Gevleugelde woorden worden altijd toegeschreven aan grote figuren uit de geschiedenis. Maar meer dan eens bleek niet de juiste persoon met de eer te strijken.

Dertien onsterfelijke citaten

‘In oorlogen sneuvelt de waarheid als eerste.’ De geschiedenis zit vol citaten die te pas en te onpas worden gebruikt – en vaak uit hun verband gerukt. Maar vaak zijn het rake beschrijvingen van een situatie of zelfs de hele tijdgeest.

1. In oorlogen sneuvelt de waarheid als eerste

Velen hebben in de loop der geschiedenis geprobeerd om met de eer van dit beroemde citaat te strijken. Het is veelvuldig aangehaald om te beschrijven hoe oorlog gebruikt wordt om politiek bedrog en gekonkel toe te dekken.

De woorden stammen van de Griekse schrijver Aischylos (526-456 v.Chr.). Hij deed als soldaat mee aan vele oorlogen, als laatste aan de slag van Salamis in 480 v.Chr., waarmee aan de Perzische dominantie in Griekenland een einde kwam.

De slag gaf hem inspiratie tot het toneelstuk De Perzen, dat veel stof deed opwaaien omdat het stuk ook begrip leek te tonen voor de Perzische vijand.

2. We zullen de weg vinden. En anders maken we er één

Al van af het begin van de 2de Punische Oorlog (218-202 v.Chr.) liet Hannibal, de legeraanvoerder van Carthago, zien dat hij een van de grootste tactische genieën van zijn tijd was. Hij wist altijd een nieuwe en onverwachtse aanvalsstrategie op de vijand te vinden. Toen het onmogelijk bleek om Rome vanaf zee aan te vallen, verraste hij de Romeinen door zijn legermacht met strijdolifanten en al over de Alpen te leiden.

Hannibal hield 15 jaar lang grote delen van Italië bezet, en de Romeinen moesten zijn tactische denken grondig bestuderen voor ze tot een tegenaanval konden komen die effectief genoeg was om hem weer uit het land te verdrijven.

3. Veni, vidi, vici!

In 47 v.Chr. viel de Romeinse legerleider (en latere keizer) Julius Caesar met een groot leger Klein-Azië binnen. De plaatselijke vorst Pharnakes had delen van zijn land losgerukt van het Romeinse rijk, en deze opstand diende in de kiem gesmoord te worden. Snel!

Na een veldtocht van slechts vijf dagen gaven de Romeinse legionairs de strijdmacht van de vorst bij Zile, een stad in het huidige Noord-Turkije, de genadeslag. De blitzkrieg werd beschreven met de woorden ‘Ik kwam, ik zag, ik overwon!’

Het is verre van zeker dat Caesar werkelijk deze beroemde worden gezegd of opgeschreven heeft, maar toen al kregen ze grote propagandawaarde voor het ogenschijnlijk onoverwinnelijke Romeinse leger.

Marie Antoinette.

4. Dan eten ze toch cake!

De Franse koningin Marie Antoinette zou spottend gezegd hebben dat de armen, als ze dan geen brood meer konden kopen, zich maar met cake moesten behelpen, of preciezer: Laat ze brioche eten! Zij en haar man, koning Lodewijk XVI, werden tijdens de Franse Revolutie afgezet en in 1793 ter dood gebracht, en de uitspraak leek het gebrekkige begrip van de koningin voor de ellendige levensomstandigheden van het volk mooi samen te vatten.

Marie Antoinette heeft de beroemde woorden echter nooit uitgesproken. Ze stammen uit de autobiografie van de Franse schrijver Jean-Jacques Rousseau, die ze toeschrijft aan een ‘belangrijke prinses’, zonder echter de prinses met name te noemen.

5. Het geheim van vrijheid ligt in het opleiden van mensen, het geheim achter tirannie is daarentegen om ze onwetend te houden

Maximilien Robespierre werd geïnspireerd door de grote filosofen van de Verlichting, toen hij in 1789 naar voren trad als een van de leiders van de Franse Revolutie.

Maar hij struikelde ook in zijn eigen vrijheidsidealen. Het was dezelfde Robespierre, die vanaf september 1793 aan het hoofd stond van het Terreur-regime, dat in naam van de revolutie de vrijheidsrechten van de Fransen aan banden legde en ongeveer 50.000 mensen om het leven bracht.

Aan deze bloedige periode kwam pas een eind met de terechtstelling van Robespierre op 28 juli 1794, die van vrijheidsheld veranderd was in de grootste tiran van zijn tijd.

6. Oorlog is slechts de voortzetting van politiek met andere middelen

Carl von Clausewitz was Pruisisch officier, en zijn boek Over Oorlog (Vom Kriege) uit 1830 wordt nog steeds door militaire theoretici bestudeerd.

Maar zijn boek is voor alles een afspiegeling van een tijd waarin de algemene houding ten opzichte van oorlog aan het veranderen was. De Verlichting bezag oorlog als chaos. Maar vooral tijdens de Napoleontische oorlogen, waar Clausewitz aan meedeed, won de opvatting terrein dat oorlog de uitkomst was van een hele reeks oorzaken, van economische en technologische aard, maar ook bepaald door de sociale samenstelling van de troepen.

En volgens die gedachtegang was het dan ook logisch om politiek en oorlog in elkaars verlengde te beschouwen.

7. Alle oorlogspropaganda, alle kreten, leugens en alle haat komen steevast van mannen die zelf niet vechten

De Engelse schrijver George Orwell maakte zich niet veel illusies meer over politieke leiders, na zijn deelname aan de gevechten tegen de fascisten tijdens de Spaanse burgeroorlog (1938-1939).

Het werd een tendens in de 20ste eeuw, dat schrijvers en verslaggevers kritisch over de oorlog schreven. De Spaanse burgeroorlog kreeg het etiket ‘de eerste media-oorlog in de geschiedenis’ opgeplakt. Schrijvers waren niet langer slechts waarnemers van de oorlog, maar daadwerkelijk ook deelnemers; de anti-oorlogsromans die daar vaak uit voortkwamen, gingen de blik van de gewone burgers op oorlog beïnvloeden. Orwell schreef de roman ‘Saluut aan Catalonië’.

Rabindranath Tagore en Gandhi in 1940.

8. Dood je er één, dan ben je een moordenaar. Dood je een miljoen, dan ben je een veroveraar. Dood je iedereen, dan ben je God

Dit schreef de Franse bioloog Jean Rostand in 1939, zinspelend op de openlijke minachting van de Duitse dictator voor mensenlevens, waar Europa in de daarop volgende jaren volop getuige van zou worden.

De andere grote dictator van de 20ste eeuw, de Sovjet-leider Josef Stalin, kan opgevat worden als de ideologische tegenpool van Hitler, maar in veel opzichten was zijn denktrant niet zo verschillend. Stalin zei: ‘Eén dode is een tragedie, één miljoen is statistiek.’

9. Ik zie de geallieerden niet graag verslagen worden. Maar ik vind Hitler niet zo verdorven als hij afgeschilderd wordt. Hij lijkt mij verbluffend talentvol en hij schijnt zijn overwinningen zonder al te veel bloedvergieten te behalen

Zelfs de grootste politieke leiders weten niet waar de geschiedenis heen gaat. De Indiase vrijheidsheld, Mahatma Ghandi, zag in de eerste plaats de Britse koloniale macht als zijn vijand, toen hij zich in de zomer van 1940 uitsprak over de nazivijand van Engeland.

Maar noch hij noch veel anderen kenden op dat tijdstip de volle omvang van de misdaden van het nazisme, en het is hem dan ook te vergeven dat zijn eigen doelen een heldere kijk op de verhoudingen in Europa in de weg stonden.

Na de oorlog sprak Mahatma Ghandi er heel anders over.

10. Als ik het woord cultuur hoor, span ik de haan van mijn revolver

Dit citaat is uitgegroeid tot symbool voor de vele duizenden kunstwerken die de nazi’s met geweld naar zich toe harkten. Het wordt vaak toegeschreven aan nazikopstuk Hermann Göring, die van het goede leven hield en reusachtige kunstcollecties voor zichzelf aanlegde, afkomstig van onteigende joden in het bezette Europa. Als Göring lucht kreeg van kunstschatten, stond hij klaar om naar zijn wapen te grijpen om ze in handen te krijgen.

Maar in feite luidt het citaat ‘Wenn ich Kultur höre ... entsichere ich meinen Browning’ en is het afkomstig uit het toneelstuk Schlageter (1933) dat nazi-auteur Hanns Johst schreef over de ‘martelaar’ Albert Leo Schlageter die tijdens de Ruhrbezetting door een Franse militaire rechtbank ter dood werd veroordeeld.

Winston Churchill zwaait vanaf Whitechapel naar het volk op 8 mei 1945, de dag dat Duitsland zich overgaf.

11. Nooit hebben zo velen aan zo weinigen zoveel te danken gehad

De Britse premier Winston Churchill sprak op 20 augustus 1940 deze beroemde woorden in een redevoering in het Lagerhuis. De slag om Engeland was aan de gang en de regeringsleider sprak zijn dank uit voor de inzet van de Britse piloten die de gigantische aanvalsgolven van de Duitse luchtmacht moesten stuiten.

Maar anders dan de gangbare opvatting doelde hij niet alleen op het kleine groepje Spitfire-piloten, maar ook op de bemanningen van de bommenwerpers en anderen die in de lucht hun leven in de waagschaal gesteld hadden. Het was nog steeds een betrekkelijk klein aantal, en Churchills rede had zo’n grote reikwijdte dat de piloten van de Royal Air Force hierna The Few genoemd werden – De Weinigen.

12. Als je een vriend in de politiek wilt hebben, moet je een hond kopen

Harry Truman was vicepresident van de VS toen president Roosevelt op 12 april 1945 overleed. Hij was in veel opzichten slecht voorbereid op zijn taak, en had bijvoorbeeld slechts een oppervlakkige kennis van het Manhattanproject en de plannen om de bom tegen Japan in te zetten.

Toen even daarna de Tweede Wereldoorlog afgelopen was, liep zijn werk, het ombouwen van ’s lands oorlogseconomie tot een vredeseconomie, uit op een politieke chaos en grote stakingen. Dat bracht hem tot de slotsom dat je in de politiek geen vrienden hebt.

13. Ich bin ein Berliner

Op 26 juni 1963 sprak de Amerikaanse president John F. Kennedy zijn steun uit aan Berlijn, 20 maanden nadat de Sovjet-Unie dwars door de stad een muur aangelegd had.

In een redevoering voor het stadhuis van Berlijn zei hij dat hij – en daarmee de hele westerse wereld – zichzelf als Berlijner beschouwde. Beweerd werd dat hij de formulering zelf bedacht had, en dat die in het Duits gezegd moest worden, als aanhef van de redevoering, en dat burgemeester Willy Brandt hem onderweg naar het podium even leerde hoe je de woorden uitsprak.

Maar later onderzoek liet niet veel heel van het verhaal, dat deze grote woorden de vrucht waren van een spontane, geniale inval. Het lijkt er meer op dat de speechschrijvers in Washington ‘Ich bin ein Berliner’ zorgvuldig uitgedacht hebben, en dat de president al ruim voor de toespraak goed voorbereid werd.

Bekijk ook ...