Twee weken vlucht de rover Jesse James door Minnesota.

© Getty Images & Shutterstock

Jesse James: Klopjacht op leven en dood

Op 7 september 1876 lopen Jesse James en zijn bende de bank van Northfield binnen. Ze zijn ervaren bankrovers, maar deze keer gaat het mis. De inwoners grijpen naar de wapens, en de bende moet halsoverkop vluchten voor de lange arm van de wet.

26 juli 2016 door Troels Ussing

George Bates en J.S. Allen kijken nieuwsgierig naar de onbekende mannen die via de brug over de Cannon River naar het marktplein van Northfield rijden. Het is het derde groepje vreemde, zwijgzame ruiters dat de winkeliers vandaag zien, en ook nu valt Bates het voorkomen van de nieuwelingen op. 

De mannen zien er volgens hem ‘deftig’ uit, maar komen ‘onverschillig en arrogant’ over, wat voor Bates een teken is dat ze ‘ruw en gevaarlijk in de omgang’ zijn.

Ook de andere inwoners hebben er een slecht gevoel over, maar niemand weet dat de in totaal acht vreemden die op deze donderdag 7 september 1876 Northfield, Minnesota binnen rijden de beruchte James-Youngerbende vormen, die in het zuiden voor flink wat trein- en bankovervallen wordt gezocht.

Op deze warme dag heeft de gang zijn oog laten vallen op de First National Bank. Bendeleider Jesse James volgt vanaf zijn post op Mill Square de drie zojuist aangekomen mannen, die hun paarden over de markt dirigeren en dan Division Street in gaan, waar de bank staat. De drie rovers maken hun paard vast en slenteren het gebouw binnen. Twee anderen voegen zich bij hen, maar blijven bij de ingang achter.

J.S. Allen vertrouwt het zaakje niet. De 50-jarige winkelier loopt met snelle passen naar de bank. Maar een van de vreemdelingen duwt hem meteen een revolverloop onder de neus.

‘Stomme eikel! Waag het eens om een kik te geven,’ sist de bandiet Clell Miller hem woedend toe.

Dat maakt echter weinig indruk op Allen, die al zijn zuurverdiende centen op de lokale bank heeft staan.

‘Te wapen, jongens! Ze willen de bank beroven!’ roept hij luidkeels.

Burgers openen het vuur

Binnen in de bank heeft de broer van Jesse James, Frank, zijn vernikkelde revolver op de kassier gericht.

‘Handen omhoog, dit is een overval! Als je alarm slaat, schiet ik je kop eraf,’ dreigt de 33-jarige dief, die niets heeft gemerkt van het tumult op straat.

De angst staat op het gezicht te lezen van de drie bankmedewerkers achter de balie. De kassier, Joseph Heywood, weet zich uiteindelijk te vermannen en zegt hakkelend dat er een tijdslot op de beveiligde geldkluis zit en dat deze daarom niet kan worden geopend.

‘Je liegt dat je barst,’ snauwt Frank, en hij springt over de balie om zelf de zware kluisdeur open te maken.

Heywood probeert de bandiet tegen te houden, maar dat moet hij bezuren: Frank geeft hem een klap tegen het hoofd met zijn pistoolkolf. De kassier krimpt ineen en bindt in. Maar nu het lawaai bij de bankkluis is verstomd, horen de overvallers plotseling schoten in Division Street en beseffen ze dat de situatie daar kritiek is.

‘Kom in godsnaam naar buiten! Ze schieten ons aan gort hier,’ roept hun kompaan Cole Younger, die zojuist heeft gezien hoe Clell werd getroffen door een kogel uit het geweer van een van de vele burgers die naar de wapens hebben gegrepen en nu het terrein voor de bank onder vuur nemen.

De laatste drie bendeleden – onder wie Jesse James – komen aanrijden van hun uitkijkpost op de markt. Ze vuren in het wilde weg om de uitgang van de bank te dekken en te voorkomen dat hun vrienden worden gelyncht.

Frank beseft inmiddels dat hij met wat kasgeld genoegen moet nemen. Uit nijd dat hij de grote buit van 15.000 dollar uit de kluis misloopt, richt hij plotseling zijn wapen op de 39-jarige Joseph Heywood en haalt de trekker over.

‘Met een duivelse uitdrukking op zijn gezicht duwde hij het pistool bijna ín Heywoods hoofd en vuurde hij het fatale schot af,’ verklaarde de boekhouder van de bank later.

De kogel dringt Heywoods linker­slaap binnen, en het tafelblad raakt besmeurd met hersenen en bloed. Dan rent Frank de straat op, waar de rest van de bende vol ongeduld op hem staat te wachten. Frank ziet dat twee van zijn maten door de burgers van Northfield gedood zijn, en wanneer hij op zijn paard springt, voelt hij zelf een pijnscheut in zijn been. Ook alle drie de broers Younger worden getroffen voordat de bende in vliegende galop de stad kan verlaten. De zes overlevenden hebben een povere 26,60 dollar buitgemaakt. En wat erger is: ze zijn opgejaagd wild.

De broers James en de broers Younger vormden samen de James-­Youngerbende.

© Corbis/All over

‘Stuur mannen en wapens’

De rovers hebben nauwelijks hun hielen gelicht of de inwoners van Northfield snellen de bank binnen. Winkelier J.S. Allen kijkt Clell Miller opnieuw in de ogen, maar het vuur is eruit verdwenen. Zijn blik is leeg.

Een paar burgers leggen de andere dode boef, Bill Chadwell, midden op Division Street naast Miller neer, waar het hele dorp de slechteriken kan zien. De straat ligt vol lege patroonhulzen en glas van gebroken ruiten.

Vervuld van haat kijken de mensen naar de bende­leden, die in luttele minuten de rust in Northfield zo wreed hebben verstoord. Om 15.00 uur is de lokale telegrafist al druk in de weer om in de wijde omtrek mensen op de hoogte te stellen.

‘Om 14.00 uur bankoverval door acht gewapende mannen. Gevechten op straat tussen rovers en burgers. Kassier dood. Bankbediende gewond. Twee rovers dood, anderen gewond. Stuur mannen en wapens om rovers te achtervolgen,’ luidt het telegram aan de grote steden van Minnesota.

Ondertussen jakkeren Jesse James en zijn bende door het landschap van de noordelijke staat, die ze niet zo goed kennen. Jesse, Frank en de gebroeders Younger hebben de meeste overvallen gepleegd in Missouri, waar ze vandaan komen. Maar nu zijn ze op onbekend terrein en moeten ze navigeren op de kaarten die ze in hun jaszak hebben.

Een paar keer moeten ze stoppen om Bobs wonden schoon te maken, want de jongste Younger is ernstig gewond. Een mitella helpt, maar de 22-jarige jongen heeft veel pijn als de bende rond 18.00 uur Shieldsville, 25 kilometer ten westen van Northfield, binnenrijdt. Jesse en zijn vrienden kijken nauwlettend om zich heen. Hun oog valt op een wagen vol wapens en dozen met patronen.

‘Die kwam zo’n vijf minuten geleden aan,’ vertelt een voorbijganger als een van de bendeleden bezorgd vraagt hoe lang de wagen al voor de saloon staat.

Er zijn nog maar vier uur verstreken sinds de overval, maar de telegrafen hebben onophoudelijk gerateld, en zelfs eenvoudige schoenmakers, timmerlui en dagloners hebben na het nieuws uit Northfield hun werk neergelegd om jacht te maken op de rovers en de 2000 dollar beloning. 

Enkele van deze premie­jagers hebben net een borrel gedronken in Shieldsville, en als ze de saloon uit komen, staan ze tot hun verrassing oog in oog met zes verdachte figuren, een aantal met bloedvlekken op hun kleren.

‘Dat zijn ze!’ roept een van de premie­jagers. De mannen rennen naar de wagen toe en grijpen elk een geweer.

Tijdens de vlucht wordt Cole Younger in zijn arm geraakt, maar de bende weet zijn achtervolgers af te schudden als Jesse zijn mannen het enorme bos Big Woods in leidt, waar de onervaren premiejagers hun spoor al snel kwijt­raken. De bendeleden hebben echter een voorproefje gekregen van wat hun de komende weken te wachten staat.

In het zuiden van Minnesota zullen ze meedogenloos worden opgejaagd – en de schurken zullen het er niet zonder kleerscheuren van afbrengen. 

500 mannen jagen Jesse James op

De volgende dag – vrijdag 8 september – zijn er al 200 mensen betrokken bij de achtervolging, en in de loop van het weekend rijden er ruim 500 gewapende mannen rond over de paden en door de moerassen van de bossen in Minnesota. 

Intussen hebben de rovers een verlaten boshut gevonden, waar ze tot woensdag 13 september blijven om hun wonden te likken. De paarden hebben ze achtergelaten om zich stiller voort te kunnen bewegen. De vreemde omgeving levert echter alsnog problemen op.

‘We bevonden ons op wonderlijk terrein. Op de prairie werkten onze kaarten prima, maar in de grote bossen en tussen al die meren was het gissen waar we waren,’ zei Cole Younger later.

In de loop van de dag stuiten ze op een onverwachte hindernis. De Blue Earth River, die op de kaart een klein stroompje lijkt, blijkt zo breed te zijn dat ze niet met wapens en al naar de overkant kunnen zwemmen. Daarom volgen ze de rivier naar de spoorbrug bij de plaats Mankato.

Even na middernacht sluipen ze met bonkend hart de stad binnen, die 6000 inwoners heeft en waar enkele van hun belagers zich ophouden. De boeven boffen dat het giet van de regen en bereiken door de stille straten onopgemerkt de brug. 

Het slechte weer lijkt de bewakers bij de brug ook naar binnen te hebben gejaagd, en om 2.00 uur steken Jesse en zijn gang de brug over, waarna ze de rails volgen en dicht bij de spoorlijn hun kamp opslaan. De bendeleden zijn Mankato ongezien gepasseerd. Dat denken ze in elk geval ...

Maar één jonge bewaker heeft het noodweer getrotseerd en is op zijn post bij de brug gebleven. De jongen brengt meteen premiejager Mike Hoy op de hoogte, en die gaat de volgende dag bij zonsopgang op weg met een legertje huurlingen. Ze rijden langs het spoor. Om 6.30 uur tuft er een locomotief voorbij. De machinist gebaart driftig naar hen en wijst op een beboste heuvel

Na de bankoverval in Northfield hield Jesse James zich een tijdje gedeisd. Maar hij miste de spanning en het geld en ging al snel het slechte pad weer op, waarna de autoriteiten een beloning op zijn hoofd zetten.

© Bridgeman

Bende van Jesse James splitst zich op

Hoy, die al bijna een week dag en nacht achter de boeven aan zit, haast zich er met zijn Winchester-geweer in de hand naartoe. Opeens ontwaart hij rook tussen de bomen.

‘Snel! Aanvallen!’ brult Hoy. Hij en zijn mannen klimmen over een hek en banen zich een weg door dicht struik­gewas tot vlak bij het kampvuur.

Gealarmeerd door het lawaai hebben de zes rovers echter de benen genomen. Alleen hun halfgare, gestolen kippetjes liggen er nog. Via stapstenen in beekjes en lopend in elkaars voetsporen hebben ze hun belagers weten af te schudden. Bob Younger is er slecht aan toe en houdt daardoor de anderen op. 

Daar hebben de broers James geen geduld voor. Ze zijn beiden getrouwd en Jesse heeft een baby thuis. Als hij aan de galg komt, zou dat een strop zijn voor zijn gezin. Cole en Jim Younger weigeren echter pertinent hun jongste broer in de steek te laten, en in de nacht van 14 op 15 september splitst de bende zich op.

Een paar uur later glippen Jesse en Frank het erf op van een nabijgelegen pastorie, waar ze inbreken in de stal. Geruisloos zadelen ze twee grote, grijze merries en even later galopperen de twee misdadigers het donker in.

Als de broers een brug oversteken, vuurt een groep premiejagers een salvo op hen af, maar op de rug van twee van de snelste paarden van de streek zijn Jesse en Frank er in een oogwenk vandoor. In de dagen daarop ontbreekt elk spoor van de broers James en Younger. Geen enkele weg- of brugblokkade heeft effect, en in de kranten neemt het respect voor de bandieten toe.

‘Je moet wel bewondering hebben voor zo veel wilskracht, volharding en durf,’ schrijft de Pio­neer Press and Tribune op 20 september over de zes schurken, die de beste spoor­zoekers en premiejagers van de staat het nakijken hebben gegeven. De verslaggever kan echter niet bevroeden dat bijna al deze ‘bewonderenswaardige’ rovers 24 uur later buitenspel zullen zijn gezet.

Vlucht mondt uit in bloedbad

Op donderdagochtend 21 september melkt de 17-jarige Oscar Sorbel samen met zijn vader de koeien van het gezin. Ze zitten dicht bij de weg voor hun huis op 13 kilometer van Madelia, als er twee vreemdelingen langswandelen.

‘Goedemorgen,’ zeggen de twee, en Oscars vader groet vriendelijk terug.

Even later komen er weer twee mannen voorbij. Een van hen loopt moeilijk en heeft zijn arm in een mitella.

‘Dat zijn de rovers,’ fluistert Oscar tegen zijn vader. Als de mannen alle vier een flink eind weg zijn, springt hij op een oude knol en rijdt naar Madelia.

De 28-jarige sheriff van deze plaats, James Glispin, luistert aandachtig als de knaap buiten adem en opgewonden zijn verhaal doet. Vijf minuten later dreunt de grond onder de paardenhoeven als Glispin met een gewapend gevolg van zes man op weg gaat naar het moeras bij Lake Hanska, waar de bandieten naartoe zijn getrokken.

Het is 11.00 uur als de broers Younger en Pitts de sheriff en zijn mannen zien aankomen. De vier ploeteren zo snel mogelijk voort over de modderige grond, die doorweekt is door de hevige regen van de afgelopen twee weken. 

Ze kruipen achter een grote, omgevallen boomstam en laden hun revolvers met zes patronen. Overal om zich heen horen ze hun achtervolgers roepen.

‘Cole, we zijn helemaal omsingeld. We kunnen geen kant op. Laten we ons maar overgeven,’ zegt Charlie Pitts aarzelend. Maar de kalende Cole kijkt zijn oude vriend strak aan en fluistert verbeten: ‘Als jij je wilt overgeven, ga je gang. Cole Younger sterft hier.’

‘Ik kan net zo goed doodgaan als jij. Laten we er een eind aan maken,’ antwoordt Pitts.

Even later komt hij overeind en schiet hij op sheriff Glispin. Die laat zich in een reflex op zijn knieën vallen en vuurt in dezelfde beweging terug. De kogel treft Pitts in zijn borst en wordt hem fataal.

Een kakofonie van schoten weer­klinkt, en uit de lopen van de vuurwapens komen vonken en rook. Jim Younger slaakt een kreet van pijn als hij in zijn heup en kaak getroffen wordt. Hij valt bewusteloos op de grond en krijgt gezelschap van Cole, die bloedend uit neus en mond neervalt nadat hij boven zijn rechteroog en op zeven andere plaatsen geraakt is.

‘Stop met schieten! De jongens zijn al lekgeschoten!’ roept Bob Younger in de hoop het er levend af te brengen.

Sheriff Glispin en zijn zes mannen – die later de bijnaam Madelia’s Magnificent Seven zullen krijgen – staken het vuren en lopen op hun hoede naar Bob en zijn twee oudere broers, die in een poel van bloed liggen maar wonder boven wonder niet dodelijk gewond zijn. 

Lopen kunnen ze echter niet; ze moeten met paard-en-wagen worden weggebracht. Een van de mannen van de sheriff, de oorlogsveteraan William Murphy, kijkt hoofdschuddend toe als de kar met de kreunende broers wegrijdt.

‘Jongens, dit is verschrikkelijk, maar nu zie je wat de misdaad jullie gebracht heeft,’ constateert hij droog. 

Cole Younger weigerde zich over te geven. Toch overleefde hij op miraculeuze wijze.

© Bridgeman

Frank en Jesse James ontkomen

Terwijl de berichten over de arrestatie van de Youngers binnen ratelen, rijden Jesse en Frank een paar honderd kilometer verder naar het zuidwesten over de prairie – onwetend over het lot van hun vrienden. 

Ze hebben Minnesota verlaten en zijn de dag voordat de Youngers werden opgepakt maar net ontkomen aan 25 premiejagers in Iowa. De sheriff zette met een kleiner groepje nog de achtervolging in, maar de broers wisten hen af te schudden.

‘De bandieten lagen twee dagen voor en verplaatsten zich snel, dus het leek ons beter de achtervolging aan anderen over te laten,’ zei een van de mannen van de sheriff in een krant. Deze gelaten houding is tekenend voor iedereen die Jesse en Frank probeerde bij te houden.

‘Het is een schande dat er niet meer wordt gedaan om die twee schurken te pakken. Deze staat doet er niets aan,’ schrijft een krant in Iowa klaaglijk op 27 september. Er was toen al vier dagen niets van de broers vernomen – en dat gebeurde ook niet meer. Jesse en Frank leken van de aardbodem verdwenen.

Lees ook

Mark Lee Gardner: Shot All to Hell: Jesse James, the Northfield Raid, and the Wild West’s Greatest Escape, William Morrow Paperbacks, 2014. 

Bekijk ook ...