Diep door de knieën – zo zag Lodewijk XIV zijn onderdanen het liefst. De Franse adel zat stevig onder de plak.

© Musée d'Orsay

Paleis van Zonnekoning was een zwijnenstal

Stank, ratten en eindeloze verveling waren dagelijkse kost voor de duizenden bewoners van Versailles. Terwijl de Zonnekoning zelf baadde in weelde, moesten zijn hovelingen zich in armetierige vertrekken bezighouden met onbenulligheden.

7 februari 2017 door Stine Overbye

Van het paleis van Versailles wordt wel gezegd dat het in de tijd van de Zonnekoning zijn eigen parfum had. 

Eind 17e eeuw kwam een walm van urine, reukwater en zweet de bezoekers tegemoet, af en toe met een beetje poep vermengd. Wie niet meer wist waar hij was, hoefde alleen maar even diep in te ademen.

De stank van Versailles was berucht, en zou erger zijn geweest dan die van andere Europese paleizen. 

Dat kwam doordat alles aan het Franse hof groter was – ook het aantal mensen. 

Duizenden edelen en hun talrijke bedienden zaten in het luisterrijke paleis opeengepakt, want hier werden carrières gemaakt en belangrijke baantjes verdeeld.

Iedereen was gewend aan de stank – de meesten merkten er niets meer van. De bewoners waren al lang blij dat ze in de buurt van de Zonnekoning waren.

De gelukkigen die dicht bij Lodewijk XIV mochten komen, meldden dat de vieze lucht die in het paleis hing alleen werd overtroffen door de lichaamsgeur van de Zonnekoning zelf – volgens een Russische ambassadeur deed hij aan de stank van een ‘wild dier’ denken.

Versailles krijgt een upgrade

Aan de buitenkant was Versailles een indrukwekkend bouwwerk, een van de wonderen van de 17e eeuw.

Geen ander paleis kon zich meten met dat van Lodewijk, noch in grootte, noch in pracht.

In het begin was Versailles niet meer dan een jachtslot. ‘Een kasteeltje van karton, dat Lodewijk XIII liet bouwen om niet op stro te hoeven slapen,’ schreef de altijd gallige hertog van Saint-Simon.

Hij had tientallen jaren doorgebracht aan het hof van de Zonnekoning, en deed later een boekje open over deze tijd.

Lodewijk XIV had een zorgeloze jeugd op het jachtslot. In de heuvels rond het kasteel stikte het van de herten en de wilde zwijnen, en voor een jongen die liever op een paard zat dan op het pluche, was het er goed toeven.

Toen Lodewijk in 1661 alleenheerser werd, had het paleis van Versailles nog steeds een bijzonder plekje in zijn hart. 

De 22-jarige koning hield er feesten voor zijn vrienden en minnaressen, en in het park organiseerde hij ’s zomers toneelvoorstellingen en concerten. 

Hij bestuurde zijn rijk vanuit het Louvre in Parijs, maar Versailles was zijn speeltuin.

In augustus van dat jaar kreeg Lodewijk echter een idee toen hij een feest van zijn minister van Financiën Nicolas Fouquet bezocht. 

Dit was een keerpunt in het leven van de Zonnekoning.

Het grootse gala vond plaats op het pasgebouwde kasteel Vaux-le-Vicomte bij Parijs. 

Rond het slot lag een fraai vormgegeven park met kanalen, vijvers, fonteinen, standbeelden en sinaasappelbomen, en vanbinnen was het kasteel nog een stuk extravaganter: de plafonds waren prachtig gedecoreerd, de salons waren rijkelijk van goud voorzien, overal hingen gobelins, de kasten puilden uit van het goud- en zilverwerk en de meubels waren de fraaiste en kostbaarste die er in Europa te vinden waren.

Lodewijk bezag het luxe verblijf van zijn minister met bewondering, maar ook met afgunst. Hij had het feest nog niet verlaten of hij stelde zich een doel: hij zou Vaux-le-Vicomte overtreffen met een imposant barokkasteel, dat met zijn pracht en praal de hele wereld versteld zou doen staan. 

Dit wonder moest rond het bescheiden jachtslot in zijn geliefde Versailles verrijzen.

De koninklijke architecten fronsten hun wenkbrauwen toen Lodewijk zijn gedroomde slot met overdadige zalen en pompeuze parken beschreef.

Ze zagen het idee niet zitten: het was te ver van Parijs, het uitzicht was beroerd, de grond te drassig en er was geen schoon water. 

In heel Frankrijk was er geen slechtere plaats om een kasteel neer te zetten. Maar Lodewijk hield voet bij stuk.

‘Hij genoot ervan om over de natuur heen te walsen en zijn geld en vindingrijkheid aan te wenden om haar naar zijn hand te zetten,’ aldus Saint-Simon. De wil van de majesteit was wet.

Lodewijk XIV maakte van het jachtslot Versailles een lichtend voorbeeld voor heel Europa. Alles was ontworpen om te imponeren en de macht van de Zonnekoning te onderstrepen. Maar voor het volk werd de opsmuk van het paleis een symbool voor de afstand tussen koning en onderdanen.

© Bridgeman/The Royal Collection & Polfoto/Corbis

Adel zit als haringen in een ton

Versailles veranderde in een hectische bouwplaats. Het jachtslot stond in de steigers, en duizenden arbeiders werkten zich een slag in de rondte.

In 1682 – 21 jaar nadat Lodewijk zijn inspiratie had opgedaan op Vaux-le-Vicomte – kon de koning zijn nieuwe paleis met zijn gezin, ministers en hofhouding betrekken.

Maar het park was nog lang niet klaar. Ruim 36.000 man waren nog druk bezig met het aanleggen van grachten en vijvers en het planten van bomen.

Ook de spiegelzaal, die het fraaiste vertrek van het paleis zou worden, was nog in aanbouw, maar de overige 350 ruimten waren min of meer voltooid.

In de chicste en ruimste vertrekken in het hart van het gebouw nam Lodewijk met zijn gezin zijn intrek. Hier kende de luxe geen grenzen.

De koninklijke suites hadden een hoog plafond, dat versierd was met goud of schilderingen. Grote spiegels en kunst in gouden lijsten luisterden de muren op, en rond de enorme ramen hingen damasten gordijnen.

De meubels hadden verzilverde pootjes, de bedden waren opgemaakt met brokaat en grote kroonluchters wierpen een betoverend schijnsel op de elegante salons.

Aan de buitenkant was het complex een en al uiterlijk vertoon, maar binnen verbleekte de glans naarmate de afstand tot de koninklijke vertrekken toenam.

Er heerste een strikte hiërarchie: de machtigste edellieden woonden dicht bij de koning, en de lagere adel werd in verre uithoeken weggestopt.

De minst vooraanstaande adellijke families die op Versailles verbleven, moesten genoegen nemen met kleine kamertjes die vaak niet eens ramen hadden.

De plafonds waren er zo laag dat je niet rechtop kon staan. Deze bewoners zaten letterlijk in het verdomhoekje.

Toen de vrouw van de Zonnekoning eind 17e eeuw een nieuwe hofdame zocht, vroeg ze om een edelvrouw die gescheiden of weduwe was.

Zo iemand woonde er volgens de hofhouding niet op Versailles – tot een ambtenaar een oudere hertogin te binnen schoot die in een afgelegen kamertje woonde.

Ze bleek bijna te zijn overleden van de eenzaamheid en de honger, en ze greep het aanbod om hofdame te worden dan ook met beide handen aan.  

Koning ontvangt bezoek op toilet

Het omgebouwde jachtslot was een klein stadje geworden met zo’n 5000 inwoners. In de gangen en op de trappen was het een drukte van belang, en soms liep er zelfs een koe rond, die het paleis binnen was gehaald om kleine kinderen van verse melk te voorzien.

Het vee nam nogal wat plek in, maar de draagstoelen spanden de kroon: het paleis kende ‘taxibedrijfjes’ die leden van de hofhouding door de eindeloze gangen droegen.

Alleen de koninklijke familie mocht zich in privédraagstoelen laten rondsjouwen.

Van deze taxiservice werd zo gretig gebruikgemaakt dat er lange files in de gangen ontstonden.

Als het donker was – fakkels vormden de enige lichtbron – botsten de dragers er voortdurend op elkaar.

Later op de avond, als het verkeer eenmaal tot rust gekomen was, klonk in de gangen het wanhopige geschreeuw van mensen die verdwaald waren, en het gekletter van de plasjes die in een hoek gedaan werden.

Verspreid in de gangen waren piepkleine toiletten, die bestonden uit een houten ton met een groot gat erin.

Deze latrines waren doorgaans zo lek als een mandje, en de inhoud sijpelde door de vloer naar de ondergelegen vertrekken.

Er waren er bovendien veel te weinig, en bewoners die geen zin hadden om in de rij te staan of de stank te trotseren deden hun behoefte op de grond.

In de kamers van het paleis stonden po’s, en hoewel dat streng verboden was, werden deze meestal pardoes uit het raam geleegd.

Voorbijgangers liepen dus het risico de onwelriekende inhoud op hun hoofd te krijgen.

De Zonnekoning zelf kwam er beter vanaf: hij deed zijn gevoeg op een stoel met een gat in de fluwelen zitting.

Hier hield de koning ’s morgens graag zijn audiënties, en de bezoekers deden net of ze de geluiden die de woorden van Lodewijk kracht bij zetten niet hoorden. 

De zitting van de toiletstoel was lekker zacht, maar de doos die erin zat was vaak lek zodat de inhoud eruit liep. 

© Réunion des musées nationaux/H. Bréjat

Hofleven is één groot toneelstuk

Lodewijk leefde in weelde, maar gunde zichzelf geen privéleven. Van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat werd hij omringd door een select gezelschap uitverkoren onderdanen, voor wie het een grote eer was om hem overal te volgen.

Al vanaf de eerste dag dat de koning op Versailles woonde, kende hij een vast dagritme met allerlei tijdrovende rituelen.

Hiermee zorgde hij ervoor dat de Franse adel, die van oudsher rebels was, het te druk had om complotten te smeden tegen de kroon.

Als hertogen en markiezen machtig en rijk wilden worden, moesten ze elke dag als planeten rond de Zonnekoning draaien.

Alle edellieden kregen een rol toebedeeld in het streng geregisseerde toneelstuk dat het leven aan het hof op Versailles in feite was.

De eerste plicht van de uitverkorenen was het bijwonen van het uitgebreide ochtendritueel, het zogeheten lever (opstaan).

Om acht uur liet Lodewijk zich wekken door een stem die in zijn oor fluisterde dat het tijd was voor een nieuwe dag. Voordat hij opstond, werd hij door zijn lijfartsen onderzocht.

Zo’n 100 edelen keken toe terwijl de koning zijn ochtendtoilet maakte. Zijn bedienden trokken zijn nachthemd uit, schoren de naakte vorst en verzorgden zijn haar. Vervolgens werd hij aangekleed.

Een wasbeurt hoorde niet bij de routine – Lodewijk gebruikte zijn Turkse bad voor avontuurtjes met dames.


De koning kreeg zijn kleren steevast in dezelfde volgorde aan, waarna hij een van zijn 400 pruiken uitkoos. De hele verzameling was volgens de regelen der kunst gekapt, geparfumeerd en gepoederd, maar er zaten ook veel vieze beestjes in.

Dit ritueel was slechts het eerste van de vele die de edelen bij moesten wonen. Tot laat in de avond namen ze deel aan optochten, kerkdiensten, jachtpartijen, kaartspelen en concerten, waarbij ze meestal alleen mochten kijken naar de koning.

Pas om 22.30 uur, als Lodewijk naar bed ging, was het tijd voor de laatste ceremonie van de dag. Tijdens het avondtoilet moest een toeschouwer hem bijlichten: 

‘De koning keek rond en zei de naam van een aanwezige, die vervolgens een kaars in zijn handen kreeg. 

Dit werd gezien als een grote eer, en dat kwam doordat de Zonnekoning de kunst verstond om elk wissewasje op te blazen,’ schreef Saint-Simon, die zelf soms ook de kaars mocht vasthouden.

Ondertussen keek de rest van de 100 aanwezigen toe hoe Lodewijk zich liet uitkleden, zijn ogen liet spoelen en zijn haar liet fatsoeneren. 

Pas als de Zonnekoning in bed lag, konden de machtigste Fransen opgelucht ademhalen en terugkijken op een lange, doodsaaie dag. 

Af en toe mochten bijzondere gasten als de schrijver Molière op een kruk zitten en toekijken hoe de Zonnekoning at. 

© Malden Public Library

Bowoners erven woonruimte

Geen enkele edele durfde te spijbelen van de koninklijke sleur op Versailles: ‘Hij had het altijd door, en wist precies wie er niet was, ook als het om iemand ging die niet eens vaak op het paleis verbleef,’ schreef Saint-Simon.

Als een hertog of markies ertussenuit kneep en een vrij middagje in Parijs doorbracht, speelde hij met zijn leven.

Alle Fransen wilden het liefst zo dicht mogelijk bij de Zonnekoning komen, want hij deelde de beste baantjes en de hoogste titels uit.

En wie al een plekje op Versailles veroverd had, bleef zo lang mogelijk plakken.

Alle betrekkingen op het paleis gingen over van vader op zoon, van minister en fonteinbouwer tot lakei, mollenvanger en drager van de po van de koning.

Als een familie geldproblemen kreeg, kon de pater familias zijn post voor een flinke som geld doorverkopen.

De bewoners van Versailles waren met geen stok uit hun vertrek te slaan, want zelfs een klein achterkamertje op het paleis gaf meer aanzien dan welke andere woning in Frankrijk ook.

Ratten en muizen die hun kleding aan flarden knaagden namen ze op de koop toe, net als de temperatuur, die in de winter tot onder het vriespunt kon dalen.

Ze sliepen dan gewoon onder een berenvel.

Als een adellijke familie in ongenade viel en de deur uit werd gezet, barstte er onder de andere bewoners een hevige strijd los om de vrijgekomen vertrekken.

Met name het geslacht Noailles was hierbij bijzonder succesvol. Hertogin Marie-Françoise Noailles baarde haar man 21 kinderen, die allemaal hun eigen kamer in het paleis kregen.

De gang waar ze woonden werd ook wel Rue de Noailles genoemd, Noaillesstraat.

Eten moet begroet worden

De paleisbewoners moesten niet alleen allerlei ceremoniën bijwonen, maar zich ook aan een strenge etiquette houden.

Niemand mocht op de grond spugen in aanwezigheid van de koning, en als Lodewijk langsliep, moest iedereen ruim baan maken en diep buigen.

Zelfs het eten van de majesteit had een hoge status. De maaltijden werden in de keuken van het bediendenverblijf bereid, en in een gevolg van 10 man naar de koninklijke tafel gedragen.

Deze tocht ging door de zuidvleugel, een trap op en een paar gangen door.

Als een edelman op de stoet van voedseldragers stuitte, dan moest hij zijn hoed lichten, buigen en de borden groeten met de woorden ‘des konings vlees’.

Bij het ontbijt hield de koning het bij vier gerechten, maar het diner was zeer copieus. Hij nuttigde het in aanwezigheid van een grote groep hovelingen.

De meeste toeschouwers moesten staan, want alleen de inner circle mocht zitten. Uit het type stoel bleek iemands status: er waren krukjes, gewone stoelen en luxe leunstoelen.

Doorgaans begon de koning met een paar borden groentesoep. Vervolgens at hij fazant, patrijs, schapenvlees, ham, een dessert en als laatste bonbons en fruit.

De maaltijd werd opgediend op gouden en zilveren schalen door kruiperige bedienden, en alles zag er prachtig uit.

Het eten was na de lange tocht door het paleis echter al lang koud geworden als het geserveerd werd – wat de lakeien er overigens niet van weerhield om de restjes buiten het paleis te verkopen.

Niet veel kamers op Versailles hadden een eigen keuken, maar Lodewijk had daar iets op bedacht: een aantal edelen was verplicht om hun buren voor het eten uit te nodigen.

De maaltijden werden verzorgd door de koninklijke keuken, en de gastheren kregen elke dag zo’n 20 à 30 mee-eters over de vloer, of ze het leuk vonden of niet.  

Parijse revolutionairen trokken in 1789 naar Versailles. Ze dwongen de koning tussen het volk in Parijs te gaan wonen.

© Scanpix/Mary Evans

Koning wordt uit paleis gesleurd

Het werk aan Versailles was nooit klaar. De Zonnekoning en zijn opvolgers bleven verbouwen, en na verloop van tijd werden de omstandigheden beter.

Kort voor zijn dood in 1715 wilde Lodewijk iets doen aan de stank, en hij gaf de opdracht om één keer per week alle ontlasting uit de gangen te halen. Hierdoor – en door het overlijden van de koning – had Saint-Simon reden om op betere tijden in het paleis te hopen.

Hij had ontslag genomen uit het leger omdat hij voor een promotie gepasseerd was, en daarmee was hij bij Lodewijk in ongenade geraakt. Met zo’n opstandige houding kwam je niet zomaar weg.

Onder de opvolger van de Zonnekoning, Lodewijk XV, probeerde Saint-Simon zich weer omhoog te werken in de hiërarchie, maar zonder veel succes.

Toen hij in 1755 overleed, woonde hij al lang niet meer op Versailles, en hij maakte de installatie van waterclosets – waarmee er een einde kwam aan de eeuwige stank – dus niet meer mee.

Er kwamen echter nieuwe luchtjes voor in de plaats, want eind 18e eeuw kregen veel kamers een keukentje.

Nu hingen er etensgeuren in de gangen, die soms vol rook stonden, en de afwas en het keukenafval hoopten zich op.

Maar Lodewijk XVI, die nu op de troon zat, en koningin Marie-Antoinette hoefden zich daar het hoofd niet over te breken. 

Hun ontbrak het aan niets; zij leidden een luizenleventje terwijl de gewone Fransman geen cent te makken had vanwege een economische crisis.

De koning en zijn vrouw deden alsof er niets aan de hand was en bleven een vermogen uitgeven aan extravagante bals en diners, maar de sympathie van het volk waren ze kwijt. 

Overal in het rijk, en vooral in Parijs, waar een groot tekort aan graan en brood was, walgde men van de koning, die geld over de balk smeet terwijl zijn volk honger leed.

In het najaar van 1789 kwam het volk in opstand tegen de monarchie en Versailles, dat symbool stond voor de ongelijkheid in de maatschappij. 

Onder de leuze ‘brood voor het volk’ liepen op 5 oktober duizenden mensen van Parijs naar Versailles. Gewapend met messen, hooivorken, knuppels en geweren

bestormde de mensenmassa het paleis. De betogers eisten dat de koning iets zou doen aan de armoede in zijn land. 

Zwaar onder druk gezet verhuisde het koninklijk paar naar Parijs, waar ze in het Tuilerieënpaleis moesten gaan wonen.

Hiermee kwam er een einde aan de 107 jaar dat Versailles het middelpunt van de macht in Frankrijk was. 

En voor het koningspaar was de ellende nog maar net begonnen. In 1792 werd de monarchie afgeschaft, en een jaar later werden Lodewijk en Marie-Antoinette onthoofd onder de guillotine.

Na de dood van de koning werd in Parijs een veiling van de inboedel van Versailles aangekondigd. 

Alles moest weg, en het volk werd gelokt met fraaie aanbiedingen van ‘matrassen met paardenhaar, zijden lakens, banken, fauteuils, kandelaars, spiegels, faience en andere voorwerpen’.

Hoewel Versailles zijn glans kwijt was, bleef het paleis staan, en vandaag de dag is het weer gemeubileerd. 

Met 5 miljoen bezoekers per jaar is het een van de grootste attracties van Frankrijk.

Bekijk ook ...