Na de moord op Martin Luther King werd James Earl Ray tot over de oceaan gezocht.

© AP/Polfoto

Intensieve klopjacht op moordenaar van Martin Luther King

Op 4 april 1968 boort zich een kogel in de hals van Martin Luther King. De zwarte burgerrechtenvoorvechter zakt in elkaar op een hotelbalkon in Memphis. Direct daarop rent een goedgeklede man weg van de plaats van het misdrijf. Maar hij heeft sporen achtergelaten, en de FBI opent een klopjacht.

Er waait een licht briesje vanaf de rivier de Mississippi door de straten van Memphis. De 39-jarige burgerrechtenvoorvechter en dominee Martin Luther King leunt ontspannen op het balkonhek van het Lorraine Motel en geniet van de koele avond.

De afgelopen dagen heeft King in de grootste stad van Tennessee toespraken gehouden, en op deze donderdagavond 4 april 1968 wacht hem een welverdiende maaltijd bij een plaatselijke collega.

‘Het begint koud te worden. U kunt maar beter een jas aantrekken,’ klinkt de stem van Kings chauffeur Solomon Jones vanaf de parkeerplaats.

‘Oké, Jonesy! Wat pas je toch goed op me,’ roept King terug, terwijl hij het traliehek van de galerij loslaat en een mentholsigaret uit zijn binnenzak vist. Hij doet een stap naar achteren en wil zich net omdraaien om naar binnen te gaan als er een harde knal over de parkeerplaats schalt.

King zakt door zijn benen en komt met een klap op de betonnen vloer van het balkon terecht. De burgerrechtenactivist is geraakt door een kogel, die zijn onderkaak heeft verbrijzeld en zich daarna diep in zijn keel geboord heeft. King ligt in een poel van bloed.

‘Het is afgelopen,’ stamelt Martin Luther King wanneer Solomon Jones en de rest van Kings gevolg toesnellen om hun zwaargewonde leider te helpen.

‘Dat moet je niet zeggen!’ klinkt het om hem heen, maar iedereen ziet hoe ernstig de situatie is. Binnen een paar minuten verandert de gelaatskleur van de dominee. Hij wordt asgrauw, zijn bloeddruk daalt snel en zijn lippen krijgen een blauwachtig waas.

Als de ambulance bij het Lorraine Motel arriveert, zien de hulpdiensten het meteen: de kogel die Martin Luther King om 18.01 uur heeft geraakt, wordt hem fataal, en de wereldberoemde strijder voor de burgerrechten heeft niet lang meer te leven.

De lokale agenten beseffen dat er veel druk op hen ligt om de moordenaar te vinden. Wat ze niet weten, is dat de dader een meester is in improviseren. Hij is de politie steeds twee stappen voor. De grootste klopjacht in de geschiedenis van de VS is begonnen.

King is geliefd én gehaat

Tot aan zijn dood in 1968 is Martin Luther King een boegbeeld van de burgerrechtenbeweging in de VS. De Amerikaanse dominee wordt een bekend gezicht als hij in 1955 de busboycot in Montgomery, Alabama leidt, die tot gevolg heeft dat zwarten niet meer achter in de bus hoeven te zitten.

Acht jaar later houdt hij zijn beroemde rede I have a dream en in 1964 krijgt de dan 35-jarige King de Nobelprijs voor de Vrede voor zijn geweldloze strijd tegen rassenongelijkheid.

Door zijn werk maakt King vijanden in het rechtse kamp, waar velen de dominee dood wensen.

Een van de Amerikanen voor wie dit geldt, is de 39-jarige James Earl Ray, die 346 dagen voor de moord bij het Lorraine Motel in Missouri van een vrachtwagen af springt. Ray is ontsnapt uit de Jefferson City-gevangenis, waar hij een lange straf uitzat voor meerdere gewapende overvallen.

De eerste week volgt de voortvluchtige de spoorlijn naar Kansas City in het westen om zijn achtervolgers op een dwaalspoor te brengen. Ray rekent er namelijk op dat de politie verwacht dat hij naar het oosten gaat, waar zijn broer woont. En hij krijgt gelijk.

Niet één agent komt hem op het spoor. Naarmate de weken zich aaneenrijgen tot maanden, begint Ray zich zekerder te voelen. In 1967 gaat hij onder de naam Eric S. Galt in Los Angeles wonen, waar hij een cursus tot barman volgt en in zijn vrije tijd naar een dansschool gaat.

Ook meldt hij zich als vrijwilliger voor de presidentiële campagne van George Wallace aan. Wallace wil net als Ray de rassenscheiding in de VS handhaven en is een felle tegenstander van de burgerrechtenbeweging.

Ray verafschuwt vooral de leider van de beweging, die hij Martin Luther Coon noemt in plaats van King (coon is slang voor ‘neger’). En in het voorjaar van 1968 verlaat hij Los Angeles in zijn witte Ford Mustang met maar één doel voor ogen: Martin Luther King vermoorden.

Sinds de moord op Martin Luther King zijn er talloze samenzweringstheorieën bedacht die de schuld leggen bij de staat of de criminele onderwereld in plaats van bij de onbekende racist James Earl Ray.

© Corbis/AOP & Getty Images

Burgerrechtenvoorvechter in het vizier

Op donderdagmiddag 4 april 1968 – drie uur voor de moord op Martin Luther King – checkt James Earl Ray in bij het Bessie Brewers-motel in Memphis onder de naam John Willard. Ray heeft de dominee een maand lang gevolgd en weet dat hij in de stad is.

Hij heeft dit motel uitgekozen vanwege de locatie: vanuit kamer 5B op de eerste verdieping heeft hij vrij uitzicht op het Lorraine Motel, waar King logeert.

Nadat hij voor een week vooruit heeft betaald, slentert Ray naar zijn kamer. Hij trekt het gordijn opzij en kijkt naar het Lorraine Motel. Op slechts 60 meter afstand ligt het balkon van kamer 306, waar hij Martin Luther King op een foto in de plaatselijke krant heeft zien staan.

Met zijn nieuwe verrekijker positioneert Ray zich bij het raam van kamer 5B. Zijn hart gaat sneller kloppen als hij iets voor 18.00 uur door zijn lens King de galerij van het motel op ziet komen.

Dit is Rays grote kans. Hij haalt zijn blauwe handkoffer en zijn Remington-geweer tevoorschijn uit een groen laken en snelt naar de badkamer.

Hiervandaan heeft hij een nog beter zicht op zijn doelwit. Gejaagd schuift hij het roestige raam open, pakt zijn geweer en laadt het met één patroon. Hij gaat op de rand van het bad staan, zodat hij tegen de tegelwand kan leunen terwijl hij de geweerloop door het raam steekt.

Het hoofd van Martin Luther King vult het hele vizier. Ray heeft het gevoel dat hij vlak naast de persoon staat aan wie hij zo’n bloedhekel heeft.

Om 18.01 uur haalt James Earl Ray met zijn wijsvinger de koude metalen trekker over.

‘Dat leek wel een schot!’

Zonder aarzelen gooit Ray de rokende Remington in de doos, die hij met zijn blauwe handkoffertje in het groene laken wikkelt. Hij loopt de deur uit en haast zich door de gang van de eerste verdieping.

‘Hé, dat leek wel een schot,’ zegt een van de andere motelgasten terwijl Ray langsloopt.

‘Dat was het ook,’ zegt de sluipschutter droog, terwijl hij met zijn vrije hand zijn gezicht afschermt.

Ray verlaat het motel en loopt in de richting van zijn witte Ford Mustang. Het eerste stukje komt hij niemand tegen, maar vlak bij zijn auto ziet hij opeens drie politiewagens en agenten, die intussen over de aanslag hebben gehoord.

Terwijl Ray zijn pas vertraagt, neemt hij een drastisch, impulsief besluit en dumpt hij het laken met het wapen en de koffer voor een gokhal in de South Main Street, waar zijn auto geparkeerd staat.

Guy Canipe hoort de bons als het zware geweer op het trottoir voor zijn gokhal terechtkomt. Nieuwsgierig kijkt hij naar de vreemdeling die in een Ford Mustang stapt.

‘Heb je gezien wie dat daar neergooide?’ hoort Canipe iemand roepen als hij een minuut later over de bundel gebogen staat.

Een politieagent komt aangerend met een getrokken pistool, en de eigenaar van de gokhal beseft meteen dat er iets ergs moet zijn gebeurd. Hij vertelt agent Judson Ghormley precies wat hij zag. Ghormley is in zijn nopjes met de ooggetuige, ook al heeft de politie de mogelijke dader zojuist laten lopen.

‘Ik heb het wapen gevonden voor Main Street 424. Verdachte is er via de Main Street vandoor gegaan in zuidelijke richting. Het is een jonge, blanke man in een zwart pak (...) Rijdt waarschijnlijk in een witte Mustang,’ bericht Ghormley monter door zijn walkietalkie.

Het is nog maar 10 minuten geleden dat Ray zijn fatale schot afvuurde, en de politie zit de moordenaar van Martin Luther King al op de hielen. Zo lijkt het althans.

FBI neemt het onderzoek over

Robert Jensen, het hoofd van de plaatselijke FBI-afdeling, is als een van de eersten aanwezig op de plaats delict.

Gewoonlijk wordt een moord in de stad door de lokale politie onderzocht, maar omdat Jensen beseft dat het om een precaire zaak gaat, is hij naar het Lorraine Motel gegaan om het politiekorps van Memphis te helpen. Al snel blijkt dat Jensen gelijk heeft als hij wordt gebeld door Cartha DeLoach, de vicedirecteur van de FBI.

‘De officier van justitie wil dat we de zaak overnemen,’ verklaart DeLoach en hij benadrukt meteen het belang van de kwestie: ‘Je begrijpt wel dat we dit zo snel mogelijk moeten oplossen: iedereen moet tot het uiterste gaan en werken tot hij erbij neervalt,’ eist de vicedirecteur.

Jensen, een oorlogsveteraan met 22 jaar ervaring bij de federale politie, houdt het hoofd koel en gaat systematisch te werk.

De forensisch experts meten, fotograferen en analyseren de plaats delict en de politie neemt verklaringen van ooggetuigen op. De meeste mensen wijzen naar de ramen van het Bessie Brewers-motel. ‘Daar kwam het schot vandaan,’ zeggen ze.

Al snel staan de onderzoekers in kamer 5B. Daar treffen ze de verpakking van een verrekijker aan. Uit de verklaringen van de eigenaar en de gasten van het motel blijkt dat er een keurig geklede, blanke man met donker haar in de kamer verbleef. Zijn naam: John Willard.

Robert Jensen laat een paar mensen de naam John Willard natrekken en rijdt zelf naar het FBI-kantoor, waar de in de Main Street gevonden bundel op hem wacht.

Om iets over negenen trekt Jensen latex handschoenen aan en legt hij de inhoud van de bundel voorzichtig op een
tafel. Het blauwe koffertje bevat allerlei toiletspullen, waaruit blijkt dat de eigenaar zich goed verzorgt.

De Remington is gloednieuw, en tot Jensens verbazing is het serienummer nog intact, waardoor de plek waar het wapen gekocht is snel te vinden is. Ten slotte komt er een verrekijker met kassabon uit de bundel tevoorschijn.

Een verrekijker die precies past in de verpakking die in kamer 5B is gevonden. Degene die de bundel met het geweer weggooide, logeerde dus in die motelkamer!

Niet lang daarna levert het sporenonderzoek van de FBI nog een resultaat op: twee bruikbare vingerafdrukken op het moordwapen. Als het nieuws het hoofdkantoor van de FBI bereikt, is vicedirecteur Cartha DeLoach in zijn sas. Hij is er zeker van dat ze de dader binnen een paar uur in zijn kraag zullen vatten.

Ray vlucht naar Canada

James Earl Ray zit inmiddels honderden kilometers van Memphis. Hij heeft de hele nacht doorgereden en is op zijn reis door Tennessee en vervolgens door buurstaat Mississippi geen politiewagen tegengekomen.

Tijdens de rit heeft Ray het nieuws gevolgd via de radio. Hij begrijpt niet waarom zijn actie voor zo veel ophef zorgt.

Eerst kwam het bericht dat Martin Luther King kort na aankomst in het ziekenhuis dood was verklaard, en vervolgens ging het de hele nacht over chaos in allerlei andere steden in het land, waar hevige rellen uitbraken toen veel zwarte mensen woedend de straat op gingen.

Als Ray door Alabama rijdt, krijgt hij via zijn autoradio de eerste tegenslag te verwerken. De politie blijkt op zoek te zijn naar ‘een witte Mustang’ met een ‘goedgeklede blanke man’.

Ray beseft dat hij kwetsbaar is in zijn geliefde auto, maar besluit toch door te rijden naar Atlanta, Georgia, waar hij in de maanden voor de moord een kamer gehuurd heeft. Rond 8.30 uur de volgende ochtend bereikt hij Atlanta, waar hij de auto op een parkeerplaats achterlaat en thuis snel wat geld en een revolver ophaalt.

Om 13.00 uur verlaat Ray Atlanta aan boord van een Greyhound-bus naar Cincinnati. Voor het eerst sinds de moord 19 uur eerder kan Ray zijn ogen sluiten en dromen van Rhodesië – het huidige Zimbabwe – waar hij wil gaan leven in ballingschap.

Het land, dat zich drie jaar eerder onafhankelijk heeft verklaard van Groot-Brittannië en nu een blanke minderheidsregering heeft, heeft geen uitleveringsverdrag met de VS. Maar eerst moet Ray via Cincinnati en Detroit in Canada zien te komen. De moordenaar heeft nog een lange weg te gaan.

De blanke minderheid van Rhodesië onderdrukte de zwarte bevolking op beestachtige wijze.

© AP/Polfoto

FBI komt ‘Eric Galt’ op het spoor

Terwijl Ray hoog en droog in de bus zit, gaan twee van Robert Jensens mannen, Bauer en Darlington, in Memphis van motel naar motel in de hoop dat de verdachte nog op meer plekken in de stad heeft gelogeerd.

De agenten zijn er inmiddels achter dat de naam John Willard verzonnen is. De enige John Willard die qua leeftijd past bij de motelgast, zit in de gevangenis en heeft dus een alibi. Daarom zoeken ze nu naar een motel dat een gast had met een witte Mustang.

‘Hmm, ja. Hier heb ik er een,’ zegt de eigenares van het New Rebel’s Motel als Bauer en Darlington na ruim een etmaal eindelijk een duidelijk spoor vinden.

De eigenares bestudeert nauwkeurig de informatie die een klant opgaf toen hij incheckte in het motel. ‘Mustang, kenteken 1-38993’, staat er in een van de vakjes.

‘De gast – hoe heette hij?’ vraagt Bauer ongeduldig, waarop de vrouw het registratieformulier naar de agenten keert. ‘Eric S. Galt,’ leest Bauer. Tevreden constateert hij dat ze een nieuw belangrijk spoor hebben gevonden.

De man die zich Eric S. Galt noemt, heeft in het etmaal dat de FBI nodig had om zijn meestgebruikte schuilnaam te vinden allerminst stilgezeten.

Hij is in een taxi de grens met Canada overgestoken en heeft toen de trein genomen naar Toronto, waar hij op 6 april aan het einde van de middag een kamer huurt bij een Pools echtpaar.

Op maandagochtend 8 april gaat Ray naar een naburige bibliotheek. Daar bladert hij door de geboorteberichten van kranten uit de jaren 1930 – het decennium waarin hij is geboren.

Hij bekijkt pagina na pagina, totdat hij stuit op een baby met de naam Ramon George Sneyd. Die naam is bijzonder genoeg zonder op te vallen. De man met de vele namen is klaar voor een nieuwe identiteit.

Drie dagen later koopt Ray schmink en een bril in een theaterwinkel. Met een nieuwe scheiding, schmink op zijn gezicht, geverfde wenkbrauwen en een hoornen bril ziet ‘Mr. Sneyd’ eruit als een professor op de foto die hij die middag laat maken.

Gewapend met de foto en een vervalste doopakte gaat hij het Kennedy Travel Bureau binnen en koopt een vliegticket naar Londen.

‘Dat is dan 345 dollar,’ zegt de dame achter de balie. Het vliegtuig vertrekt op 6 mei uit Toronto, en dan is Rays nieuwe paspoort ook klaar, precies op tijd, vertelt ze.

Ray geeft zijn foto en spreekt af dat hij het paspoort over twee weken komt halen. Op de aanvraag voor het document noteert de reisbureaumedewerkster argeloos: ‘Spoed, onze klant wil het land zo snel mogelijk verlaten.’

Gezicht van de moordenaar bekend

Pas op donderdagmiddag 11 april wemelt het van de politie en FBI-agenten op de parkeerplaats in Atlanta waar Ray zes dagen eerder zijn Ford Mustang achterliet.

Een omwonende verbaasde zich erover dat de crèmekleurige auto zo lang bleef staan en als de agenten het kenteken controleren, blijkt het overeen te komen met dat van Eric Galt. Een sticker op de ruit geeft aan dat de olie kort geleden is ververst bij een garage in Los Angeles.

De garagehouder stuurt de FBI door naar het hotel in Los Angeles waar Mr. Galt twee maanden verbleef.

‘Hij had donker, naar achteren gekamd haar. Rustig type, conservatief zakelijk pak,’ weet de uitbater van het hotel te vertellen als een agent hem ondervraagt.

‘Weet u wat zijn volgende bestemming was?’

‘Hmm, ja … Atlanta, Georgia,’ luidt het antwoord, en de hotelbaas zoekt het adres op.

Het natrekken van de telefoontjes die Galt tijdens zijn verblijf heeft gepleegd, levert nog meer informatie op. Het spoor leidt naar een dansschool, waar Eric Galt lessen volgde tot hij met een horecacursus begon.

De volgende dag klopt FBI-agent Theodore A’Hearn aan bij de horecaopleiding aan de Sunset Boulevard. Directeur Thomas Lau staat hem te woord. Hij is vol lof over de kwaliteiten van zijn cursist Galt.

‘Een harde werker, met talent,’ vertelt de directeur. Hoe Galt eruitzag, kan hij zich niet precies herinneren.

‘Maar ik heb ergens een foto van hem!’

‘Echt waar?’ vraagt A’Hearn verrast.

‘Dat doen we hier altijd,’ zegt Thomas Lau, terwijl hij de agent een foto laat zien van Galt die vol trots zijn barmandiploma omhoog houdt.

Daar staat hij. Een slanke man in een pak met stropdas – de vermeende moordenaar van Martin Luther King.

James Earl Ray wordt geïdentificeerd

In Atlanta dringt een team FBI-agenten Galts huis binnen, waar ze stadsplattegronden en landkaarten vinden.

Op de kaart van Atlanta staat een cirkel in de buurt van het huis van Martin Luther King en een tweede rond de parkeerplaats waar de Mustang van de moordenaar is gevonden.

Op een kaart van Mexico staat een vingerafdruk die met de vingerafdrukken op het moordwapen overeenkomt. De FBI is overtuigd: Galt is de man die ze zoeken.

Op woensdag 17 april laat de FBI een arrestatiebevel uitgaan tegen Galt, die wordt beschreven als ‘gewapend en gevaarlijk’. De volgende ochtend prijkt zijn foto op de voorpagina van alle kranten.

De database van de FBI telt 82 miljoen vingerafdrukken, dus het kost tijd om die te doorzoeken. Maar de top van de FBI heeft een idee: al voor de moord op King gedroeg Galt zich met zijn vele aliassen en verhuizingen als een man op de vlucht.

Ze kunnen de groep verdachten dus beperken tot de personen die reeds vóór 4 april werden gezocht. Daarmee blijven er nog 53.000 dossiers over.

De volgende dag wordt DeLoach gebeld door Les Trotter, het hoofd van de identificatieafdeling van de FBI.

‘We hebben je man gevonden! Geen twijfel mogelijk. De experts hebben zojuist een exacte match gevonden voor kaart 702,’ zegt hij door de telefoon. ‘Het is een recidivist. Hij heet James Earl Ray.’

Een paar dagen later sluipt Ray zijn kamer in Toronto uit om het televisieprogramma The FBI te zien, dat altijd afsluit met de 10 most wanted Amerikanen. Ray krijgt de schrik van zijn leven als zijn foto plotseling op het scherm verschijnt en de presentator zijn echte naam noemt.

‘Memphis heeft een beloning uitgeloofd van 100.000 dollar aan degene die informatie kan verstrekken die leidt tot de arrestatie van Ray,’ zegt de presentator.

Na de moord op Martin Luther King werd James Earl Ray tot over de oceaan gezocht.

© AP/Polfoto

Mr. Sneyd steekt de oceaan over

Ondanks de aandacht van de media gebeurt er na de tv-uitzending twee weken niets. Rays nieuwe identiteit als Mr. Sneyd lijkt te werken, en op de avond van 6 mei wandelt hij met zijn bril op door Toronto International Airport, om de volgende morgen veilig in Londen te landen.

Dan neemt hij een vlucht naar Lissabon in Portugal, vanwaar hij door wil reizen naar Afrika.

Eerst ziet het er veelbelovend uit. Ray vindt een schip dat hem voor slechts 130 dollar naar Angola wil brengen.

Maar dan blijkt dat hij voor de reis een visum nodig heeft, en dat het een week duurt om dat te verkrijgen. Tegen die tijd is het schip al vertrokken. Acht dagen zoekt Ray vergeefs naar andere schepen, en dan neemt hij een noodlottig besluit: op 17 mei vliegt hij terug naar Londen.

Intussen krijgt het onderzoek weer vaart als de FBI ontdekt dat Ray kort na zijn ontsnapping uit Jefferson City in april 1967 naar Toronto is gegaan en hier zijn identiteit heeft veranderd in Eric Galt. Met de Canadese politie controleert de FBI ruim 250.000 paspoorten die sinds die datum zijn uitgegeven of verlengd.

Dag in dag uit vergelijken 12 Canadese politieagenten paspoorten met de foto van Ray, en op 1 juni komt agent Robert Wood bij het paspoort van Ramon George Sneyd. Hij bestudeert grondig het iets uitstaande linkeroor, het kuiltje in de kin en de verhoudingen van het gezicht.

‘Dit zou hem kunnen zijn, als hij een bril droeg,’ roept Robert Wood enthousiast uit.

Een telefoontje naar de echte Mr. Sneyd bevestigt het vermoeden, want deze heeft helemaal geen paspoort. Een rondje bellen langs reisbureaus in het land leert dat ‘Mr. Sneyd’ in mei drie reizen heeft ondernomen en zich nu in Londen bevindt.

DeLoach en zijn FBI-staf seinen Scotland Yard in Londen in, dat de foto van de valse Mr. Sneyd naar alle havens en luchthavens op de Britse Eilanden stuurt. Het net sluit zich rond de moordenaar.

Ray wordt gearresteerd

Op 8 juni loopt James Earl Ray vertrekhal 2 van de luchthaven Heathrow in Londen binnen. Hij wil naar Brussel vliegen in de hoop daarvandaan goedkoop en zonder problemen zijn droombestemming Rhodesië te kunnen bereiken.

‘Uw paspoort, alstublieft,’ zegt het meisje achter de incheckbalie.

Ray graaft in zijn beige regenjas en voelt zijn revolver voor hij zijn blauwe Canadese paspoort te pakken heeft.

Terwijl zijn paspoort wordt bekeken, tikt een rechercheur van Scotland Yard hem plotseling op de schouder.

‘Mag ik u vragen om even met mij mee te komen?’ vraagt Philip Birch, die Ray heeft herkend.

In eerste instantie maakt Ray zich niet al te druk. Pas als Birch hem fouilleert en de revolver vindt, wordt hij nerveus.

‘Ik moet naar Afrika. Ik dacht dat ik hem misschien nodig had,’ verdedigt Ray zich.

Maar het is in Engeland illegaal om zonder vergunning een wapen te dragen, en met tegenzin gaat Ray mee naar het hoofdbureau van Scotland Yard. De Britten openen Rays koffer en vinden een jas met een label, waarop ‘Eric Galt’ staat. Dat kan de arrestant niet goed verklaren.

‘We hebben gegronde redenen om aan te nemen dat u niet de Canadese, maar de Amerikaanse nationaliteit bezit,’ zegt commissaris Thomas Butler.

‘Nou, oké ... dat klopt’, mompelt Ray emotieloos.

‘Ik geloof dat uw naam niet Sneyd is, maar James Earl Ray. En dat u in de VS wordt gezocht voor ernstige misdrijven, waaronder moord met een vuurwapen,’ gaat Butler verder. Ray doet er het zwijgen toe De moordenaar weet dat hij is ontmaskerd. Zijn vlucht is ten einde.

Uit vrees dat James Earl Ray zou worden vermoord, gaf de FBI hem tijdens het transport een kogelvrij vest.

© Shelby County Register