Haarlemse kaper wordt hoofd van een piratenstaat

Op een dag in 1619 zet de kaper Jan Janszoon van Haarlem een tulband op en wordt hij moslim. Nu kan hij Europeanen ontvoeren om ze voor enorme bedragen te verkopen op de Afrikaanse slavenmarkten. Janszoon blijkt een natuurtalent en ontpopt zich als een begaafd piraat.

Op een dag in 1619 zet de kaper Jan Janszoon van Haarlem een tulband op en wordt hij moslim. Nu kan hij Europeanen ontvoeren om ze voor enorme bedragen te verkopen op de Afrikaanse slavenmarkten. Janszoon blijkt een natuurtalent en ontpopt zich als een begaafd piraat.

Pier Francesco Mola & Thrandur Thorariusson

De piraten voeren 3700 km om IJslandse dorpen te overvallen.

© Antoine Roux

Middellandse Zeegebied/1623

Zeevarende naties als de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden en Engeland hebben meer koopvaardijschepen dan ooit, en de bemanningen worden steeds vaker gekidnapt door piraten uit Noord-Afrika.

Rond het Marokkaanse Salé hebben de zeerovers zelfs een eigen republiek.

In het holst van de nacht laten drie donkere schepen zachtjes hun anker zakken bij het dorp Baltimore aan de winderige Ierse zuidkust.

Er zijn 280 zeerovers aan boord, die op 19 juni 1631 eindelijk land in zicht kregen. Ze hebben ruim 2000 kilometer afgelegd vanuit hun staat in Noord-Afrika om christelijke slaven te maken.

De aanvoerder van de piraten, Moerad Raïs, wil geen veldslag uitvechten en gaat met een klein groepje mannen aan land om het terrein te verkennen.

‘We hebben een goede plek gevonden. Dit wordt een goede tocht,’ verzekert Moerad zijn mannen als hij terug is.

Niet veel later klimmen 200 ruige zeerovers geruisloos over de reling en gaan ze aan boord van een armada van kleine bootjes.

Het is een bonte verzameling van Berbers, Turken en Europeanen die zich bij hen hebben aangesloten en ze dragen kromzwaarden en musketten.

Als Moerad Raïs zijn aanvalskreet slaakt, barst de hel los in Baltimore. De piraten trappen de deuren van de vissers-hutten in en sleuren alle Ierse bewoners hardhandig de straat op.

Dan steken de zeerovers de huisjes in brand. In een mengelmoes van Turks, Arabisch en Engels wordt de doodsbange dorpelingen te verstaan gegeven dat ze naar de haven moeten.

Daar worden ze in de bootjes gezet, die al snel vol zitten met hysterische Ieren.

Als er tromgeroffel klinkt, weten de piraten dat het tijd is om zich uit de voeten te maken. Over een paar minuten zal de Engelse vloot ter plaatse zijn en zullen de kanonskogels op hen neerdalen.

Moerad Raïs beveelt zijn mannen naar de schepen te roeien. De gevangenen – 22 mannen, 33 vrouwen en 54 kinderen – worden het laadruim in geduwd, waarna de piraten het anker lichten en koers zetten naar het zuiden.

Over een paar weken zullen de Ieren hetzelfde lot ondergaan als duizenden Europeanen vóór hen: ze worden verkocht op de slavenmarkt van Algiers.

Tijdens de reis valt het de Ieren op dat Moerad Raïs lichter getint is dan de meeste andere piraten.

Hij heet dan ook eigenlijk Jan Janszoon, is 61 jaar en komt uit Haarlem.

Zijn hebzucht en hang naar avontuur voerden hem naar Noord-Afrika en nu is hij de leider van Salé, de enige piratenstaat ter wereld.

Op de Ottomaanse markten kon je slaven van alle leeftijden kopen.

© Getty Images

Piraten gijzelden 1,5 miljoen christenen

Het Ottomaanse Rijk was grotendeels opgebouwd door slaven, en 300 jaar lang leverden de Barbarijse piraten werkkrachten aan.

Barbarijse piraten als Moerad Janszoon waren vooral uit op gevangenen als ze schepen en dorpen overvielen.

Naar schatting werden zo’n 1,5 miljoen christelijke slaven van
de 16e tot de 19e eeuw van Europa naar Noord-Afrika gebracht.

Deze onfortuinlijke Europeanen waren de belangrijkste handelswaar van de piraten en werden met name op de markt van Algiers verkocht.

Die Ottomaanse stad was het grootste piratennest van de Middellandse Zee.

Als de piraten hun gevangenen naar Algiers hadden gebracht, werden ze eerst getoond aan de pasja, de leider van de stad. Hij kreeg elke 10e slaaf.

Alle gevangenen voor wie losgeld kon worden gevraagd, kwamen in een speciale gevangenis.

Daar schreven ze jarenlang smeekbeden aan hun familie in de hoop genoeg geld bij elkaar te sprokkelen om zich vrij te kunnen kopen.

Het was niet de bedoeling dat de gevangenen zich tot de islam bekeerden; deden ze dat, dan wilde hun eigen land ze niet meer hebben en waren ze waardeloos.

Wie geen rijke familie had, werd naar de slavenmarkt gebracht.

Vrouwen en jonge jongens werden als seksslaven verkocht, wat in die tijd al werd beschreven als ‘een lot erger dan de dood’.

Mooie meisjes brachten zo’n 350 zilverstukken op, terwijl zeelieden voor 200 zilverstukken aan de Ottomaanse vloot werden verkocht. Ter vergelijking: een paard kostte 12 zilverstukken.

Af en toe, als de piraten een grote slag hadden geslagen, was het aanbod op de slavenmarkt echter zo groot dat je er ‘een christen voor een ui’ kon kopen, zoals schertsend werd gezegd.

Janszoon laat gezin in de steek

Jan Janszoon werd in 1570 geboren, toen de Nederlanders verwikkeld waren in een langdurige oorlog tegen Spanje.

Op zijn 25e besloot Janszoon zich aan te sluiten bij de vrijheidsstrijders. Hij wist een kaperbrief te bemachtigen van prins Maurits en ging jacht maken op Spaanse schepen.

In de 16e eeuw was het heel gewoon dat particulieren officiële toestemming hadden om vijandelijke koopvaardijschepen te overvallen.

Het bestaan als kaper beviel Janszoon wel. De Haarlemmer maakte in heel Europa schepen buit en zag er geen been in om onder valse vlag Spaanse havens binnen te varen.

In 1600 werd hij zelfs verliefd op de Moorse Margarita uit de stad Cartagena. Janszoon bezocht haar regelmatig en kreeg vier kinderen met haar.

Zijn vrouw Soutgen en hun drie kinderen waren in Haarlem achterge-bleven en wisten van niets.

14 jaar lang maakte Janszoon jacht op Spaanse schepen, maar één ding was hem een doorn in het oog: de Staten-Generaal eisten een groot deel van de buit op, en de inkomsten droogden helemaal op toen de Republiek in 1609 een wapen-stilstand sloot met Spanje.

Een tijdlang verdiende Janszoon zijn brood als eerlijke kapitein, maar in 1618 nam hij een drastisch besluit.

Zonder afscheid te nemen van zijn gezin in Haarlem haalde hij zijn tweede vrouw Margarita op in Spanje en zette hij koers naar de wateren rond het eiland Lanzarote, waar het zwart zag van de piraten.

Janszoon had ongetwijfeld gehoord van de rene­gados, de Europese zeelui die zich bij de Barbarijse piraten hadden aangesloten.

Die opereerden vanuit Noord-Afrika en vulden hun zakken met het ontvoeren van slaven en het overvallen van schepen.

Op Lanzarote ontmoette Janszoon de Hollander Ivan de Veenboer, die hem vertelde over zijn avontuurlijke bestaan als piraat.

Hij had zich zelfs laten besnijden en noemde zich Sulayman.

De Veenboer schepte op dat hij de piraten had geleerd grote Europese zeilschepen te besturen – eerder hadden de zeerovers alleen kleinere galeien gebruikt.

Inmiddels voerde De Veenboer het bevel over 50 schepen en had hij de titel raïs als Ottomaanse kapitein.

Janszoon was onder de indruk en voer met Ivan de Veenboer naar Algiers, het grootste piratennest.

Die stad leek in geen enkel opzicht op het aangeveegde Haarlem: de kronkelige straatjes zaten vol louche kroegen en het was levensgevaarlijk om er rond te lopen.

Op de enorme markt van Algiers werden slaven verhandeld, die overal voor in te zetten waren, van tabaksteelt tot prostitutie.

Er leefden zo’n 40.000 slaven in de stad, van wie velen uit Noord- en West-Europa kwamen.

Nederlander wordt overtuigd moslim

Jan Janszoon, voor wie macht en rijkdom de belangrijkste beweegredenen waren, volgde het voorbeeld van De Veenboer.

Hij werd moslim, zette een tulband op en ging zich Moerad noemen. Op 11 mei 1619 vertrok de kersverse bekeerling als stuurman voor Sulayman de Veenboer op zijn eerste tocht als islamitische piraat.

Samen overvielen ze een Hollands koopvaardijschip dat tarwe vervoerde, die ze in Algiers met winst verkochten.

Moerad klom snel op en verdiende veel respect als zeeman.

Hij nam zijn nieuwe geloof serieus: als hij christenen gevangennam om als slaven te verkopen, praatte hij uren op hen in om hen voor de islam te winnen en probeerde hij hen over te halen zich bij hem aan te sluiten.

Toen er een andere Haarlemmer naar Algiers kwam, pochte Moerad dat er goud geld te verdienen was als moslim-piraat.

Omdat de Nederlandse gast zich niet licht liet overtuigen, nam Moerad hem mee naar zijn slaapkamer, waar hij hem zijn afgesneden voorhuid toonde, die hij boven zijn bed had gehangen.

‘Kijk, om moslim te worden hoef je alleen maar dit dingetje af te snijden,’ zei Moerad, maar zijn stadgenoot bleef christen en keerde terug naar Haarlem, waar hij vertelde over zijn bijzondere ontmoeting in Noord-Afrika.

Moerad Janszoon beleefde gouden tijden met Sulayman de Veenboer, maar de vriendschap was van korte duur.

In oktober 1620 werd het schip van de twee klemgevaren door vijandelijke schepen en werden de benen van De Veenboer erafgeschoten.

Voordat hij doodbloedde, droeg hij het bevel over zijn vloot over aan Moerad. In één klap was de Haarlemmer de machtigste kaper-kapitein van Algiers en mocht hij zich zelfs tooien met de titel raïs.

Janszoon bleef echter niet lang in de stad, want Algiers sloot een verdrag met een aantal Europese landen die een eind wilden maken aan de kaapvaart. Daarom verruilde Moerad Algiers voor Nieuw-Salé in Marokko.

‘Voor deze stad halen alle christenen hun neus op,’ schreef een reiziger ooit.

Nieuw-Salé was een smeltkroes van nationaliteiten, maar ondanks de vele etnische en religieuze verschillen was er één ding dat alle inwoners verbond: de piraterij.

Ze hadden het vooral op de gehate Spanjaarden voorzien, die alle niet-katholieken het leven zuur maakten.

Jan Janszoon alias Moerad Raïs voerde geen klassieke piratenvlag. Hij gebruikte telkens de vlag die zijn vijanden het meest in verwarring zou brengen.

© Fatih Samil & creative commons

Piraten van Algiers

Salé had een verdrag met de Nederlanden. Daarom kaapte Moerad in 1627 een schip uit zijn vaderland onder de piratenvlag van Algiers.

Zo kregen de zeerovers uit die stad de schuld.

© Fatih Samil & creative commons

De Nederlanden

Als het hem uitkwam, was Moerad een patriot. Zijn geboortestad Haarlem was verwoest door de Spanjaarden, en als hij een Spaans schip in het vizier kreeg, hees hij de vlag van de Republiek.

© Fatih Samil & creative commons

Marokko

Wanneer de sultan van Marokko naar Salé kwam, hesen de piraten zijn vlag.

De stad had zich losgemaakt, maar de sultan was een bondgenoot en werd met respect bejegend.

© Fatih Samil & creative commons

Ottomaanse Rijk

Officieel viel Salé onder het Ottomaanse Rijk, en tijdens tochten naar verre oorden als IJsland voerde Moerad de Ottomaanse vlag.

De IJslanders spreken nog van de ‘Turkse overval’.

Moerad leidt piratenrepubliek

Nieuw-Salé, dat later zou vergroeien met de Marokkaanse hoofdstad Rabat, viel officieel onder Marokko, maar de kapers wilden geen 10 procent van hun buit afstaan aan sultan Moulay Zidan en riepen een zelfstandige republiek uit.

De piraten spraken af dat ze elk jaar een regering zouden kiezen, een divan, met 14 leden. Moerad Raïs werd de eerste president en grootadmiraal van de republiek Salé.

Dat legde de Haarlemmer geen windeieren: hij had uit hoofde van zijn functie recht op de helft van de opbrengst van de zeeroverij.

Daarnaast verdiende hij goed aan het losgeld dat hij opstreek door de gevangengenomen slaven terug te verkopen aan hun familie.

Kasbah, de versterkte wijk van Nieuw-Salé, werd het hoofdkwartier van de piraten. Hiervandaan verdedigden ze hun land tegen vijanden.

De vesting bewees zijn waarde toen de sultan de piraten weer onder zijn gezag probeerde te brengen en de stad belegerde.

Omdat de zeerovers de kust-wateren rond Salé beheersten, wist de sultan hen nooit te bedwingen.

Uiteindelijk moest Moulay Zidan Moerad Raïs erkennen als leider van Salé. De belegering had de piraten echter wel veel geld gekost, waardoor ze zich genoodzaakt zagen een verbond te sluiten met de sultan.

De republiek Salé kwam tot bloei onder Moerad Janszoon, maar hij was ongelukkig achter zijn bureau en het bloed kroop waar het niet gaan kon.

In november 1623 ging hij weer op rooftocht in het Kanaal, waar hij in een herfststorm terechtkwam. Hij zocht zijn toevlucht in het Zeeuwse Veere.

Gelukkig voor Moerad had de Republiek der Nederlanden een verdrag gesloten met Marokko, en door de vlag van de sultan te hijsen kon Moerad voor anker gaan zonder te worden gearresteerd.

De autoriteiten probeerden hem echter weer op het rechte pad te krijgen.

‘Zijn vrouw en al zijn kinderen werden aan boord gebracht,’ schreef een ooggetuige.

‘Ze smeekten hem het schip te verlaten, net als de ouders van de andere bemanningsleden, maar vergeefs. De mannen verlangden naar hun buit.’

Niet alleen liet Moerad zich niet ompraten, hij wist zelfs een aantal jonge mannen uit Veere te verleiden zich bij hem aan te sluiten.

Zij hadden dan ook weinig toekomst in de Republiek, die al een halve eeuw in oorlog was.

Het vooruitzicht op bergen geld en meerdere vrouwen lokte in de 16e eeuw honderden Europeanen naar Noord-Afrika om er piraat te worden. Velen van hen bekeerden zich tot de islam.

© Imageselect, Bridgeman & Johannes Hewenklau

Jack ‘Birdy’ Ward (1553-1622)

De kaper Jack Ward begon zijn loopbaan als piraat toen hij een Engels schip stal en ermee naar Marokko voer.

Hij werd moslim en bouwde een vloot met ruim 1500 piraten op.

Het verhaal van Ward zou de inspiratie hebben gevormd voor de filmpiraat Jack Sparrow, gespeeld door Johnny Depp.

© Imageselect, Bridgeman & Johannes Hewenklau

Sir Francis Verney (1584-1615)

Na ruzie over een erfenis keerde de edelman Francis Verney Engeland de rug toe.

Hij zoop en duelleerde, tot hij in Tunesië belandde, waar hij de piratenvloot ging aanvoeren.

Verney kon echter niet lang van zijn successen genieten: hij kwam om toen hij gevangengenomen werd door een Siciliaanse piraat.

© Imageselect, Bridgeman & Johannes Hewenklau

Uluj Ali (1519-1587)

De Italiaan Giovanni Galeni werd op zijn 17e ontvoerd door Ottomaanse piraten.

Na twee jaar als galeislaaf bekeerde hij zich tot de islam, en onder de naam Uluj Ali klom hij op in de hiërarchie.

Hij maakte zo veel indruk tijdens zeeslagen dat hij in 1571 grootadmiraal van de vloot werd.

De overval op IJsland

Al was hij inmiddels 57, Moerad Raïs begon in 1627 weer te verlangen naar het piratenleven.

Hij lichtte het anker en begon met vier schepen, 32 kanonnen en meer dan 300 piraten aan de langste tocht van zijn leven.

Een Deense slaaf had Moerad verteld dat hij de weg kon wijzen naar het weerloze IJsland.

‘Ze trokken over het eiland als jachthonden en ze huilden als wolven. Vrouwen en kinderen konden niet ontkomen.’ Ólafur Egilsson, IJslandse dominee, 1627

Dat afgelegen eiland leek het perfecte jachtterrein voor Moerad Raïs, en na een paar weken kregen de piratenschepen de IJslandse zuidkust in zicht.

Om meer kans te maken op gevangenen stuurde de Haarlemmer drie schepen naar het oosten en ging hij zelf met zijn vlaggenschip richting het westen.

IJsland werd als Deense kolonie normaal gesproken bewaakt door de Deense vloot, maar die was vertraagd en lag nog in Kopenhagen toen Moerad het vissersplaatsje Grindavík naderde.

De meeste inwoners vluchtten landinwaarts toen ze de schepen zagen, maar een paar bleven er achter om te vechten.

Ze geloofden hun ogen niet toen de piraten met getrokken kromsabels aan land kwamen.

De opbrengst liet te wensen over voor de Haarlemse meesterpiraat: slechts 15 IJslanders, 12 Denen, een paar huiden en wat gezouten vis.

Later die dag maakte Moerad een Deens koopvaardijschip buit, maar zijn aanval op de kustplaats Álftanes werd afgeweerd door kanonnen en Moerad vertrok naar het zuiden.

De drie overige schepen van Moerads vloot hadden meer succes: op 17 juli vielen ze de Westmaneilanden aan.

De plaatselijke dominee, Ólafur Egilsson, zag het gebeuren:

‘De laaghartige piraten lieten drie sloepen te water en met 300 man voeren ze naar de kust. Ze trokken over het eiland als jachthonden en ze huilden als wolven. De zwakke vrouwen en kinderen konden niet ontkomen.’

De IJslandse gevangenen werden met knuppels bewerkt en opgesloten terwijl de piraten het eiland uitkamden.

‘De piraten brachten iedereen om die zich verzette of die het teken van het kruis maakte of Jezus’ naam sprak,’ schreef Egilsson.

Terwijl de dorpskerk in lichterlaaie stond, werden 234 IJslanders naar de piratenschepen gebracht en aan de andere gevangenen geketend. Op het land waren 34 doden gevallen.

In augustus bereikte Moerad Janszoon met een kleine 400 gevangenen de grote slavenmarkt van Algiers.

‘De IJslanders werden van elkaar gescheiden, zelfs kinderen van hun ouders. Ze werden door de straten gedreven naar het markt-plein toe, waar ze geveild werden als schapen,’ schreef Ólafur Egilsson.

De dominee werd even later naar Kopenhagen gestuurd om de Deense koning Christiaan IV te verzoeken het losgeld dat de piraten eisten te betalen.

De Deense kerken zamelden geld in, maar het duurde jaren voordat de koning genoeg naar Algiers stuurde.

Toen waren de meeste IJslanders al doorverkocht of dood. Slechts 27 van hen keerden terug naar hun vaderland.

Naar aanleiding van deze tragedie stond er tot halverwege de 19e eeuw een bij-zonder gebed in IJslandse psalmboeken: ‘Houd ons, God, aan uw zuivere woord, stop de paus en de Turkse moord.’

Toen Moerad Raïs terugkwam in Salé, lag er een brief uit de Nederlanden.

De Republiek was het enige land met een vredesverdrag met de piraten, en de Hollanders maakten zich kwaad dat hun schepen desondanks belaagd werden.

‘Dat is niet mijn schuld; de bemanning is aan het muiten geslagen,’ antwoordde Moerad.

‘Het zou me betreuren als het verbond door mijn toedoen uiteenvalt, en ik hoop mijn vaderland te kunnen dienen tot de dag van mijn dood.’

Het was een toneelstukje: een paar maanden eerder had Moerad zelf een Hollandse koopvaarder gekaapt.

Het fort dat het hoofdkwartier van Moerad en zijn mannen was, staat nog in Rabat.

© Imageselect

Piraat wordt zelf gevangene

Hierna begon het de Haarlemse zeerover tegen te zitten. Onenigheid tussen de verschillende nationaliteiten in Salé was tot een soort burgeroorlog uitgegroeid, en de krijgsheer Sidi al-Ayachi was uit op een jihad, een heilige oorlog, tegen de christenen.

Hij wilde de piraten daarbij inzetten en veroverde daartoe in 1627 de republiek Nieuw-Salé. Moerad Raïs wist op tijd te ontkomen en vestigde zich opnieuw in Algiers.

Er zijn veel aanwijzingen dat de Nederlandse piratenkapitein hier een aantal magere jaren doormaakte, want er bestaan weinig verslagen van overvallen door zijn vloot uit deze periode.

Volgens enkele bronnen veroverde hij het kleine eilandje Lundy voor de Engelse westkust en zette hij daarvandaan zijn zeeroverij voort.

Andere Europese kapers zaten hem daarbij regelmatig dwars.

Maar in 1635 was het gedaan met zijn geluk. Tijdens een rooftocht op de Middellandse Zee kreeg Moerad zeven schepen van de Maltezer orde in het vizier.

De ridders op Malta vormden een katholiek bolwerk tegen de islamieten uit Noord-Afrika en namen het vaak op tegen de islamitische piraten.

Moerad Raïs had geen escorte en moest zich gewonnen geven. Hij werd op Malta in de gevangenis gegooid.

Vijf jaar lang zat de piraat eenzaam in zijn cel, gemarteld en gebroken, terwijl de ridders wachtten tot iemand hem vrij zou kopen.

En Moerad bleek toch niet helemaal vergeten, want in 1640 werd hij vrijgelaten.

De nieuwe Marokkaanse sultan, Moulay Muhammad, had het losgeld betaald om de inmiddels bejaarde piraat de post van gouverneur in de stad Oualidia te geven.

Volgens de sultan was hij een van de weinigen die de piraten van het land in toom konden houden.

Zoons maakten het in Amerika

Jan Janszoon brandde dorpen plat en maakte de inwoners tot slaaf, maar was ook een voorvader van een beroemd Amerikaans geslacht.

Omdat het onrustig was in Salé, stuurde Moerad in 1627 zijn zoons Anthony en Abraham de wijde wereld in.

Ze kwamen terecht in Nieuw-Amsterdam, het latere New York, en behoorden tot de eerste moslims in de Nieuwe Wereld.

Het bestaan was zwaar, maar vooral Anthony had een neus voor zaken en werd een van de grootste grondbezitters op Manhattan.

Hij was de eerste bewoner van Coney Island, dat nog eeuwenlang ‘Turk Island’ genoemd werd.

Zijn nazaten verspreidden zich over het hele land en maken deel uit van de stamboom van vooraanstaande lieden als de zakenman Cornelius Vanderbilt, de 29e president Warren G. Harding en Jacqueline Kennedy Onassis.

Jackie Kennedy was een van de vele verre nakomelingen van de Haarlemse piraat Jan Janszoon.

© Getty images

Een gelukkig einde

Binnen een paar weken verruilde de Haarlemmer zijn krappe cel voor een gouverneurspaleis.

En rond kerst 1640 kreeg hij onverwacht bezoek uit het vaderland: zijn tweede dochter Lysbeth. Moerad had haar geschreven toen hij uit Malta was vertrokken.

Lysbeth was diep onder de indruk van het paleis. Er waren fraaie tuinen met fonteinen, mozaïeken op de vloer en bedienden in kleurrijke gewaden.

Vader en dochter omhelsden elkaar voor het eerst in 17 jaar, en na een paar maanden in Marokko besloot Lysbeth haar vader te vergeven dat hij zijn gezin in de steek had gelaten.

Ze bleef in het paleis wonen met haar stiefmoeder en haar vader, de Haarlemse piraat.

Hoe het de 70-jarige Moerad Janszoon hierna verging, zullen we nooit weten. De enige informatie die we hebben is één zinnetje uit een oude, Nederlandse biografie.

Dat luidt: ‘Hij is niet door natuurlijke oorzaken gestorven.’