John Wayne Gacy kroop graag in de huid van de clown Pogo als er een feestje was. 

© UPI/Polfoto/Corbis

Ziekenhuisclown, modelburger en seriemoordenaar: dit is John Wayne Gacy

Jarenlang heeft John Wayne Gacy jongens verkracht, gemarteld en vermoord zonder tegen de lamp te lopen. Maar op een dag wijkt hij af van zijn vaste patroon en komt de politie hem op het spoor. Hij blijkt een van de ergste seriemoordenaars van de VS te zijn.

25 mei 2018 door Boris Koll

Het is uitgestorven op straat in de wijk Northwest Side van Chicago als de 19-jarige Robert Donnelly zich op 30 december 1977 even na middernacht naar huis begeeft na een bezoek aan een vriend. 

Op de stoep wordt hij ineens verblind door de koplampen van een donkere auto. Als die gestopt is, vraagt een strenge stem om legitimatie. In de auto zit een man in een zwarte leren jas. Robert denkt dat hij een politieagent in burger is en overhandigt zijn ID-kaart, maar hij krijgt op dat moment een pistool op zijn hoofd. Hij moet instappen.

‘Wat gebeurt er?’ vraagt Robert beduusd.

‘Mond houden. Als je slim bent, houd je je doodstil,’ zegt de man met dreigende stem.

Robert wil protesteren, maar hem wordt te verstaan gegeven dat hij moet zwijgen.

De man achter het stuur is lang en gezet, en is halverwege de 30. Hij heet John Wayne Gacy. Vannacht rijdt hij zoals wel vaker rond in de straten van Chicago op zoek naar jonge mannen. Meestal doet hij of hij een politieagent is. Maar in feite is hij de ergste seriemoordenaar van de VS.

Gacy rijdt zwijgend naar huis. Hij brengt Robert naar binnen, doet hem handboeien om, duwt hem op de vloer en verkracht hem. Robert schreeuwt het uit van de pijn en raakt even buiten westen. 

Als hij klaar is, sleept Gacy zijn slachtoffer naar de badkamer en drukt hij diens hoofd onder water in de badkuip. Robert weet zeker dat de man hem wil verdrinken en vecht om boven te blijven, maar uiteindelijk raakt hij buiten westen. 

Als hij bijkomt, houdt Gacy zijn hoofd opnieuw onder water, tot hij bewusteloos is. Zo gaat het een paar keer door, tot Gacy genoeg krijgt van het spelletje. Hij wil Russische roulette spelen.

Tot zijn schrik ziet Robert dat zijn beul een pistool pakt, er één kogel in doet en het magazijn ronddraait. Gacy richt het wapen op Roberts hoofd en haalt de trekker over. Klik.

‘Vind je het niet gezellig?’ vraagt Gacy voordat hij de trekker opnieuw overhaalt. Klik.

Vier keer klikt het wapen. Ondertussen vertelt Gacy dat hij wel een paar meisjes gedood heeft, maar dat hij jongens vermoorden leuker vindt. Dan haalt hij de trekker weer over, en er klinkt een knal. Langzaam dringt het tot Robert door dat hij niet dood is. Het was een losse flodder.

Nu is Gacy tevreden. Hij brengt Robert terug naar de stad.

‘Als je naar de politie gaat, weet ik je te vinden. En ze geloven je toch niet,’ zegt Gacy ten afscheid.

Robert Donnelly gaat toch naar de politie, en Gacy krijgt bezoek van een paar agenten. Hij vertelt hun dat hij met Robert een seksspelletje gespeeld heeft, maar hij ontkent hem ergens toe te hebben gedwongen of een pistool te hebben gebruikt.

Als de agenten hun rapport hebben opgesteld, werpt een hulpofficier van justitie er een blik op, en hij besluit dat er geen grond voor een aanklacht is. Het gaat dus precies zoals Gacy gezegd had: ‘Ze geloven je toch niet.’

John Gacy leek – zoals de meeste seriemoordenaars – een doodgewone man. 

© AP/Polfoto/Wenn/All Over

15-jarige scholier verdwijnt

Politie Des Plaines, 12 december 1978. Het hoofd van de recherche, Kozenczak, bekijkt de zaken die die nacht binnengekomen zijn. De verdwijning van een tiener valt hem op.

Elk jaar krijgt de politie van Chicago talloze meldingen over vermiste tieners. Meestal duiken ze wel weer op, maar aan het dossier dat Kozenczak nu in handen heeft, zit een luchtje. De voorbeeldige leerling Robert Piest, 15 jaar, is verdwenen na een gesprek met zijn moeder.

Robert heeft een bijbaantje bij de Nisson-apotheek in Des Plaines, een voorstad van Chicago. Elke avond om 21.00 uur haalt zijn moeder Elizabeth hem op. Zo ook nu. Als ze de apotheek binnengaat, komt haar zoon haar tegemoet. 

Hij vraagt haar even te wachten omdat hij buiten met de eigenaar van een bouwbedrijf wil praten over een vakantiebaantje. Elizabeth wacht 20 minuten, dan gaat ze naar buiten. Maar hij is verdwenen.

Ongerust rijdt Elizabeth naar huis, waar ze een van de eigenaren van de apotheek belt, Phil Torf. Die vertelt dat ze die dag inderdaad de eigenaar van een bouwbedrijf, John Gacy, over de vloer hebben gehad, die een klusje zou doen voor de apotheek. 

Gacy zei dat hij op zoek was naar jonge high school-leerlingen voor in de vakantie. Torf denkt dat Robert het gesprek heeft gehoord en Gacy heeft aangesproken. De apotheker belooft Gacy te zullen bellen om te vragen of hij weet waar Robert is. 

Maar Gacy neemt niet op, en de ouders van Robert gaan naar de politie. Als Kozenczak het rapport gelezen heeft, vraagt hij  rechercheur Jim Pickell om Gacy na te trekken. Niet veel later stormt Pickell het kantoor binnen.

‘Kijk!’ roept hij, en hij zwaait met een paar papieren.

Het eerste vel is een uitdraai van Gacy’s strafblad. Hij blijkt in 1968 tien jaar cel te hebben gekregen voor een zedendelict in Iowa. Hij werd echter al vrijgelaten nadat hij achttien maanden had uitgezeten. 

Een zedendelict kan van alles zijn, en er staat niet op het strafblad waar Gacy precies voor veroordeeld is. De politie van Chicago moet dus contact opnemen met de agenten in Iowa die de zaak behandeld hebben. 

Dat lukt pas de volgende dag, en Gacy blijkt een jongen van 15 te hebben gedwongen tot gemeenschap en andere seksuele handelingen.

De andere documenten gaan over een aanhouding in Illinois. In 1972 werd Gacy gearresteerd omdat hij een jongeman zijn auto in gesleurd had en hem handboeien had omgedaan, waarna hij hem geslagen had en tot orale seks had proberen te dwingen. 

Toen het slachtoffer wist te vluchten, reed Gacy hem aan, en hij kwam ermee weg omdat het openbaar ministerie het te druk had.

Kozenczak weet nu zeker dat Gacy iets te maken heeft met de vermissing van Robert. Volgens de procedure belt hij de aanklager om toestemming te vragen om Gacy aan te houden. De aanklager raadt hem aan om hem in eerste instantie als getuige te behandelen.

De verdachte heeft geen tijd voor een verhoor

Bij Gacy thuis in Norridge, 12 december. De politie treft Gacy een aantal keer niet thuis in de loop van de dag. Kozenczak en zijn mannen proberen het ’s avonds opnieuw.

Het is donker en ijzig koud als de rechercheurs weer op de deur van de rode bakstenen villa van Gacy kloppen. Er wordt niet opengedaan, maar ze vangen een glimp van een gezicht op achter het raam. 

Ze kloppen weer. Dan draait er een auto de inrit op. Er stapt een jongeman uit, die zich voorstelt als Tom Venice nadat hij de legitimatie van de agenten heeft gezien. Hij werkt voor Gacy en legt uit dat zijn baas de voordeur nooit opendoet. De agenten zullen achterom moeten lopen.

Als twee rechercheurs om het huis lopen, zien ze door een raam dat Gacy rustig in een stoel tv zit te kijken. Hij doet de achterdeur open als de agenten aankloppen. 

Nog voordat Kozenczak zich heeft kunnen voorstellen, zegt Gacy: ‘Ik hoorde wel dat jullie op de voordeur stonden te kloppen, maar ik was even naar de wc.’

Kozenczak is verbaasd. Het is een raar begin. Hij legt uit dat hij van de politie is en dat hij op zoek is naar een vermiste jongen. Gacy vraagt de rechercheurs binnen. 

Terwijl Kozenczak zijn vragen stelt, observeert hij de verdachte, die er slordig en ongewassen bij zit. Het lijkt of hij geslapen heeft in de kleren die hij aan heeft.

Gacy bevestigt dat hij bij de apotheek was en dat hij die rond 20.45 uur verlaten heeft, maar hij ontkent dat hij met de vermiste jongen gesproken heeft. Kozenczak vraagt of hij mee naar het politiebureau wil gaan om een getuigenverklaring te ondertekenen. 

Gacy weigert. Hij zegt dat hij op een telefoontje van zijn moeder wacht over de begrafenis van zijn onlangs overleden oom.

‘Waarom belt u uw moeder nu niet? We wachten wel even,’ zegt de rechercheur.

Dat doet Gacy, en daarna meldt hij: ‘Ik kan nu niet mee. Ik heb belangrijke zaken te doen.’

‘Hoe lang duurt dat? Een uurtje?’ vraagt Kozenczak.

‘Ik probeer het in een uur af te handelen.’

‘Dan wacht ik op het bureau,’ zegt Kozenczak.

Tijdens dit gesprek bevindt de onderzoeksleider zich op maar een paar meter van de vermiste jongen. Robert Piest ligt in Gacy’s bed in de kamer ernaast.

Agenten blunderen

Politiebureau, 12 december, ’s avonds. Kozenczak rijdt terug naar het bureau. Hij vraagt twee van zijn rechercheurs om bij het huis van Gacy te posten om te kijken wat hij gaat doen.

De twee agenten hoeven zich niet lang te vervelen bij het huis van Gacy. Venice en Gacy
rennen het huis uit en stuiven weg in aparte auto’s zodra Kozenczak en de andere agenten vertrokken zijn. 

De twee hebben al een grote voorsprong als de politiemannen hun auto gestart hebben en de achtervolging hebben ingezet. Binnen 20 seconden heeft Gacy hen afgeschud. Beschaamd roepen ze Kozenczak op via de radio. Deze scheldt hun de huid vol en roept ze terug naar het bureau.

Wat Gacy ook voor belangrijks moest doen, de politie zal het nooit weten. De rechercheurs hebben geen idee waar hij is. Op het bureau wacht Kozenczak vergeefs, en rond 1.00 uur ’s nachts vindt hij het welletjes en gaat hij naar huis.

Pas om 3.20 uur meldt zich een man met rode ogen en modder op zijn broek bij de dienstdoende agent. Hij stelt zich voor als John Gacy en vraagt naar Kozenczak. Hij krijgt te horen dat die naar huis is en dat hij morgen terug moet komen.

Gacy is boos over huiszoeking

Politiebureau, 13 december. Kozenczak weet zeker dat Gacy de dader is, maar hij heeft een huiszoekingsbevel nodig. Om 9.45 uur krijgt hij de aanklager te pakken.

Terry Sullivan, de openbare aanklager, is sceptisch. Welke aanwijzingen heeft de politie eigenlijk? Maar Kozenczak geeft niet op en krijgt uiteindelijk groen licht. Sullivan moet het bevel door een rechter laten ondertekenen. Dat duurt een paar uur.

Om 11.40 uur arriveert Gacy op het politiebureau, waar hij urenlang ondervraagd wordt door Pickell. Het levert niets op. Gacy ontkent ooit met Robert te hebben gesproken. 

Maar Pickell is niet op een bekentenis uit. Hij hoeft Gacy alleen maar aan de praat te houden tot het huiszoekingsbevel geregeld is. Dat gebeurt die middag. Kozenczak gaat de verhoorkamer binnen.

‘We hebben toestemming om uw huis en voertuigen te doorzoeken, en we willen graag uw sleutels hebben.’

Gacy reageert boos en verontwaardigd.

‘Nee!’ roept hij.

Kozenczak loopt op de verdachte af en grijpt hem hardhandig bij zijn arm.

‘Je mag kiezen: of je geeft ons de sleutels, of je kunt een nieuwe deur gaan kopen!’

Gacy gedraagt zich als een klein kind. Hij gooit zijn sleutels op de vloer. Kozenczak raapt ze op.  

De meeste slachtoffers van Gacy waren slanke, mooie tienerjongens.

© Corbis/All Over

Wapens en homoporno in Gacy’s huis

Gacy’s huis, 13 december 1978. De politie heeft Gacy’s antecedenten nagetrokken. De man is een harde werker en een sociaal mens. In zijn vrije tijd vermaakt hij als clown kinderen in het ziekenhuis met kunstjes met ballonnen.

Het huis maakt een kille, nogal verwaarloosde indruk. Het meubilair is bij elkaar geraapt. Kozenczak denkt direct dat er hier zeker geen vrouw woont.

Een systematische doorzoeking van de begane grondlevert geen sporen van Robert op, maar wel andere zaken, die ze als bewijsmateriaal in beslag nemen: een 6mm-pistool, een tweezijdig vlindermes, een aantal rijbewijzen die niet op naam van Gacy staan, veel homoporno en een boek getiteld Seks tussen mannen en jongens.

Plotseling slaakt een van de agenten een kreet. Onder in een klerenkast heeft hij een luik ontdekt. De agenten openen het met een schroevendraaier en zien dat het naar een kruipruimte leidt. 

Kozenczak ziet al voor zich dat ze Robert daar zullen aantreffen. Hij springt met een zaklantaarn het gat in. Maar de kruipruimte is leeg. Het is er muf en vochtig, maar niets wijst erop dat er gegraven is.

Werknemers groeven in de kelder

Politiebureau, 20 december, ’s ochtends. Al dagenlang kamt de politie de weg van de apotheek naar het huis van Gacy uit met honden en helikopters om Robert te vinden.

Het huilen staat Tom Venice, die voor Gacy werkt, nader dan het lachen. Vóór zijn test met de leugendetector heeft Kozenczak hem bang gemaakt. 

Hij heeft hem vonnissen van vroeger voorgehouden en gezegd dat hij de doodstraf riskeert als hij medeplichtig wordt bevonden aan moord. Dus als hij onschuldig is, kan hij maar beter meewerken.

‘Waar denk je dat Robert Piest is? Waar kan John hem hebben verstopt?’ vraagt de rechercheur.

Na lang zwijgen weet Venice iets uit te brengen.

‘In de kruipruimte.’

Venice vertelt dat Gacy hem en een collega gevraagd had om geulen te graven in de kruipruimte om water af te voeren. Ze hebben ook gebluste kalk op de grond gegoten tegen de stank.

Kozenczak beseft dat hij in de kruipruimte had moeten graven toen het huiszoekingsbevel nog geldig was. 

Nu moet hij een nieuw regelen. Maar de openbare aanklager, Terry Sullivan, is pas de volgende dag weer bereikbaar. Kozenczak zal tot dan moeten wachten.

Gacy wordt opgejaagd

Gacy’s auto, 21 december. Sinds dag twee van het onderzoek volgen twee teams Gacy op de voet om hem zenuwachtig te maken. Dat heeft effect.

Gacy wordt gillend gek. Hij heeft al tien dagen vrijwel niet geslapen. Hij leeft op een cocktail van valium en
andere pillen, en alcohol en joints. Gacy is wel gewend om niet zo veel te slapen. Hij slaapt soms maar twee of drie uur per nacht. Al jarenlang verlopen zijn dagen volgens hetzelfde patroon. 

Hij werkt tot ’s avonds laat, dan eet hij wat, en na middernacht gaat hij de straat op op zoek naar seks. Vaak is het al licht als hij naar bed gaat, en om 8.30 uur moet hij weer op zijn werk zijn.

Maar weinig slapen is één ding, een totaal gebrek aan slaap is iets anders. Volgens deskundigen storten mensen over het algemeen in na vijf doorwaakte nachten. Gacy is die grens allang gepasseerd. Hij voelt het zelf maar al te goed. De gedachten malen hem door het hoofd.

Aanvankelijk wist hij zichzelf gerust te stellen – hij was altijd met zijn moorden weggekomen en deze keer zou hem dat ook wel weer lukken. Maar de juten zitten hem voortdurend op de hielen. 

Waar hij ook heen rijdt, er zit altijd een burgerauto van de politie achter hem. De agenten proberen niet eens onopgemerkt te blijven.

Gacy besluit naar zijn advocaten te gaan en alles op te biechten. Hij heeft hulp nodig.

Gacy stort zijn hart uit

Advocatenkantoor, 21 december, 10.00 uur. Gacy gaat langs bij zijn advocaten van Stevens & Amirante. In de hal zitten twee man van het observatieteam van de politie.

De advocaat Sam Amirante is diep geschokt als hij in de hal een sigaretje gaat roken. Er zijn geen woorden voor wat hij net gehoord heeft. 

De advocaat krijgt de twee agenten meteen in het oog. Hij loopt op hen af en zegt: ‘Wat jullie ook doen, laat die man niet ontsnappen!’

Terwijl de rechercheurs toekijken, probeert Amirante met trillende handen een sigaret uit zijn pakje te halen. 

Als dat uiteindelijk lukt steekt de advocaat de sigaret aan – om dan te ontdekken dat hij het filter in brand heeft gestoken. Hij draait zich met een ruk om en gaat terug naar zijn kantoor, en de rechercheurs bellen meteen met het bureau. Gacy lijkt te breken.

Na het bezoek aan het advocatenkantoor rijdt Gacy in vliegende vaart weg. De politie gaat hem achterna. Op een benzinestation zien ze hoe hij vier joints aan een pompbediende geeft. 

Als Gacy verder rijdt, nemen de agenten de wiet in beslag en zetten ze de achtervolging weer in. Ze houden het bureau de hele tijd op de hoogte. Er is nu voldoende grond om Gacy op te pakken. Niet voor moord, maar voor het dealen van drugs.

Om 11.45 uur gaan Gacy en een van zijn medewerkers – David Gram – een restaurant binnen om zijn advocaat Leroy Stevens te spreken. Tijdens de bespreking gaat Gram naar buiten, waar de politie hem opvangt. 

Gram heeft eerder samengewerkt met de politie, en hij vertelt nu dat Gacy onder invloed van pillen en alcohol is. Hij heeft een mes en praat over zelfmoord.

‘Nog iets anders?’ vraagt een rechercheur.

‘Ja, hij beweert ruim 30 mensen gedood te hebben.’

Op het bureau geeft Kozenczak groen licht om Gacy op te pakken wegens drugshandel. Een huiszoekingsbevel heeft hij nog niet, maar dat is een kwestie van tijd.

De rechercheurs laten Gacy in zijn auto stappen en wegrijden. Dan houden ze hem tegen. Ze omsingelen de auto, en een van hen richt zijn wapen op Gacy: ‘Kom die auto uit John, je bent aangehouden.’

‘Wat gebeurt er?’ vraagt Gacy. ‘Wat heb ik gedaan?’ 

Na Gacy’s dood werden zijn hersenen onderzocht op afwijkingen, maar die waren er niet.

© AP/Polfoto/Wenn/All Over

Lijken met restjes touw om de nek

Gacy’s huis, 21 december 16.30 uur. Het huiszoekingsbevel is binnen. Kozenczak gaat het huis van Gacy binnen en stuurt een team forensisch experts de kruipruimte in.

Na een tijdje klinkt er een schreeuw uit de kruipruimte. Een van de technici steekt zijn hoofd door het luik naar buiten.

‘Neem hem in hechtenis!’ zegt hij.

‘Wat?’ zegt Kozenczak.

‘Ik heb er een gevonden.’

‘Wat bedoel je? Een lichaam?’

‘Yep.’

‘Is het Piest?’

‘Dat denk ik niet. Hij ligt er al een hele tijd.’

De opgraving gaat door. Telkens worden er nieuwe, afschuwelijke vondsten gedaan. Waar de politiemensen hun schep ook in de grond zetten, overal liggen lijken. Sommige hebben nog een stukje touw om hun nek.

Gacy bekent

Politiebureau, 21 december ’s avonds. Het nieuws van de lichamen bereikt het bureau, waar agenten Gacy verhoren.

‘Oké, schoft, je bent er gloeiend bij. We hebben lijken in je huis gevonden,’ zegt rechercheur David Hachmeister.

Gacy antwoordt niet. Hij doet er lange tijd het zwijgen toe, maar dan begint hij te praten. Hij zegt dat hij donders goed wist dat het afgelopen was. Dat was al zo sinds hij met zijn advocaten gesproken had.

Een van de agenten knikt.

‘Hoeveel lijken liggen er in de kelder?’

‘Ik weet het niet zeker, 25 of 30,’ zegt Gacy.

‘En die jongen van de apotheek?’

‘Die ligt daar niet,’ antwoordt Gacy. ‘Ik wil graag schoon schip maken.’

Dan volgt de ene bekentenis na de andere. Gacy spreekt aan een stuk door. Het begon allemaal in 1974. Sindsdien heeft hij meer dan 30 jonge mannen gewurgd, vooral prostitués.

Gacy legt uit dat hij over meerdere persoonlijkheden beschikt. Een ervan is de ballonclown Pogo, een andere is de politieman Jack, die in het holst van de nacht op jonge mannen jaagt in de straten van Chicago. Jack heeft het niet op homo’s en doodt ze soms.

‘Waarom?’ vragen de agenten.

‘Omdat deze jongens zich verkochten voor 20 dollar. Ze doodden zichzelf.’

‘Hoe hebben ze zichzelf dan kunnen wurgen?’

‘Dat deden ze echt. Die jongens deden het touw om hun eigen nek,’ beweert Gacy.

Robert Piest was een uitzondering. Toen de jongeman op hem af kwam en hem om een vakantiebaantje vroeg, kon Gacy de verleiding niet weerstaan. Ze waren in de auto van Gacy naar huis gereden. 

Robert had tot het laatst niets van de ware bedoelingen van de seriemoordenaar geweten. Gacy had zijn broek omlaag getrokken en had geprobeerd hem oraal te bevredigen, maar Robert begon te huilen, en uit frustratie had Gacy hem gewurgd. Toen had hij het levenloze lichaam van Robert in zijn bed gelegd en naast hem geslapen.

‘Heb je seks met Robert gehad nadat je hem gedood had?’ wil een politieman weten.

‘Nee, ik niet – maar “Jack” misschien wel,’ antwoordt Gacy, en hij vertelt dat het lichaam van Robert nog in zijn bed lag toen Kozenczak en zijn rechercheurs de avond erna voor de deur stonden. 

Zodra Gacy dacht dat de politie weg was, had hij het lijk ingepakt en in een van zijn auto’s gegooid. Met hoge snelheid was hij naar een brug over de rivier Des Plaines gereden, waar hij eerder al lichamen in het water had gegooid. Robert ging erachteraan.

Op de terugweg was Gacy de macht over het stuur verloren en in de berm terechtgekomen. Hij kon geen kant op en moest urenlang op een sleepdienst wachten. Dat was de reden dat hij zich pas om 3.20 uur ’s morgens kon melden op het politiebureau.

Het verhoor duurt uren. Het grootste deel van de tijd is Gacy aan het woord. Slechts heel af en toe wordt zijn onafgebroken stroom van bekentenissen onderbroken door vragen van de rechercheurs.

‘Hoeveel mensen heb je vermoord, John?’

Gacy antwoordt dat hij geen idee heeft. Hij is de tel al lang geleden kwijtgeraakt.

‘Het kunnen er 35 zijn, het kunnen er 45 zijn. Ik kan er alleen maar een slag naar slaan.’

Als de rechercheurs namen van vermiste personen noemen, schudt Gacy zijn hoofd. Hij vertelt dat hij deafgelopen vijf jaar ongeveer 1500 keer seks heeft gehad met verschillende mannen. Hij heeft alle namen natuurlijk onmogelijk kunnen onthouden.

Als Gacy het getal 1500 noemt, kijken de politiemensen elkaar even aan. De seriemoordenaar ziet dat en haast zich te zeggen dat hij niet homoseksueel is, maar juist als de dood om dat te worden. 

Om zijn woorden kracht bij te zetten voegt hij eraan toe: ‘Een man is een man. En als hij niet van meisjes houdt, is er iets mis met hem.’

De politie vond 27 lijken in de kruipruimte en twee onder de oprit en de vloer van de garage. Het lichaam van Robert Piest werd pas in 1979 uit de rivier gevist. In het proces probeerden Gacy’s advocaten hem ontoerekeningsvatbaar te laten verklaren, maar op 12 maart 1980 werd hij ter dood veroordeeld.

De geschiedenis kent vele uitgekookte seriemoordenaars, over wie je op onze themapagina meer kunt lezen. Houd er wel rekening mee dat de artikelen gruwelijke details kunnen bevatten!

Lees ook

Joseph & Karen Kozenczak: The Chicago Killer. The Hunt for Serial Killer John Wayne Gacy, Amazon, 2011 Terry Sullivan & Peter T. Maiken: Killer Clown. The John Wayne Gacy Murders, Pinnacle Books, 2013. 

Bekijk ook ...