Middeleeuwse stad, leven op straat, markt

Vijf redenen dat het in de middeleeuwen krioelde van de bacteriën

Het leven in middeleeuws Europa was niet voor tere zieltjes – of magen. Door overvolle steden, slecht sanitair en onwetendheid over hygiëne krioelde het van de bacteriën.

Het leven in middeleeuws Europa was niet voor tere zieltjes – of magen. Door overvolle steden, slecht sanitair en onwetendheid over hygiëne krioelde het van de bacteriën.

FineArt/Imageselect

Een derde van de Europese bevolking stierf in de middeleeuwen aan de pestbacterie, of Yersinia pestis, maar de beruchte bacterie was lang niet het enige micro-organisme dat destijds hoogtij vierde.

Bacteriën hadden namelijk vrij spel, zowel op het land als in de snelgroeiende steden. Door het gebrek aan riolering en goede hygiëne konden bacteriën zich explosief vermenigvuldigen, en in de krappe huizen en smalle straten werden mens en dier gemakkelijk besmet.

Dat had als resultaat dat veel mensen stierven aan ziekten als dysenterie, lepra en tuberculose.

HANDHYGIËNE

Handen wassen, middeleeuwen, hygiëne

Pas in de 18e werd het in Europa normaal om je handen te wassen met zeep.

© Shutterstock

Zeep was er niet in de middeleeuwen

In de middeleeuwen was er geen toiletpapier. Mensen gebruikten stro, mos of kledingstukken, waardoor er darmbacteriën op hun handen kwamen.

En handen werden meestal met koud water gewassen. Alleen de rijksten hadden toegang tot zeep, die in de 12e eeuw met de kruisvaarders uit het Midden-Oosten was meegekomen.

De gewoonte van moslims om met links af te vegen en met rechts te eten, bestond in Europa niet.

Het gebrek aan handhygiëne leidde tot ziekten als dysenterie: een ernstige darminfectie.

ONWETENDHEID

Middeleeuwen, pest, kerk

Ziekten konden volgens de kerk genezen worden door te bidden.

© Josse Lieferinxe

Bijgeloof dwarsboomde de strijd tegen bacteriën

Bacteriën en de ziektesymptomen die daarbij hoorden waren onbekend in de middeleeuwen.

Epidemieën werden verklaard door de slechte luchtkwaliteit, een disbalans in de lichaamsvloeistoffen of simpelweg de wil van God. De meeste behandelingen – zoals aderlatingen – waren zinloos, en daarom hadden bacteriën vrij spel.

Sommige volksgeneeskundige methoden hadden wel enig nut. Uit moderne studies blijkt dat een populair middel met ui, wijn, knoflook en ossengal hielp tegen stafylokokken.

KEUKENHYGIËNE

Bacteriën hoopten zich op in gebarsten houten nappen, maar de meesten konden zich niets beters veroorloven.

© Shutterstock

Tot aan de enkels in het vuil

Mensen in de middeleeuwen namen het niet zo nauw met de keukenhygiëne.

Hun bestek werd tussen de maaltijden door alleen met koud water gewassen. Bacteriën groeiden in de spleten die ontstonden in onder meer de houten nappen.

Voedselresten werden in een laag stro gegooid dat het vuil moest opnemen, maar dat werd zelden vervangen.

‘De onderste laag lag er rustig twintig jaar, en zat vol uitwerpselen van honden en mensen, restjes bier en vis en andere viezigheid die ik niet eens wil benoemen’, beschrijft de filosoof Erasmus in de 16e eeuw.

UITWERPSELEN

De meeste toiletten stonden boven een beerput die geleegd werd door de nachtwacht. Deze foto werd gemaakt in een kasteel.

© Shutterstock

Bergen uitwerpselen stapelden zich op

De 100.000 inwoners van het middeleeuwse Londen produceerden samen circa 5000 kilo uitwerpselen per dag. Er was geen riolering, dus alles werd weggevoerd en in de Theems gekieperd.

De stank was niet te harden, en de burgemeester dreigde in 1357 met gevangenisstraffen als men de rivier toch voor dat doel gebruikte.

Er werd echter niet gehandhaafd, er al snel werd het zo veel dat er geen schepen meer door konden.

De bacteriën gedijden goed op de vervuilde rivier, en epidemieën teisterden de vieze stad.

HUISDIEREN

Middeleeuwen, schapenvlees, eetgewoonten

Schapen, koeien en varkens woonden meestal bij de mensen thuis.

© Google Art Project

Veehouderij verzwakte de weerstand

Landbouwdieren als kippen, schapen, koeien en varkens woonden in de middeleeuwen in hetzelfde huis als de boeren.

Daardoor was het warmer en werden de waardevolle dieren beschermd tegen wolven en diefstal, maar gevaarlijke bacteriën sprongen sneller over van dier op mens.

Dat gebeurde in 14e eeuw, toen epidemieën van onder meer de bacteriën E. rhusiopathiae en streptokokken veehouderijen teisterden.

De ziekten verzwakten de weerstand van mensen, waardoor de zwarte dood, die een paar jaar later uitbrak, flink kon huishouden.