In 1256 rukten de Mongolen op naar het hoofdkwartier van de Assassijnen, Alamoet.

© Viginia Museum of Fine Arts

Gevreesde sluipmoordenaars moesten vechten voor hun leven

De Assassijnen zijn de meest gevreesde sekte van het Midden-Oosten. Ze hebben spionnen in paleizen van China tot Europa en zijn elke dreiging de baas. Maar dan komen de Mongolen.

2 maart 2018 door Lise Jørgensen

In 1256 stuurt de grootmeester van de Assassijnen, Ala al-Din, zijn 400 beste sluipmoordenaars naar de Mongoolse hoofdstad Karakorum in het huidige Mongolië. Jonge mannen zijn het, die jaren zijn getraind in spionage en man-­tegen-mangevechten.

Nu hebben ze een nieuwe missie. In opdracht van Ala al-Din moeten ze, vermomd als kooplieden en boeren, ruim 7000 kilometer door Mongools gebied reizen en de Himalaya oversteken om het Mongoolse hof te infiltreren en de leider van de Mongolen, Mangu Khan, ter dood te brengen.

Anders dan andere krijgers, die op het slagveld tegen hun vijanden strijden, gaan de Assassijnen hun tegenstanders liever te lijf door hun leiders te doden. 

Als Mangu Khan sterft, zal er een einde komen aan het Mongoolse offensief in het Midden-Oosten, zo redeneert de grootmeester. 

En de geschiedenis geeft hem gelijk: gedurende 200 jaar hebben de Assassijnen al hun vijanden middels sluipmoord en spionage uitgeschakeld.

Ala al-Dins mannen zijn grenzeloos loyaal. Hoewel ze weten dat de missie in Karakorum hun het leven zal kosten, aarzelen ze niet. Want de grootmeester zal hen in het paradijs verwelkomen.

Hassan-i Sabbah vormt een sekte

De Assassijnen ontstonden rond 1080 als een religieuze sekte. Ze waren moslims die in de sjiitische traditie stonden. 

Daardoor lagen ze continu in de clinch met de soennitische Seltsjoeken, die alle anderen onderdrukten.

Doordat er in heel het Midden-Oosten onvrede was over de Seltsjoeken, had de charismatische Hassan-i Sabbah binnen een paar jaar een grote groep aanhangers verzameld. 

Zij vormden de basis van zijn Orde van Assassijnen, die in tien jaar zo groot werd dat ze de vesting Alamoet (Arendsnest) in het noordwesten van het huidige Iran kon innemen.

Met deze bergvesting als uitvalsbasis onderwierpen Hassan-i Sabbah en zijn aanhangers de dorpen in de omgeving. Zo werd hun rijk, de ‘Nizari Ismaili-staat’, langzaamaan steeds groter.

Hoe Alamoet er precies uitzag, is volgens archeologen op dit moment niet duidelijk. De Venetiaanse ontdekkingsreiziger Marco Polo heeft de burcht en de tuin ervan echter beschreven. 

Toen hij aan het eind van de 13e eeuw op weg was naar China, reisde hij door deze regio en hoorde hij over de Assassijnen.

Hoewel Marco Polo in verschillende opzichten de plank misslaat, staat het vast dat Hassan-i Sabbah Alamoet op een indrukwekkende manier uitbreidde: 

‘Hij had tussen twee bergen een vallei gecreëerd en hier de grootste, mooiste tuin aangelegd die er bestaat. Er stonden allerlei fruitbomen, en de paviljoens en paleizen in de tuin waren sierlijker dan je je kunt voorstellen.’

In zijn memoires vertelt Marco Polo over beken ‘waardoor melk en honing stroomde’ en over ‘de mooiste maagden ter wereld, die dansten en zongen met de prachtigste stemmen’. 

Volgens Marco Polo was de tuin gemaakt naar de beschrijving die de profeet Mohammed gaf van het paradijs van de moslims, want de grootmeester wilde de mensen laten geloven dat de tuin het paradijs wás.

In het noordwesten van Iran liggen de ruïnes van Alamoet.

© Getty images & Shutterstuck

Les in sluipmoord en spionage

Het was echter niet alles pais en vree in Alamoet. Hassan-i Sabbah trainde zijn jonge, mannelijke aanhangers namelijk in spionage, afpersing, vechten en sluipmoord. 

Om hen aan zich te binden gebruikte hij de paradijselijke tuin. De grootmeester gaf een veelbelovende groep rekruten dan een hallucinogene drank – mogelijk op basis van cannabis – waardoor ze in een diepe slaap vielen.

‘Als ze ontwaakten op een betoverende plek, meenden ze in het paradijs te zijn,’ zegt Marco Polo. 

Hij verklapt ook de tactiek van de grootmeester: als de mannen weer in slaap vielen, werden ze terug naar de vesting gebracht, waar ze hun missie te horen kregen. 

Alleen als ze die vervulden, wachtte het paradijs, aldus de grootmeester, die behalve een religieuze ook een politieke en militaire leider was.

Het verblijf in de tuin was zo heerlijk geweest, dat de rekruten er alles voor over hadden om terug te kunnen. Zelfs martelingen en een gewelddadige dood schrikten hen niet af. 

De geruchten over het paradijs trokken bovendien nieuwe rekruten aan, die eveneens de beruchte training doorliepen om vervolgens terug te keren naar hun oude bestaan.

Als ‘slapende agenten’ wachtten ze tot ze werden geactiveerd om een missie uit te voeren. 

Op den duur strekte het Assassijnse netwerk van spionnen en moordenaars zich uit van China in het oosten tot aan de Europese hoven in het westen.

Alamoet had overal ogen en oren, en begin 13e eeuw volgden de Assassijnen met argusogen hoe Dzjengis Khan de Mongoolse stammen verenigde en grote gebieden in Centraal-Azië onderwierp. 

Sinds 1210 was de kleinzoon van Hassan-i Sabbah, Jalal al-Din Hasan, de nieuwe grootmeester, en hij voorzag het gevaar dat de Mongolen konden vormen voor de Assassijnen.

In eerste instantie concentreerden de Mongolen zich op Azië, maar in 1218 richtten ze de blik op het Midden-Oosten, waar de soennitische Chorasmiden de dienst uitmaakten.

Grootmeester helpt Mongolen

Jalal al-Din Hasan rook meteen een kans om van de Chorasmiden af te komen, die al lang zijn vijand waren. Hij bood de oprukkende Mongolen daarom een partnerschap aan. 

Maar de Mongolen zagen niets in een bondgenootschap, en nadat ze de Chorasmiden hadden verslagen, stoomden ze door naar het grondgebied van de Assassijnen.

Intussen overleed grootmeester Jalal al-Din Hasan en erfde zijn jonge zoon Ala al-Din zowel de titel als de Mongoolse dreiging. 

Jarenlang probeerde Ala al-Din tot een akkoord te komen met de Mongolen, en in 1231 deed zich eindelijk een mogelijkheid voor, toen de Mongolen de sjah van de Chorasmiden zochten, die aan hen was ontsnapt. 

Dankzij zijn grote netwerk van Assassijnen had Ala al-Din de schuilplaats van de sjah in Koerdistan binnen de kortste keren opgespoord.

De hulp met de gevangenneming van de sjah maakte de zaak er echter alleen maar erger op. Na de nederlaag van de Chorasmiden waren de Assassijnen de sterkste macht in de regio, zodat ze nu zelf de Mongoolse opmars blokkeerden.

In een laatste poging om de relatie te redden stuurde Ala al-Din in 1240 een diplomatieke delegatie naar Karakorum. 

Maar de geruchten over de Assassijnse sluipmoordenaars waren hen vooruit­gesneld, en ze mochten de Mongoolse ambtenaren niet eens ontmoeten.

Mangu Khan grijpt de macht

In die tijd ontstond er bij de Mongolen een intern conflict over de erfopvolging en kwam hun offensief tot stilstand. 

In de tien jaar die het conflict duurde, hadden de Assassijnen geen last van hen. Aan de vrede kwam echter abrupt een einde toen in 1251 Mangu Khan – een van de vele kleinkinderen van Dzjengis Khan – de macht greep.

Mangu Khan was ambitieus en stelde meteen alles in het werk om zijn macht te versterken. Hij stuurde zijn broer Hulagu naar het Midden-Oosten om de Assassijnen weg te vagen. 

In reactie daarop beval Ala al-Din 400 van zijn beste sluipmoordenaars om te infiltreren in het Mongoolse hof in Karakorum en de heerser Mangu Khan te doden.

Toen het gerucht van de grote groep sluipmoordenaars de Mongolen ter ore kwam, brak er volgens de missionaris Willem van Rubroeck, die in die tijd het Mongoolse hof bezocht, grote paniek uit.

‘De zondag voor Hemelvaartsdag kwamen we in Karakorum aan. Een dag later werden we bij Bulgai geroepen, de hoogste minister en een belangrijke rechter. 

Hij liet ons een voor een bij zich komen en wilde weten waar we vandaan kwamen en wat het doel van ons bezoek was. 

Het verhoor ging maar door, want Mangu Khan had gehoord dat er 400 vermomde Assassijnen op weg waren om hem te vermoorden,’ schreef hij later.

Tot groot ongenoegen van Ala al-Din slaagde niet een van zijn krijgers erin de missie te volbrengen.

Mongolen lijden nederlaag

In 1253 marcheerde Hulagu met zijn leger in de richting van het huidige Iran. Volgens de meeste bronnen bestond het leger uit circa 17 tumen, een Mongoolse legereenheid van 10.000 man. Dat zijn in totaal dus zo’n 170.000 soldaten.

De Assassijnen beschikten slechts over zo’n 60.000 mannen, en in een burcht bevonden zich zelden meer dan 200 soldaten. 

Ondanks dit enorme verschil in aantallen konden de Mongolen, toen ze in 1256 het grondgebied van de Assassijnen binnendrongen, maar weinig uitrichten tegen hun goed getrainde en goed georganiseerde vijanden. 

Bij de vestingen Quhistan en Girdkuh eindigde de Mongoolse aanval in een aftocht.

De nederlagen waren een leerschool voor de zelfverzekerde Mongolen, en de Perzische historicus Juvayni, die met de Mongolen meereisde, beschreef later hoe de krijgers hun toevlucht namen tot katapult­experts en naftawerpers, die de vijand bekogelden met brandende olie.

Naar verluidt waren de Assassijnen zo loyaal dat ze zelfmoord pleegden als hun grootmeester dat wilde.

© Sabah.com

De laatste grootmeester

Toen de Mongolen in 1256 aanvielen, was Ala al-Din inmiddels overleden, en zijn zoon Rukn al-Din was nog geen jaar aan de macht. 

Hij had zijn naam nog niet gevestigd en genoot bij zijn mannen niet hetzelfde respect als zijn voorgangers.

De Mongolen vielen de vesting Quhistan aan, waarop Rukn al-Din angstig een bericht aan Hulagu stuurde dat hij wilde onderhandelen.

Hij verontschuldigde zich voor de tegenstand van zijn vader en bood de Mongolen totale onderwerping aan.

Hulagu antwoordde dat de Assassijn persoonlijk naar het Mongoolse kamp moest komen om zich aan de voeten van de Mongoolse leider te werpen.

Toen Rukn al-Din zijn veilige burcht verliet, vielen de Mongolen de gebieden rond Alamoet aan.

De aanval mislukte, waarop Hulagu Rukn al-Din liet weten dat hij hem niet verantwoordelijk zou houden voor zijn vaders wandaden en dat ze hem tot vazal zouden maken als de Assassijnen zich overgaven.

Rukn al-Din gaf de burchten Girdkuh en Quhistan opdracht om zich over te geven, maar de krijgers weigerden dit. 

Intussen kwamen er meer Mongoolse troepen bij, en al snel waren de Assassijnen geheel omsingeld.

Zelf bevond Rukn al-Din zich in de vesting Maymundiz, die nu ook werd belegerd. En hoewel de Mongolen er niet in slaagden door de dikke muren van de burcht heen te dringen, zorgde hun aanval voor onrust en tweestrijd onder de aanwezige Assassijnen.

Op 19 november 1256 gaf Rukn al-Din zich uiteindelijk over aan Hulagu. Maar toen hij de Assassijnen vervolgens het bevel gaf tot capitulatie, gaf lang niet iedereen daar gehoor aan. 

De krijgers in de burchten Lamsar, Girdkuh en Alamoet bleven onverschrokken doorvechten tegen de Mongoolse belegeraars.

Ten slotte stuurde Hulagu Rukn al-Din in eigen persoon naar Girdkuh om de Assassijnen zover te krijgen dat ze de wapens neerlegden. 

Toen die echter bleven weigeren, wist Hulagu niet meer wat hij met de grootmeester aan moest. Hij stuurde hem naar zijn broer Mangu Khan in de hoofdstad Karakorum.

Mangu Khan wilde Rukn al-Din echter niet ontvangen voordat die zijn mannen in Lamasar en Girdkuh zover had dat ze zich overgaven. 

Er zat daarom voor de grootmeester niets anders op dan terug te keren naar het Midden-Oosten.

Rukn al-Din zou zijn bestemming nooit bereiken. Volgens Juvayni voerde zijn Mongoolse escorte hem, zodra ze de stad uit waren, het binnenland in om hem met zijn eigen zwaard te doden.

De strijd was echter nog niet voorbij. Pas toen Girdkuh zich na 17 jaar overgaf, werd de laatste Assassijn gedood.

Lees ook

James Waterson: The Ismaili Assassins, Frontline Books, 2008. J. J. Saunders: The History of the Mongol Conquests, Routledge, 1971.

Bekijk ook ...