heeft gezegd.

De ontspannen sfeer op Norrmalmstorg sloeg snel om toen de Stockholmse politie op volle sterkte uitrukte.

© Scanpix

Dag 3

Achterdeur valt dicht

Op zaterdagochtend schrikken de gijzelaars wakker en roepen: ‘Stop, stop.’ Olsson was net ingedut, maar wordt wakker van een schurend geluid vanachter de kluisdeur. 

Slaapdronken komen Kristin, Elisabeth en Birgitta overeind. Olsson heeft kneedbommen in kleine hoopjes over de vloer verspreid. 

Wat ze ook doen, daar moeten ze niet gaan staan. Een zwarte lont verbindt de hoopjes met elkaar. Het geluid komt van achter de kluisdeur vandaan. Olsson denkt dat ze bestormd worden.

‘Als jullie niet ophouden, blaas ik alles op,’ schreeuwt hij. Maar de indringers gaan gewoon verder. 

Sven Säfström, de mannelijke gijzelaar, denkt dat er in de ruimte tussen de twee kluisdeuren ook explosieven liggen en dat iedereen in de buurt van de deuren wordt opgeblazen als de politie binnenkomt. Iedereen is in paniek. 

De gijzelaars duwen uit alle macht tegen de kluisdeur om de politie buiten te houden. Dan wordt het stil. Niemand probeert de kluis meer binnen te dringen. 

Ineens snapt Olsson wat er aan de hand is: de politie wil niet naar binnen, maar wil alleen de buitenste kluisdeur vergrendelen zodat niemand naar buiten kan.

Olsson en Olofsson weten het. Het spel is uit.

Hun enige kans was de vluchtauto. En die is nu voorbij. Olsson weet wat de volgende stap is: gas. Hij is doodsbang dat de politie gas zal inzetten. Hij vertelt de gijzelaars dat hij hen eerst zal neerschieten, daarna Olofsson en dan zichzelf.

‘Ik wil jullie niet zien lijden,’ zegt hij. Ze wachten af. Olofsson kan niets meer doen. De telefoonlijn is dood. Hij kan geen interviews meer geven en de pers niet meer gebruiken om de regering onder druk te zetten.

De vrouwen denken dat de politie ze heeft opgeofferd en alleen een geldig excuus zoekt voor een onvermijdelijke bestorming. Ze proberen de toestand onder controle te krijgen door hun zinnen te verzetten en de bankkluis in te richten. 

Het middendeel wordt eetzaal. De prullenbakken in de aangrenzende ruimte worden toiletten. De ventilatie werkt weliswaar, maar al gauw hangt er een ondraaglijke stank.

Aan de andere kant van de kluisdeur weet de politie niet wat ze moet doen. Ze heeft niet de beschikking over onschadelijk gas dat snel genoeg werkt. 

Bejerots daderprofiel geeft aan dat Olsson een gewone crimineel is die de gijzelaars niets zal doen als het hem niets oplevert. Bejerot denkt dat het steeds moeilijker wordt voor Olsson om de gijzelaars te doden.

Maar niemand weet wat Olsson zal doen als hij wanhopig wordt. Na eindeloze discussies over welke handelwijze de beste is, besluit de politie op zaterdagmorgen dat de enige optie is om Olsson met gas uit de kluis te krijgen.

Intussen eist Olofsson via de interne telefoon van de bank dat het commandocentrum eten en drinken laat komen. De politie moet dan de deur openen, waarop een van de vrouwen met een strop om haar nek het eten zal aannemen. Tevergeefs, ze krijgen niets.

De vrouwen willen met hun leidinggevende praten. Maar Olofsson weet dat ze daar geen toestemming voor gaan krijgen. Niemand luistert nog naar hen, afgezien van de politie. En de politie is eindeloos tijd aan het rekken. Ze wil de gijzelnemers uitputten.

Olsson heeft een paar peren bij zich, die hij ’s avonds in stukken snijdt zodat iedereen wat kan eten. Hij wilde net als Olofsson een topcrimineel worden, iemand waar iedereen bang voor is. Dat laatste is in elk geval gelukt.

Dag 4

Boor komt door het dak

Op zondag 22.08 uur begint een pneumatische boor zich een weg te banen door het dak van de kluis, met twee doelen: een gat maken om het gas in de kluis te krijgen, en door het helse geluid Olsson op de knieën dwingen.

Als de boor een paar elektriciteitskabels raakt, valt de stroom uit. De tl-verlichting in de kluis gaat uit. Het is pikdonker. 

De Zweedse veiligheidsdienst, Säpo, kan meeluisteren via microfoons die ze in het ventilatiesysteem van de kluis heeft aangebracht. Wat de agenten horen is angstaanjagend. De vrouwen schreeuwen, wat kan betekenen dat ze verkracht worden. Toch gaat de politie verder met boren.

Even later ziet Sven, de mannelijke gijzelaar, een dunne plastic slang, een gastroscoop waardoor ze in de gaten kunnen worden gehouden. Olsson is woedend. Hij denkt dat er via de slang gas in de kluis zal stromen. 

Verhitte telefoongesprekken met rechercheur Bengt-Olof Lövenlo blijven zonder resultaat. Olsson dreigt de boor op te blazen als hij de kluis binnendringt. De vrouwen smeken om hun leven.

‘Waarom laat je die vrouwen zo lijden?’ vraagt rechercheur Lövenlo.

‘Jij laat ons lijden,’ antwoordt een van de vrouwen in de kluis. Iemand anders jammert: ‘Hou op, hou op.’

Als de boor door het plafond is gedrongen, komt Olsson zijn belofte na. Hij laat de explosieven ontploffen. Een enorm stuk beton komt los en valt met een dreun op de grond. De gijzelaars zijn in veiligheid gebracht. 

Van tevoren had Olsson gezegd dat ze hun mond open moeten houden, zodat hun trommelvliezen niet knappen. De boor is beschadigd, maar het duurt niet lang voor de politie een nieuwe inzet. Ze boort enkele gaten, zodat het gas zich snel kan verspreiden.

De politie kroop over de stoep voor de bank om de kogels van Olsson te ontwijken.

© Scanpix

Dag 5

Gijzelaars krijgen strop

Het is maandagnacht 3.00 uur en de journalisten lopen opgewonden over het plein voor de Kreditbank. 

Ze verzamelen zich rond de doodvermoeide hoofdcommissaris Kurt Lindroth, die vertelt dat de politie verder boren heeft uitgesteld tot 14.00 uur. De reden hiervoor is dat Janne Olsson de gijzelaars in de kluis met een strop om hun nek op een rijtje heeft gezet.

‘Als we gas inzetten, worden deze jonge mensen opgehangen’, zegt Lindroth.

Urenlang is het stil in de bank. Olsson heeft tijd gewonnen. Hij wil dat minstens een van de gijzelaars altijd een strop om haar nek heeft. 

De touwen zitten in het begin redelijk los, maar komen strakker te zitten naarmate ze zich verder terugtrekken in de kluis, uit angst voor een inval van de politie. 

Het is donker, maar Olsson heeft een zaklamp. De vloer is drijfnat van het koelwater van de boor. Steen- en betonstof dwarrelt van het plafond naar beneden. Iedereen is moe en heeft honger. Eindelijk komt er eten en drinken, en toiletpapier, sigaretten en maandverband via een gat in het dak.

De charismatische Olofsson houdt de gijzelaars bezig. Hij vertelt het ene sterke verhaal na het andere. Er wordt gelachen en gehuild. De gijzelnemers weten dat het voorbij is, maar
wijzen elk voorstel van de politie om zich over te geven af. 

Er wordt weer geboord. Hoewel ze via Olssons radio muziek en nieuwsberichten horen, raken ze elk tijdsbesef kwijt. Ze weten niet meer of het ochtend of avond is. Ze zijn het gesprek van de dag, maar kunnen zelf met niemand praten. 

Ze wachten, proberen wat te slapen, terwijl het koelwater door de boorgaten naar beneden druppelt. 

Olsson zegt dat hij Sven misschien in zijn been moet schieten, om duidelijk te maken dat het hem ernst is. De vrouwen vinden het een goed idee. Kristin zegt: ‘Zo gevaarlijk is dat toch niet, gewoon in zijn been.’

Alleen door puur geluk liep de actie van de politie niet op een mislukking uit. Het CS-traangas dat de politie in de kluis bracht, verspreidde zich niet goed en de dosis was verkeerd. Slechts omdat Olsson zich snel overgaf, liep het drama met een sisser af. Hier wordt hij uit de bank geleid.

© All over press

Dag 6

Gas doet zijn werk

Iedereen weet dat het afgelopen is. Olsson ook. Maar hij geeft zich niet zomaar gewonnen. Hij zegt de vrouwen dat ze op de grond onder de boorkoppen moeten gaan liggen en laat ze schreeuwen om genade. 

Maar het werkt niet. Olsson inspecteert een van de gaten in het plafond, richt en schiet drie keer. Even later horen ze op de radio dat een agent is getroffen.

Olsson gaat op een tafel liggen als het gas wordt ingezet. Sven krijgt het in zijn gezicht en wordt verblind. Birgitta valt neer op de natte vloer en trekt een kleed over zich heen. 

Ze voelt hoe haar gezicht zich samentrekt. Haar ogen branden en haar neus loopt. Ze moet overgeven. Olsson gaat staan en vraagt de vrouwen om de strop om te doen, maar ze luisteren niet meer. Ze liggen op de drijfnatte vloer.

‘We geven ons over,’ roepen ze in koor.

Zodra de politie de kluisdeur open heeft, denkt Olsson dat hij er geweest is. Hij zegt daarom dat de vrouwen willen dat hij en Olofsson de kluis als eerste verlaten. Birgitta knikt.

‘Ja, van ons mogen zij eerst, omdat ze zo goed voor ons zijn geweest,’ zegt ze.

In het schijnsel van de zoeklichten en onder het geblaf van de politiehonden en een vernederend boegeroep van de verzamelde pers komt Olsson op dinsdagavond om 21.40 uur in een drijfnat shirt geboeid naar buiten. In de kranten staat de volgende dag: ‘HIJ GAAT ERAAN,’ en premier Palme heeft hoofdcommissaris Lindroth verzekerd dat er geen repercussies volgen als Olsson of Olofsson gedood worden. Op het plein voor de bank heerst een lynchstemming. Olofsson, die in de bank al klappen heeft gekregen, wordt buiten geboeid.

‘Sla hem niet, sla hem niet,’ roept Kristin.

Zij is de eerste gijzelaar die het bankgebouw uitkomt. Ze wordt net als Sven, Elisabeth en Birgitta op een brancard gelegd.

Ondertussen loopt Olsson, voor tientallen camera’s, heen en weer over het plein. Hij voelt zich niet als Steve McQueen in The Getaway. Door het gas doet zijn lichaam overal pijn. Het voelt alsof hij levend verbrandt.

‘Schiet hem dood,’ roept een toeschouwer.

Olsson ziet dat de politie dit wel zou willen, en hij begrijpt ze. Zes dagen lang heeft hij Zweden in zijn greep gehouden en twee agenten verwond, en hij is blij dat hij nog leeft.  

Lees ook

Christin Wolf: Folgen einer Geiselnahme: Das Stockholm-syndrom, GRIN Verlag, 2010. Patricia Campbell Hearst: Patty Hearst: Her Own Story, Avon, 1988.

Bekijk ook ...