Een caladrius (l) en een alruinwortel (r). 

© Photo researchers/Scanpix

Deze wezens zaaiden angst in de middeleeuwen

De adem van de basilisk was dodelijk, de draak vocht altijd met de olifant en de griffioen at mensen. In de middeleeuwen krioelde het van de enge wezens, die voor veel Europeanen net zo levensecht waren als neushoorns en leeuwen, die ze immers ook nog nooit hadden gezien.

26 oktober 2017 door Therese Boisen-Haas

Alruinwortel: Wortel had dodelijke schreeuw

Soort: Een plant met wortels die eruitzagen als een mensje dat het op een schreeuwen zette als de plant uit de grond werd getrokken.

Leefgebied: Middellandse Zeegebied. Volgens de legende groeide hij op plekken waar druppels urine of sperma van een opgehangen dief waren gevallen. De plant verspreidde zich als een vrouwtjesolifant de wortels at.

Uiterlijk: De wortel kon een mannetje of vrouwtje zijn, met grote bladeren en paarse bloemen.

Kenmerken: Wie de schreeuw hoorde, stierf of werd krankzinnig.

Oogsten: Als je de alruinwortel wilde vangen om hem in een geneesmiddel toe te passen, moest je uitkijken dat hij niet wegrende.

Je kon het beste de bovenste laag aarde rond de wortel uitgraven, een touw om de top binden en aan het andere uiteinde van het touw een hond vastmaken. Vanaf een veilige afstand kon je dan de hond aansporen om het op een lopen te zetten, zodat de krijsende wortel uit de grond getrokken werd. Dan ging hij dood en was hij niet gevaarlijk meer. 

Basilisk: ’s werelds giftigste dier

Soort: Een kruising tussen een slang en een haan.

Leefgebied: Noord-Afrika, later Europa. Een basilisk werd geboren als een 7- tot 9-jarige haan een ei legde op een mestvaalt. Het ei werd uitgebroed door een pad. De pas uitgekomen basilisk verstopte zich meteen in een waterput, een kelder of op een andere donkere plaats.

UiterlijkZo’n 20 centimeter lang met lange vleugels en een slangenstaart. Hij bewoog zich niet voort door te kronkelen als een slang, maar liep bijna rechtop.

Kenmerken: Het giftigste dier ter wereld. De basilisk kon doden met zijn blik en alles om zich heen met zijn adem vergiftigen. Stenen verbrijzelden als hij langsliep, planten verwelkten en vogels vielen dood uit de bomen. De giftige adem van de basilisk zou de Saharawoestijn hebben gecreëerd.

Vijanden: De wezel en de haan. De historicus Aelianus beschrijft hoe de basilisk ‘beeft van schrik als hij een haan ziet. Als de haan kraait, sterft hij al stuiptrekkend.’ Wie op reis ging naar Noord-Afrika, kon dus maar beter een haan meenemen.

Zo kon je hem doden: Als een ridder een basilisk met zijn lans wilde doden, drong het gif door het wapen heen en doodde het de ridder met paard en al, zo sterk was het. Maar het dier kon niet tegen de aanblik van zijn eigen spiegelbeeld.

In een van de vertellingen over de veroveringen van Alexander de Grote komt een basilisk voor. Alexander was op weg door een bergpas, toen een soldaat plotseling dood neerviel. In de pas woonde een oude, rimpelige basilisk. 

Alexander liet zijn mannen een groot schild maken en oppoetsen tot het als spiegel kon dienen. Hij sloop naar het hol van de basilisk en zette het schild ervoor, zodat het dier zijn eigen spiegelbeeld te zien kreeg. Het bezweek meteen.

Door de giftige adem zou de Sahara zijn ontstaan.

© University of toronto & Wenceslaus Hollar Digital Collection

Caladrius: Vogel genas zieken met zijn ogen

Soort: Zeevogel.

Leefgebied: Kastelen.

Uiterlijk: Spierwit met een lange nek, even groot als een albatros.

Kenmerken: De caladrius bepaalde het lot van zieken. Als hij op een patiënt ging zitten, betekende dat dat deze het zou overleven. Maar wendde hij zijn blik af, dan was de dood nabij. Hij kon met name geelzucht genezen.

Als de zieke en de vogel elkaar lang genoeg aanstaarden, zou de caladrius de ziekte langzaam overnemen van de patiënt. 

Dan zou hij wegvliegen naar de zon en zou hij samen met de ziekte verbranden. De caladrius was een symbool van Christus, die zichzelf opofferde voor de mensheid. De witte veren stonden voor de reinheid van de verlosser.

Draak: De geschubde reus

Soort: De grootste van alle slangen op aarde.

Leefgebied: Draken woonden in grotten, waar ze vaak een schat bewaakten. Ze hadden altijd honger en aten vee en soms mensen.

Uiterlijk: Een draak had één tot 100 koppen, twee of vier poten en kon vleugels, schubben en een slangen- of vissenstaart hebben.

Kenmerken: De draak was zo machtig dat hij hemel en zee in beweging zette als hij opsteeg. Zijn kracht zat in zijn staart, niet in zijn tanden. Maar zijn adem was giftig, en hij kon gif of vuur spuwen. Ook het bloed van draken was giftig, en ze waren moeilijk te doden. Sommige draken konden praten en waren notoire leugenaars en bedriegers.

Vijand: De aartsvijand van de draak was de olifant, die hij benijdde om diens koele bloed. En hij kon niet tegen de zoete adem van de panter.

Drakensteen: Een fraaie parel in het brein. Die moest eruitgehaald worden als de draak leefde, anders verdween de schoonheid. 

Bestiaria: Middeleeuwse dierenboeken

In de middeleeuwen waren dierenencyclopedieën, de zogeheten bestiaria, zeer geliefd. Deze werken bevatten alfabetische beschrijvingen van alle levende wezens en gaven informatie over hun leefgebied en vijanden. Soms stonden er afbeeldingen in.

De middeleeuwse zoölogie was een mix van mythologie en feitelijke waarnemingen, en voor de kerkvaders was het belangrijk om de dieren neer te zetten als symbolen van het christelijk geloof. Fabeldieren waren even werkelijk als olifanten en leeuwen – de draak stond dan ook in het bestiarium tussen de dolfijn en de duif.

Het voorbeeld voor de bestiaria was het werk Physiologus – de natuurvorser. Dit manuscript uit de 2e tot 4e eeuw bevatte uittreksels van antieke schrijvers als Aristoteles en Aelianus. Alle dieren hadden een eigen lemma met een beschrijving van hun uiterlijk en leefwijze, en een anekdote. Ook hun moraal werd vermeld.

Eenhoorn: Alleen een maagd kon een eenhoorn vangen

Soort: Paardachtige.

Verspreiding: India en Noord-Afrika.

Uiterlijk: Witte paardenkop, helblauwe ogen en een gedraaide hoorn tot een meter lang op zijn kop.

Kenmerken: De eenhoorn was wild, trots en ridderlijk. Hij was sneller dan enig ander dier en liet zich alleen levend vangen met behulp van een jonge, mooie maagd. Zij moest in het bos op de grond gaan zitten, en dan zou de eenhoorn zijn kop in haar schoot leggen en in slaap vallen. Een jager kon hem dan makkelijk vangen of doden.

Vijand: De olifant. De reden voor de vijandschap is onbekend.

De magische hoorn: Mensen wilden het pure, onschuldige dier doden vanwege de hoorn, die beschermde tegen gif en de potentie verhoogde. Bij gebrek aan echte eenhoornhoorns werd de stoottand van de narwal gebruikt.

De walvistand ging voor enorme bedragen over de toonbank, vooral in Italië, waar veel moorden met gif werden gepleegd. Vorsten deden stukjes hoorn in hun drinkbeker; de Franse koning deed dat tot 1789 steevast. 

Feniks: Onsterfelijke vogel herrees uit zijn as

Soort: Vogel.

Leefgebied: Volgens sommige verhalen leefde de feniks in India, volgens andere  in Arabië. Maar er was er altijd maar één tegelijk in de wereld, die niet hoefde te eten en drinken.

Uiterlijk: De feniks leek op een adelaar met een gouden nek, roze staartveren en een rood-paars lichaam.

Kenmerken: Een feniks bracht goed nieuws. Hij had een fraaie zangstem, en alle vogelen des hemels vlogen achter hem aan als hij zich vertoonde. Hij werd zo’n 500 jaar oud, en als hij zijn einde voelde naderen, bouwde hij een nest van welriekende takken. Dan vloog hij in brand en stierf.

Uit zijn as ontstond de volgende ochtend een slang, die na een dag een feniks werd. De herrijzenis van de vogel stond symbool voor het eeuwige leven, en in de middel-eeuwen voor de wederopstanding van Jezus.

De feniks verbrandde en stond weer op.

© British Library

Griffioen: De leeuwenadelaar

Soort: Half adelaar, half leeuw. De griffioen verenigde het sterkste roofdier en de sterkste roofvogel in zich.

Leefgebied: Het Verre Oosten, waar hij bij de oorsprong van de zon goud en edelstenen bewaakte. De griffioen bouwde een nest van goud met smaragden tegen giftige dieren. Hij at alles wat bewoog, ook mensen, waar hij zijn jongen mee voerde.

Uiterlijk: Hij had vlammende ogen, een zwart lijf, witte vleugels en een donkerblauwe nek. Een bron uit de 15e eeuw beschrijft zijn omvang: ‘Hij is acht keer zo groot als een leeuw en ontvoert met gemak een geharnaste ruiter en zijn paard.’

Kenmerken: De klauwen van een griffioen beschermden – net als de hoorn van een eenhoorn – tegen vergif. De middeleeuwers haalden de klauwen uit het Verre Oosten; in werkelijkheid waren het de hoorns van Aziatische bergschapen. Ze werden beslagen met metaal en als drinkhoorns gebruikt. Struisvogeleieren werden als eieren van de griffioen op vergulde voeten tentoongesteld als kostbare schatten.

In verhalen over Alexander de Grote wordt beschreven hoe de veldheer in een hemelwagen vloog die getrokken werd door griffioenen. Hij hield een stuk vlees aan een stang voor hun neus.

Vijand: Het paard – het is niet duidelijk waarom.  

Lees ook

Christian Heck: Grand Medieval Bestiary, Abbeville Press, London 2012. 
www.bestiary.ca

Bekijk ook ...