In de nazomer van 1573 besloot de stadsraad van Dole om de weerwolf, die ieder schrik aanjoeg, te doden.

Europa bedreigd door weerwolf

In de late middeleeuwen werden duizenden mensen tot de brandstapel veroordeeld omdat ze een weerwolf zouden zijn. De meesten waren het slachtoffer van hysterische volksangst, maar er zaten ook buitengewoon misdadige types tussen.

18 oktober 2010 door Jan Ingar Thon

De zon gaat bijna onder. De drie boeren kijken angstig op naar de vlammende avondhemel boven het Juragebergte en haasten zich. Na zonsondergang kun je beter niet buiten zijn. Zeker niet nu de weerwolf zich in hun streek rond de Oost-Franse stad Dole ophoudt! Al twee kinderen heeft hij gedood, en niemand weet wanneer hij weer toeslaat.

Plots wordt de avondstilte verstoord door een huiveringwekkend geluid: het langgerekte huilen van een wolf en het wanhopige gegil van een meisje. De boeren overwinnen hun angst, grijpen bijlen en hooivorken en stormen eropaf. In een bosje vinden ze haar. Ze is dood.

De boeren zien een figuur wegvluchten, die op handen en voeten loopt en beweegt als een wolf. Maar onder zijn manen gaat een mensengezicht schuil … Dat van kluizenaar Gilles Garnier.

Nieuwe wet leidt tot klopjacht

In het Europa van de 15e tot 17e eeuw geloofden mensen heilig in het bestaan van weerwolven. Rechtsgeleerden en theologen schreven er lange verhandelingen over, en de angstige bevolking barricadeerde ’s nachts de deuren.

De eerste vermeldingen van weerwolven zijn duizenden jaren oud, maar vooral in de late middeleeuwen schrijft men erover. Dat een weerwolfplaag juist toen Europa teisterde, is te wijten aan een wetswijziging.

Tot ver in de middeleeuwen waren de Europese wetten gestoeld op Romeins recht, en een van die overgeleverde wetten was de Lex Talionis – de vergeldingswet. Op grond hiervan mochten de oude Romeinen de indieners van een valse aanklacht vervolgen.

Hierdoor was het indienen van een lastig te bewijzen beschuldiging, zoals tovenarij, een hachelijke zaak.

Maar in de late middeleeuwen werd de macht van de Kerk ondermijnd door hervormingsideeën. De kerk moest zich verantwoorden en veranderde daarom de wet, zodat ze ketters kon dagen. Na enige rechtszaken tegen heksen en tovenaars werd in 1407 in Zwitserland de eerste weerwolf aangeklaagd. Tot 300 jaar nadien hebben Kerk en overheid nog duizenden mensen ter dood veroordeeld.

Weerwolf Gilles Garnier

Een van die weerwolven was Gilles Garnier, bekend als ‘de eenzaat van Dole’. Gilles was een schuwe eenling, die contact met anderen meed. Hij was bleek en mager, had een vervilte volle baard en borstelige wenkbrauwen die aaneengroeiden boven zijn ogen. Al sinds het eerste kind vermist werd, wezen de streekbewoners naar Gilles Garnier. Maar bewijzen ontbraken, totdat de drie boeren hem van het dode meisje in het bos zagen wegvluchten.

Half november 1573 verdween er nog een kind, een jongen van 10. Enige dagen later vonden dorpelingen zijn lijk op een akker. Eén been was afgerukt, zijn andere dij aangeknaagd. Dit was de druppel. Gilles Garnier werd opgepakt en moest terechtstaan. De rechtbankverslagen zijn bewaard gebleven:

‘Bewezen is dat Gilles Garnier enige dagen na St. Michielsdag bij de wijngaard van Chatenoy, een halve mijl van Dole, een meisje van 10 à 12 jaar heeft aangevallen. Garnier had de gedaante van een wolf toen hij aanviel. Hij heeft het meisje gedood met zijn tanden en zijn handen, die op poten lijken, en trok haar het bos van Serre in. Hier ontkleedde hij haar en at gretig van het vlees aan haar dijen en armen. Ook nam hij wat vlees mee naar huis voor zijn vrouw Apolline, met wie hij samenwoonde in Saint Bonnot bij Amanges.’

Vervolgens komt er een opsomming van Garniers wandaden. Hem wordt moord en verminking van vier kinderen in het najaar van 1573 ten laste gelegd.
Garnier bekende alle misdaden en verklaarde dat honger zijn drijfveer was. Hij was een verbond met een demon aangegaan, die hem een toverzalf gaf die hem in een wolf kon doen veranderen. Zo wist hij mensen en dieren te vangen als de honger hem te machtig werd.

Toverzalf en wolvengordels

Omdat hij een kannibaal en weerwolf was werd Gilles Garnier verbrand.

Een weerwolf kreeg bij een ‘duivelsverbond’ een tovermiddel dat de gedaantewisseling in gang zette. Dat kon een zalf zijn, zoals bij Garnier. In Duitsland, het andere grote weerwolvenland, was het vaak een gordel van wolvenhuid.

Als een Franse weerwolf er weer als mens wilde uitzien, rolde hij zich in bedauwd gras of zwom hij in een meer. In Duitsland hoefde hij slechts zijn gordel af te doen, volgens het volksgeloof.
Een weerwolf kon meerdere gedaantes aannemen. Doorgaans, zo dacht het volk angstig, ging het om een vrijwel volmaakte verandering in een wolf, al was een weerwolf groter, sterker en wilder. Bovendien behield hij zijn menselijke vernuft en sluwheid. In enkele gevallen had de weerwolf mensenogen, in andere ontbrak de staart. Dat kwamvolgens de christelijke leer omdat Satan geen volmaakte wezens kon scheppen.

Jacques Roulet, in 1598 aangeklaagd voor weerwolverij, verklaarde dat zijn handen tot wolvenpoten werden maar dat zijn hoofd hetzelfde bleef. Getuigen beschreven de weerwolvinnen Claudia Gaillard en Pernette Gandillon als half dier, half mens. Gaillard kreeg een wolvenlijf met mensenvoeten, terwijl Gandillon behaarde handen kreeg in plaats van poten. Beiden werden tijdens de grote weerwolvenvervolging van 1598 in de Franse Jura terechtgesteld.

De rechtbank zag ook in het geval van Gilles Garnier geen verzachtende omstandigheden. Hij was een weerwolf en had zich aan moord, kannibalisme en duivelverering schuldig gemaakt, misdaden waar maar één straf voor was: ‘De beschuldigde wordt overgedragen aan de beul van het hooggerechtshof. Gilles Garnier zal op een slede naar de plaats van berechting worden gesleept, waar voornoemde beul hem zal verbranden. En hij moet de gerechtskosten betalen’, aldus het rechtbankverslag.

Gruwelijke marteling


Een van de geleerden die studies over weerwolven schreven, was de theoloog Petrus Mamor. In zijn werk Flagellum Maleficorum (De gesel der heksen, uitgegeven in 1490) geeft hij een samenvatting van de opvattingen van zijn tijd:

‘De weerwolf is een afschuwelijk gedrocht: een wolf, bezeten door de Hel en bestierd door de Boze zelve!’

Doorgaans onderging een vermeende weerwolf gruwelijke martelingen voor hij de aanklachten bekende, en andere weerwolven aangaf in de hoop op een mildere straf. Ook de nieuwe verdachten werden gemarteld tot ze bekenden en weerwolven aangaven. Zo ontstonden weerwolfepidemieën. In de Franse Jura werden in 1597 en 1598 10 mensen ter dood gebracht. In Zuid-Duitsland werden tussen 1629 en 1630 15 mensen veroordeeld en verbrand.

Maar veel verdachten bekenden meteen dat ze een verbond met de Duivel waren aangegaan of door het kwaad bezeten waren, net als Gilles Garnier.

Vaak leek het te gaan om gewone lustmoordenaars met vele slachtoffers op hun geweten. Maar voor de rechter konden ze hun misdaden alleen verklaren met behulp van christelijke voorstellingen: ze móésten wel door het kwaad bezeten zijn. Met andere woorden, zij zagen zichzelf als weerwolf.

Hun bekentenissen konden ook aan wanen ontsproten zijn. Tegenwoordig weten psychiaters dat lijders aan klinische lycantropie, weerwolfwanen, echt geloven dat ze kunnen veranderen in een wolf. Onderzoek bij mensen met deze diagnose toont afwijkingen aan in delen van het brein waar het bewustzijn van eigen lichaamsvormen en -grootte zetelt. Mensen met weerwolfwanen ge­loven niet alleen dat ze hun uiterlijk kunnen veranderen, ze kunnen het ook lijfelijk gewaarworden.

Nu onderkennen onderzoekers deze wanen, maar 400 jaar terug waren ze voor ‘weerwolven’ en hun omgeving onbegrijpelijk en angstaanjagend.

Weerwolf ging het klooster in

De middeleeuwse mens was zich er wel van bewust dat een geestesstoornis een rol kon spelen in weerwolfzaken.

In 1603 bekende Jean Grenier dat hij als wolf meerdere mensen omgebracht had. Verrassend genoeg werd hij niet schuldig bevonden. De rechters meenden dat de jongeman eerder ziek dan slecht was en stuurden hem naar het klooster. Een stichtelijke omgeving zou genezing kunnen brengen. De rechts­geleerde Pierre de Lancre, die Grenier in 1610 in het klooster bezocht, vond echter dat het weinig had geholpen: ‘Hij was klein, schuw en niet willig je aan te kijken. Zijn diepliggende ogen schoten alle kanten op. Zijn tanden waren lang en staken naar voren. Zijn nagels waren zwart, enkele waren weggesleten. Zijn geest was leeg. Hij leek zelfs de simpelste dingen niet te kunnen begrijpen. Hij vertelde hoe hij vroeger als een wolf in het bos rondzwierf en zei dat hij de begeerte naar rauw vlees nog steeds voelde, vooral dat van kleine jongetjes.’

Het kwaad en de honger naar mensenvlees hadden de jongeman nog altijd stevig in hun greep, stelde De Lancre vast: ‘Hij zei er nog bij dat hij, als hij niet opgesloten was, binnen de kortste keren weer zou toeslaan. Hij verklaarde dat de Heer van het Woud (de Duivel, red.) hem twee keer in het klooster had opgezocht, maar dat hij hem had teruggedreven met het kruisteken.’

De brandstapels doven

Terwijl Jean Grenier een van de laatste Franse verdachten van weerwolverij was, kwamen in Duitsland de processen tegen weerwolven juist goed op gang.

Duitsland stevende op een ramp af, de Dertigjarige Oorlog. Deze godsdienstoorlog (1618-1648) was verwoestend: oogsten werden verbrand, steden geplunderd en de burgerij uitgemoord.

In apocalyptische tijden bloeit het bijgeloof, maar anders dan bij de Franse weerwolfprocessen weten historici over Duitsland weinig details. Vaak bestaan de rechtbankverslagen slechts uit reeksen namen van veroordeelden met het jaar van terechtstelling: Evert Dietrich, boer, 1620; Clara Heßmann, boerin, 1630; Johann Jacob Heinrich, schoolmeester, 1630… Gewone mensen, wier lot vergeten is.

Het laatste proces, in 1720, betrof de bedelaar Simon Wand. Langzaam maar zeker doofden de brandstapels voor weerwolven en heksen. De Verlichting wierp haar gloed over Europa.

Bekijk ook ...