Al Capone gedroeg zich als een superster. Hij had altijd zo’n 50.000 dollar aan contanten op zak en smeet met kostbare geschenken.

© Polfoto/Corbis

Al Capone: Zo kreeg de fiscus hem te pakken

Gangsterbaas Al Capone verdiende een fortuin aan de op drank, seks en gokken beluste burgers van Chicago. Zijn strafblad droop van het bloed, maar uiteindelijk belandde de gevreesde én geliefde topcrimineel door een banaal vergrijp als belastingfraude achter de tralies.

19 oktober 2018 door Stine Overbye

In het beklaagdenbankje van de bomvolle rechtszaal zat een man met donker haar, strak in het pak. Hij was eraan gewend dat mensen om hem heen plotseling de dood vonden. Hij werd omringd door mannen met een geladen wapen op zak en in zijn opdracht waren 400 à 500 mensen gedood. Maar hij stond terecht voor een heel ander soort vergrijp. Al ‘Scarface’ Capone werd 

beschuldigd van belastingfraude en op 24 oktober 1931 werd in een van de best bezochte rechtszaken van de VS het vonnis geveld: Capone werd schuldig bevonden en veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 11 jaar en een boete van 50.000 dollar.

Capone had tot het laatst gehoopt dat hij de dans zou ontspringen, zoals zo vaak in zijn criminele loopbaan, maar nu was hij toch de pineut. Toch zette hij zich ertoe om een praatje te maken met de persfotografen die zich voor het gerechtsgebouw hadden opgesteld.

‘Neem maar veel foto’s jongens, want jullie zullen mij vast en zeker een tijdje niet zien’, voorspelde hij.

Door zijn extravagante levensstijl en ruwe charme was Al Capone jaren de lieveling van de pers geweest, maar nu begon er voor hem een leven buiten de schijnwerpers. Voorbij waren de tijden waarin de gangsterkoning met het ronde gezicht en de wijkende haargrens met geld kon strooien alsof het confetti was, voorbij was zijn leven in luxe, toen hij zich als een president in zijn kogelvrije Cadillac liet vervoeren. Op de leeftijd van slechts 32 jaar was het symbool van wetteloosheid in Chicago door zijn verleden ingehaald.

Al wordt Scarface

De rechtszaak haalde overal ter wereld de voorpagina van de krant, want Al Capone was een beroemdheid. Hij was jarenlang bijna dagelijks in het nieuws, meestal in verband met illegale sterkedrank en plotselinge sterfgevallen, maar ook als hij een paardenrace bezocht of als een moderne Robin Hood armen hielp, bijvoorbeeld door een gaarkeuken voor werklozen te openen.

In zijn jeugd viel Alphonse, zoals zijn doopnaam luidde, niet bijzonder op. Als zoon van Italiaanse immigranten die in 1894 in New York waren aangekomen, groeide hij op in een gezin met negen kinderen. Ze hadden het niet breed, maar de ouders werkten hard en zorgden ervoor dat de kinderen altijd schone en nette kleding droegen en dat ze voldoende te eten hadden.

Op school deed Al het redelijk goed, maar toen hij in de puberteit kwam,
begonnen de problemen. Op zijn 14e sloeg hij een leraar, werd van school
gestuurd en moest gaan werken. Hij pakte allerlei baantjes aan.

Om zijn bescheiden inkomen aan te vullen pleegde Capone kleine diefstallen. Met zijn lidmaatschap van de nietsontziende Five Points-bende legde hij de basis voor zijn criminele loopbaan.

De bendeleden gingen nooit op pad zonder mes en pistool. Ze werkten als afperser, beveiliger en moordenaar en al gauw bleek dat Capone de kwaliteiten bezat die nodig waren voor dit milieu. Hij was groot, sterk en voor niemand bang. Twee keer werd hij gearresteerd op beschuldiging van moord, maar hij kwam beide keren vrij wegens gebrek aan bewijs. De leiders van Five Points, Frankie Yale en Johnny Torrio, zagen wel wat in deze keiharde jongen.

Yale huurde Capone in als barkeeper en uitsmijter van een van zijn clubs, Harvard Inn. Een voorval in deze club leverde de 18-jarige jongen zijn bijnaam Scarface op. Een gast trok na een ruzie zijn mes en sneed Capone drie keer in zijn linkerwang. 30 hechtingen lieten een litteken achter. Hij beweerde later dat hij het in de Eerste Wereldoorlog had opgelopen bij een man-tegen-mangevecht in een loopgraaf.

Met het litteken straalde de jonge gangster gezag uit, maar hij draaide uit ijdelheid wel altijd zijn rechterwang naar de camera als hij voor fotografen poseerde. Ondanks zijn wat gehavende uiterlijk oefende Al Capone een grote aantrekkingskracht uit op vrouwen. Hij gedroeg zich als een volmaakte gentleman tegenover het andere geslacht.

De vrouw die zijn hart veroverde, was de twee jaar oudere Ierse verkoopster Mae Coughlin, die in december 1918 op 21-jarige leeftijd mevrouw Capone werd – nauwelijks een maand nadat zij was bevallen van hun zoon Albert ‘Sonny’ Francis Capone.

Al Capone verhuisde met zijn gezinnetje naar Baltimore, waar hij als brave huisvader als boekhouder aan de slag ging. Deze gezagsgetrouwe periode was echter van korte duur. Capone keerde in 1920 met vrouw en zoon naar Chicago terug om zich aan te sluiten bij zijn oude leermeester Johnny Torrio, die bezig was een misdaadimperium op te bouwen. 

Moordenaar en weldoener: Capone stopte enorme bedragen in deze gaarkeuken, waar 3000 werklozen elke dag gratis eten kregen.

© Polfoto/Corbis

Imperium krijgt vorm

Torrio en zijn kompanen hadden de tijdgeest mee, want op 17 januari 1920 – de 21e verjaardag van Al Capone – voerden de VS landelijk een algeheel verbod op alcohol in. 

De Amerikanen waren echter net zo dorstig als voorheen, en toen Capone nog maar koud terug was in Chicago raakte hij bij de louche zaakjes van Torrio betrokken – eerst en vooral de illegale drankhandel.

Al Capone werd al snel Torrio’s rechterhand en ontving een startsalaris van ruim 2000 dollar per maand. 

De geslepenheid die later zijn handelsmerk zou worden, had hij nog niet ontwikkeld. Hij was vooral een opzichtig uitgedoste, drankzuchtige schooier die zijn geld vergokte in het casino.

Torrio sloot in zijn expansiedrang deals met eigenaren van brouwerijen voor het leveren van bier en zette een Canadees-Amerikaanse smokkelroute voor whisky op.

En hij maakte afspraken met de andere bendes van de stad. Ze verdeelden Chicago in districten: elke bende was de baas in zijn eigen territorium.

Capone was verantwoordelijk voor het beheer van de kroegen, bordelen en speelholen. 

Hij zorgde er bovendien voor dat politiemensen, officieren van justitie, rechters en politici werden omgekocht en dat de buren van beoogde etablissementen overladen werden met cadeaus zoals een nieuwe auto en meubels of een renovatie van hun huis.

Integriteit was ver te zoeken in het Chicago van de jaren 1920, en de meesten namen de geschenken graag aan. 

De enkeling die zich niet liet omkopen moest het bezuren. Eerst werd hij afgetuigd, en als dit niet hielp volgde liquidatie. Het was niet persoonlijk bedoeld, maar zaken zijn zaken.

En wat voor zaken! Het geld kwam met bakken tegelijk binnen. In het voorjaar van 1924 runden Torrio en Capone zo’n 20 grote bordelen, die Capone zelf ook bezocht – met fatale gevolgen, naar later zou blijken. 

Maar verreweg het grootste deel van de verdiensten kwam van de circa 65 brouwerijen die de bende bezat, en de pakweg 15.000 illegale kroegen die Torrio en Capone van bier en sterkedrank voorzagen.

De bende kocht een groot deel van het politiekorps en de ambtenaren om; het ging hier om noodzakelijke, ingecalculeerde bedrijfskosten. 

Als Torrio soms opschepte over het feit dat hij de politie in zijn zak had, kraamde hij bepaald geen onzin uit, maar hij was zelf een witteboordencrimineel en liet anderen het vuile werk opknappen. 

Elk bendelid dat werd aangehouden, werd bijna onmiddellijk weer vrijgelaten. Gebeurde het onverhoopt dat er toch een voor de rechter moest verschijnen, dan was de kans op vrijspraak groot.

Juryleden werden omgekocht of met de dood bedreigd, getuigen verdwenen spoorloos of trokken hun verklaring in. Vaak was het zelfs een probleem om een jury samen te stellen. 

Men weigerde met het argument dat het ‘niet goed was voor je gezondheid’ om aan rechtszaken tegen gangsters deel te nemen.

Geweld garandeerde herverkiezing

Ook al hadden de criminelen Chicago onder elkaar verdeeld, de territoria werden niet gerespecteerd. Rivaliserende bendes probeerden telkens opnieuw met veel wapengeweld het territorium van Torrio-Capone binnen te dringen.

De strijd om Cicero, een belangrijke voorstad van Chicago, was het bloedigst. En juist hier leek een burgemeestersverkiezing in april 1924 de plannen van het tweetal te dwarsbomen. 

Burgemeester Joseph Klenha, republikein, stond op verlies tegen een democraat die anders dan Klenha van plan was prostitutie, gokspelen en illegale kroegen aan te pakken. 

Om hun verdiensten veilig te stellen moesten Capone en Torrio zeker zijn van Klenha’s herverkiezing. Capone zou dit regelen, terwijl Torrio op vakantie ging naar Italië.

Al vroeg op de verkiezingsdag reed een stoet auto’s met zwaarbewapende gangsters Cicero binnen. Ze bezetten de stembureaus en wilden van de kiezers weten op wie ze zouden stemmen.

De gangsters keken in het stemhokje mee of de kiezers wel een kruisje zetten bij Klenha. Wie protesteerde werd afgetuigd, en afgevaardigden die probeerden in te grijpen, werden ontvoerd of simpelweg in hun benen geschoten.

De geschrokken burgers riepen de politie van Chicago om hulp, en er arriveerde een troepenmacht van zo’n 100 man. Tijdens de gewelddadige confrontatie die volgde, werd Al Capones oudere broer Frank doorzeefd met kogels uit politiegeweren. Ook drie anderen werden gedood en 40 raakten er gewond.

Capone keek met gemengde gevoelens terug: hij verloor zijn broer, maar verzekerde de republikeinen, dus zichzelf, van een overweldigende zege.

Door de herverkiezing van Klenha konden Capone en Torrio uitbreiden in Cicero, dat van de ene op de andere dag een van de akeligste plekken van de VS werd – een gezegde luidde zelfs: ‘Ruikt het naar kruit, dan ben je in Cicero.’

Kroegen en speelholen schoten uit de grond, 160 waren er onafgebroken geopend. Binnen enkele maanden verdienden Torrio en Capone wel een half miljoen dollar per maand – in Cicero. 

Grond te heet onder de voeten

Velen in de onderwereld waren niet blij met de dominantie van de bende. Vooral de Ierse gangsterbaas Dion O’Banion, die het North Side-district beheerste, had een bloedhekel aan Capone en Torrio, ook al waren ze partners.

Hij verkocht aan Torrio zijn aandeel in een bierbrouwerij, zogenaamd omdat hij genoeg had van de branche. 

Maar in werkelijkheid waren de Ieren gewaarschuwd voor een ophanden zijnde razzia, en inderdaad: enkele dagen nadat Torrio O’Banion had uitbetaald, werd hij in de brouwerij aangehouden.

Met deze actie tekende O’Banion zijn doodvonnis: op 10 november 1924 pompten drie mannen hem vol lood. Wie hierachter zaten was bij iedereen bekend, en de bendeoorlog escaleerde. 

Oude bondgenootschappen werden verbroken, nieuwe ontstonden en het districtensysteem viel uit elkaar. De strijd om de macht in Chicago barstte in alle hevigheid los.

De inwoners van de stad reageerden verbazend koel op de bendeoorlog, tenminste zolang de criminelen alleen andere criminelen om zeep brachten. 

Ze haalden hun schouders op als ze over weer een moord hoorden en stelden vast dat de gangsters elkaar weldra zouden hebben uitgeroeid. Voor de media was de oorlog smullen geblazen. 

De cocktail van drama, dood en excentrieke personen leverde prachtig voorpaginanieuws en over de hele wereld rapporteerden kranten dagelijks over dit oorlogsgebied in een stad, waar mannen hun pistool bij zich hadden zoals vrouwen hun lippenstift. ‘47 doden in bieroorlog’, was een typerende kop.

De politie had Al Capone herhaaldelijk in het vizier, maar het Openbaar Ministerie kon of wilde hem niet pakken op de moordpartijen.

‘De politie beschuldigt mij van een heleboel moorden. Ik ben voor zo goed als alle sterfgevallen aangeklaagd, afgezien van die in de Eerste Wereldoorlog’, zei de gangster zelf tegen een journalist.

Capone bekende zelfs aan deze journalist dat hij niet ‘helemaal eerlijk’ was. ‘Maar wie wel?’, voegde hij eraan toe.

Hij kwam bijna zelf als slachtoffer in de statistieken terecht, toen de nieuwe baas van de North Side-bende, Hymie Weiss, hem in januari 1925 te grazen wilde nemen als wraak voor de moord op O’Banion. 

Twee huurmoordenaars stopten naast de auto van Capone en doorzeefden die, maar wonder boven wonder kwam Capone er zonder kleerscheuren vanaf. 

Hij schafte nu wel een nieuwe auto aan – een speciale, kogelvrije Cadillac – en omringde zich dag en nacht met lijfwachten die bereid waren hun leven voor hem te geven.

Ook op Torrio – inmiddels een dagje ouder – werd jacht gemaakt. Toen hij in januari 1925 ternauwernood een aanslag overleefde, werd de grond hem te heet onder de voeten. 

Hij nam afscheid van Chicago en vertrouwde zijn miljoenenbedrijf met brouwerijen, nachtclubs, stokerijen, speelholen, bordelen 

Al Capone liet de Cadillac-fabriek een kogelvrije auto bouwen, die ondanks zijn bijna vier ton 180 km/h haalde en met hoge snelheid bochten kon nemen.

© Polfoto/Corbis

Capone liquideerde rivalen

Al Capone was nog maar 26 en nu al de koning van de grootste misdaadorganisatie van Chicago, maar het rijk dat hij had geërfd, dreigde uiteen te vallen. 

De North Side-bende zocht de aanval: keer op keer kaapten ze Capones vrachtwagens met sterke drank en overvielen ze de kroegen die zijn drank kochten.

Capone sloot de ene wapenstilstand na de andere, maar de vrede bleek altijd van korte duur. De bendes bevonden zich in een neerwaartse spiraal van inhaligheid en wraakzucht: niets leek het bloedvergieten te kunnen stoppen.

Het was in gangsterkringen geen geheim dat de North Side-bende achter de aanslag op Johnny Torrio en een aantal fatale aanvallen op vertrouwelingen van Capone zat. 

Op 14 februari 1929 – Valentijnsdag, de officiële dag van de liefde in de VS – vond de afrekening plaats die voor eens en voor altijd de macht van Capone moest bevestigen.

Zes kopstukken van de North Side-bende waren ’s ochtends vroeg bijeengekomen in een pakhuis, waar ze op een lading whisky wachtten. Terwijl ze koffie zaten te drinken met een kennis, stopte er een politieauto voor het pakhuis. 

Twee agenten, waarschijnlijk geen echte, of corrupte, stapten uit, liepen het gebouw in, ontwapenden de aanwezigen en zetten hen tegen de muur.

Vervolgens doken er nog twee mannen op, die hun machinepistolen op de zeven mannen richtten en hen in koelen bloede doodschoten.

Niemand werd ooit veroordeeld voor het bloedbad, maar iedereen wist dat Al Capone erachter zat. De Amerikaanse overheid zette hem hoog op de lijst van criminelen die hoe dan ook aangepakt moesten worden.

Gaarkeuken voor 3000 armen

Al Capone was op het hoogtepunt van zijn carrière en zwom in het geld. Hij had altijd een dikke stapel bankbiljetten ter waarde van ongeveer 50.000 dollar op zak, kocht grote huizen en auto’s en smeet met buitensporige cadeaus.

Op diverse toplocaties in Chicago had Capone een hoofdkwartier voor de bende ingericht. 

In The Metropolitan Hotel in het centrum beschikte hij over twee verdiepingen met 50 kamers en in het Lexington Hotel namen de bendeleden met hun karakteristieke antracietgrijze vilthoeden drie etages in beslag. 

Hier ontving Capone lokale politiemensen, advocaten, ambtenaren en politici, die op audiëntie kwamen bij de koning van de onderwereld of uitbetaald werden.

Al Capone gedroeg zich als een filmster en bij honkbalwedstrijden en luxueuze feesten liet hij zich maar al te graag fotograferen. Maar hij vervulde ook de rol van weldoener voor 3000 hongerige werklozen, die dagelijks in zijn gaarkeuken te eten kregen.

In een krant zei hij: ‘Ik kan er niet tegen als mensen honger of kou lijden.’

En waarschijnlijk meende hij dat ook. De exploitatie van de gaarkeuken kostte honderdduizenden dollars per jaar en als het hem alleen om positieve publiciteit te doen was geweest, had hij met minder kunnen volstaan. De pers had het verhaal toch wel verteld.

Onderste steen komt boven

Ondanks een niet aflatende inzet lukte het de centrale overheid in Washington niet Capone direct te koppelen aan de 400 à 500 moorden waar hij achter zou zitten. Daarom werden bewijzen gezocht voor andere wetsovertredingen.

Federale agenten luisterden zijn telefoon af, hielden razzia’s in zijn brouwerijen en goten duizenden liters bier en whisky in het riool, maar Capones gevaarlijkste tegenstander bleek van een andere orde: de belastingdienst. 

Frank Wilson leidde een groep belastingexperts die achter Capone aanzaten en nauwgezet te werk gingen. 

Ze legden alle papieren die de politie door de jaren heen in beslag had genomen bij razzia’s in Capones etablissementen onder de loep, en de bewijzen stapelden zich op.

Capone had alleen al in een van zijn speelholen volgens de boeken 587.721 dollar verdiend, maar slechts 300 dollar aan de belastingdienst opgegeven. 

Vanuit de gevangenis kon Al Capone eerst nog zijn organisatie leiden, maar toen hij in 1934 naar Alcatraz werd overgebracht, was het gedaan met zijn macht.

© Polfoto/Corbis

Dag des oordeels

De rechtszaal puilde uit toen een donkerharige, goed geklede man plaatsnam. Hij keek niet op een dode meer of minder. 

Tot op het laatst had hij geprobeerd zijn lot te ontlopen. Voor het proces had hij een lijst met juryleden bemachtigd en zijn bende had de een na de ander onder druk gezet door hen te bedreigen of te proberen om te kopen.

Maar rechter James Wilkerson kende de vuile streken van Capone, en hij verving alle juryleden aan het begin van het proces. Capone en zijn advocaten kregen zowat een rolberoerte.

Na een beraad dat acht uur duurde maakte de nieuwe jury op deze late oktoberavond zijn beslissing bekend: Capone werd schuldig bevonden aan belastingontduiking op grote schaal. 

Toen rechter Wilkerson hem tot 11 jaar gevangenisstraf veroordeelde, kwamen er barstjes in de façade van zelfverzekerdheid. Gelaten zei hij zachtjes maar duidelijk tegen zijn advocaten: 

‘Ik geloof dat alles nu voorbij is.’

Lees ook

John Kobler: Capone – the Life and World of Al Capone, Da Capo, 1971. Luciano Iorizzo: Al Capone – a Biography, Greenwood Press, 2003.

Bekijk ook ...