Rhodesië kende bloedig begin

Als Cecil Rhodes aankomt in de Kaapkolonie zijn grote delen van zuidelijk Afrika nog in handen van de inheemse bevolking. Maar daar wil de Britse imperialist verandering in brengen.

Als Cecil Rhodes aankomt in de Kaapkolonie zijn grote delen van zuidelijk Afrika nog in handen van de inheemse bevolking. Maar daar wil de Britse imperialist verandering in brengen.

Polfoto/Corbis

De Britse bewakers staren in de donkere Zuid-Afrikaanse nacht. Ze zijn op hun hoede. Ze weten dat de Matabelestam doorgaans om vier uur ’s morgens aanvalt.

De huifkarren staan in een cirkel opgesteld, en 650 Britse soldaten staan te wachten. Hun 1000 zwarte dragers bevinden zich in een apart kamp ernaast.

Twee van de zwarte dragers verlaten het kamp en gaan de bosjes in om hun behoefte te doen. Als ze na een tijdje nog niet terug zijn, gaat een derde drager hen zoeken, maar hij wordt door een Matabelekrijger neergeslagen als hij de bosjes bereikt.

Terwijl hij sterft, kan hij nog net zijn geweer afvuren. Het schot verbreekt de stilte van de nacht, en de bevelhebber van de Matabele, Mtshane, is boos. Nu is zijn plan voor een verrassingsaanval verpest.

De Britten zijn gealarmeerd, en ze vuren met hun gloednieuwe Maxim-machinegeweren een paar salvo’s af in het donker.

‘Wij Britten zijn het leidende ras. Hoe meer van de wereld wij bewonen, hoe beter het de mensheid zal vergaan’ Cecil Rhodes

Dan barst de hel los. 5000 Matabelekrijgers springen uit de bosjes.

De machinegeweren maaien alles neer. De meeste Matabelekrijgers hebben speren, slechts ongeveer een derde heeft een geweer. Ze zijn echter slecht getraind in het gebruik van vuurwapens en richten hun schoten vaak te hoog.

Steeds verder worden de aanvallers teruggedrongen, en binnen een half uur heeft Mtshane 600 man verloren. Zijn andere troepen vluchten. De Britse troepen zijn vrijwel ongedeerd. Ze zijn maar 60 dragers en één Britse soldaat kwijt.

Op 1 november 1893, na een week, vallen de Matabele weer aan. Vastberaden stormen ze op de Britse machinegeweren af. De journalist Vere Stent beschrijft de aanval als ‘een van de prachtigste voorbeelden van heldhaftigheid waarvan Afrika getuige is geweest’.

De Matabele zoeken dekking achter grote stenen en vuren erop los, totdat ze zelf geraakt worden. Na een uur liggen er 800 gedode Matabele aan de oever van de rivier de Bembesi. De Britten verliezen slechts drie man en tellen zeven gewonden.

De gedecimeerde keurtroepen van koning Lobengula zijn op de vlucht geslagen. Hun hoofdstad Bulawayo ligt open voor de Britten.

De Matabele komen de twee slagen bij de Bembesi niet te boven en op 18 juli 1894 nemen de Britten de macht in het gebied over. De blanke kolonisten trekken de grens over en stichten boerderijen, goudmijnen en kleine stadjes.

Ze dopen het nieuwe land Rhodesië, als eerbetoon aan de man die het allemaal mogelijk maakte: Cecil John Rhodes.

Hele wereld moest Brits worden

Rhodes werd op 5 juli 1853 in Engeland geboren. Hij kampte gedurende zijn hele jeugd met tuberculose, en toen de ziekte dodelijk dreigde te worden werd hij vanwege het droge klimaat naar de Britse Kaapkolonie in zuidelijk Afrika gestuurd.

Rhodes was pas 16 toen hij op een boerderij van zijn oudere broer kwam om er een tijdje te werken. Twee jaar later trok Rhodes verder het binnenland in en investeerde met een zakenpartner in de boerderij van de gebroeders De Beer.

Rhodes wist zeker dat in de harde, blauwige grond rijkdommen verscholen gingen, en hij kreeg gelijk: de diamanten lagen er voor het oprapen.

Al toen hij pas 20 was, schreef Rhodes zijn eerste testament: hij schonk zijn nieuw verworven rijkdom aan de Britse minister van Buitenlandse Zaken, voor uitbreiding van het Britse imperium.

Niet iedereen stelde de imperialistische ambities van Cecil Rhodes op prijs. Deze spotprent komt uit het blad Punch, 1892.

© Bridgeman

Rhodes stelde zijn leven in het teken van één ideaal: hij wilde een Afrika dat Brits was, van Caïro in het noorden tot Kaap de Goede Hoop in het zuiden, en hij maakte geen geheim van zijn ideeën over de koloniën die hij wilde stichten.

‘Ik durf te beweren dat wij Britten het leidende ras zijn, en hoe meer van de wereld wij bewonen, hoe beter het de mensheid zal vergaan’, zei hij.

Matabele werden gefopt

De Britse uitbreiding ten noorden van de Kaapkolonie was negen jaar voordat de Matabele hun laatste slag zouden leveren begonnen. In 1884 trokken ze Bechuanaland in, dat het jaar daarna een Engels protectoraat werd.

Ondertussen werkte Cecil Rhodes zich snel omhoog in de diamantindustrie. Hij kocht de concurrerende Kimberleymijn stukje bij beetje op en uiteindelijk controleerde hij in 1888 90% van de wereldwijde diamantmarkt.

Zo kon hij in feite zelf de opbrengst bepalen en de prijzen kunstmatig op een zeer hoog niveau houden.

Nu moest Rhodes de andere aandeelhouders van de nieuw opgerichte De Beers Mining Company ervan overtuigen dat ze de winst moesten gebruiken om spoorlijnen aan te leggen naar het onbekende Matabeleland en Mashonaland, waar nieuwe mijnen moesten komen.

‘We moeten een land vinden waar grondstoffen zijn en waar we de inboorlingen als slaven kunnen gebruiken’ Cecil Rhodes

Uiteindelijk lieten de anderen zich telkens overtuigen door Rhodes’ vastbeslotenheid en welbespraaktheid.

Een van hen, Barney Barnato, zei het zo: ‘Het vervelende van Rhodes is dat als je een halfuurtje bij hem bent geweest, je het niet alleen met hem eens bent, maar er ook van overtuigd raakt dat je altijd zijn mening gedeeld hebt.’

Toen hij gekregen had wat hij wilde, stuurde Rhodes een van zijn medewerkers, John Moffat, naar het noorden om een concessieovereenkomst met koning Lobengula van de Matabele af te sluiten.

Moffat maakte hem wijs hem dat de Portugezen en Afrikaners Matabeleland bedreigden, en dat het daarom onder Britse bescherming moest komen.

Hij beloofde ook dat er op elk moment nooit meer dan tien blanke mijnwerkers in Matabeleland zouden zijn. Dit werd echter weggelaten op de Rudd-concessie, het papier dat Lobengula, die niet kon lezen, in goed vertrouwen tekende.

De Britten braken hun belofte, en al snel stroomden de blanke kolonisten Matabeleland binnen. Lobengula probeerde nog de overeenkomst ongedaan te maken, maar het parlement in de Kaapkolonie en de regering in Londen negeerden hem.

In 1889 kreeg Rhodes’ British South Africa Company (BSAC) het monopolie op mijnbouw in Matabeleland en de controle over het land tussen de rivier de Limpopo en de grote meren in Midden-Afrika.

In 1890 trokken 500 Britse pioniers door Matabeleland op weg naar Mashonaland. Na 650 kilometer te paard door de bush te hebben afgelegd, stichtten ze de stad Salisbury in het gebied van de Mashona.

De kolonisten trokken in huifkarren Rhodesië binnen. De wagens werden in een cirkel geplaatst en vormden een soort fort. Deze foto is even buiten Bulawayo genomen.

© Polfoto/Topfoto

Op meerdere plaatsen ontstonden Britse nederzettingen, tot grote tevredenheid van Rhodes.

In 1890 werd Cecil Rhodes bovendien gekozen tot premier van de Kaapkolonie. Hij liet onmiddellijk wetten aannemen die de mijnbouw en dus hem zelf bevoordeelden.

Hij nam ook het initiatief tot een scheiding tussen blank en zwart, een vroege vorm van apartheid, die moest gelden tot de zwarten ‘een hoger niveau van beschaving hadden ontwikkeld’. Of in zijn eigen woorden: ‘Als je echt van de inboorlingen houdt, moet je zorgen dat ze het land waar ze wonen waard zijn. En dat bereik je niet door ze lui te laten zijn.’

Britten vochten tot laatste patroon

De Britse aanwezigheid in het nieuwe land leidde snel tot onrust. Mashonaland was onder Lobengula lange tijd een vazalstaat van Matabeleland geweest, maar in 1893 weigerde een stamhoofd in Mashonaland belasting te betalen aan Lobengula, omdat hij vond dat hij nu alleen schatplichtig was aan de blanke kolonisten.

Lobengula stuurde meteen een paar duizend krijgers op hem af. ‘Vrouwen werden gespietst, mannen en kinderen werden schietschijven of werden levend gekookt. Niemand ontsnapte aan de krijgers, zelfs de honden niet’, vertelde de Mashona Lewanika.

VIDEO – Afrikaanse krijgers vallen de Britten aan:

De Matabele wilden dat alle Mashona die voor de Britten werkten uitgeleverd werden, maar de kolonisten gingen daar niet op in. Ze wilden de oorspronkelijke bevolking niet laten afslachten, en bovendien konden ze niet zonder deze goedkope arbeidskrachten.

De situatie werd steeds ernstiger. Overal lagen lijken, dorpen werden platgebrand en al het vee werd gestolen, ook dat van de Britten.

Rhodes’ rechterhand en militaire leider, Leander Starr Jameson, eiste dat de Matabele het vee van de blanken teruggaven en zich uit Mashonaland terugtrokken.

Deze eis werd niet ingewilligd, en er waren nu twee mogelijkheden: de blanken moesten de Matabele verslaan, of ze moesten hun nieuwe kolonie opgeven en terugkeren naar de Kaapkolonie.

Matabele gedwongen tot overgave

Jameson begon soldaten te rekruteren, en twee maanden later gingen militaire colonnes op weg naar Matabeleland.

Koning Lobengula wilde geen oorlog. Hij had weliswaar een enorm leger van bijna 100.000 man, maar de mannen waren getroffen door de waterpokken.

Elke dag stierven er wel 100 aan de ziekte. De Britten konden daarom ver in Matabeleland doordringen voordat de koning een tegenaanval kon uitvoeren.

De Maxim-machinegeweren waren beslissend in de slag bij de Bembesi, en op 4 november 1893 namen de Britten Bulawayo in. De jacht op Lobengula werd ingezet. Een maand later hadden ze hem bijna te pakken, maar toen ging het mis voor de Engelsen.

De Britten vochten slim. Ze verschansten zich in hun wagens, stelden hun machinegeweren op en lieten de zwarten aanvallen.

© Polfoto/Topfoto

Matabele waren bang voor de blanke hekserij

De moedige inheemse krijgers snapten niet hoe moderne wapens werkten. De Britten moesten wel bovennatuurlijke krachten bezitten.

Het bijgeloof van de Matabele bracht hun in de strijd tegen Groot-Brittannië erg veel schade toe.

Zo wilde aanvoerder Mtshana om half elf ’s avonds een geluidloze aanval op de Britse wagens uitvoeren bij de rivier de Bembesi, als de maan op zijn hoogste punt stond.

De aanval werd echter uitgesteld tot de volgende ochtend, omdat de Britten drie lichtkogels afschoten om de geallieerde Bechuana-troepen die onderweg waren hun positie te wijzen.

De lichtkogels hadden een onverwacht effect. De Matabele waren overtuigd dat de Britten met hekserij de sterren uit de hemel haalden en waren bang dat de blanken de maan ook zouden laten verdwijnen, zodat ze in de duisternis moesten vechten.

De slagen bij de Bembesi waren ook de eerste kennismaking van de Matabele met kanonnen. Ze hadden het idee dat kleine blanke mannetjes met geweren uit de granaten zouden springen. Daarom schoten ze altijd op de plek waar een granaat insloeg.

Na de eerste slachtpartij waren zelfs de moedigste krijgers zo bang voor de blanke wapens dat ze niet meer wilden vechten.

De medicijnman moest eerst beloven dat de goden de patronen van de blanken in water zouden veranderen en hun granaten in eieren. Engels machinegeweervuur maakte korte metten met deze belofte.

Een patrouille van 30 mannen was voor het leger uit gelopen en sloeg kamp op bij de rivier de Shangani. Ze kozen echter de verkeerde oever: ’s nachts steeg het water plotseling door een hoosbui, zodat ze de rivier niet meer konden oversteken.

De patrouille was van het hoofdleger afgesneden, en vroeg in de ochtend vielen de Matabele aan. Een van hun krijgers, Mhahlo, vertelde later het verhaal van de slag.

‘We omsingelden ze. Alle paarden werden gedood, en de blanken lagen achter de dode paarden en vuurden op ons. De meeste blanken werden gedood. De overlevenden lagen op hun rug met hun geweer tussen hun voeten. Ze waren allemaal gewond. Kort daarna hield het schieten op, en we wisten dat ze geen patronen meer hadden. We sloegen de laatsten met knuppels dood terwijl ze hun handen voor hun ogen hielden.’

Dankzij het stijgende water in de rivier had Lobengula zijn achtervolgers kunnen afschudden. Na nog twee maanden in de bush werd hij echter weer gevonden door de Engelsen.

De koning besefte dat het nu een verloren strijd was. Hij stuurde zijn commandant M’Jana naar Bulawayo om zich over te geven aan Rhodes, en beroofde zichzelf vervolgens van het leven.

Rhodes’ race tegen de dood

Door de overwinning kreeg de BSAC de volledige controle over Matabeleland en Mashonaland. Het gebied werd Rhodesië genoemd.

Slechts drie maanden na de dood van Lobengula hadden zich al 1900 kolonisten in Bulawayo gevestigd, terwijl meer dan 2000 blanke gelukszoekers in de goudvelden van Rhodesië werkten.

Het ging goed met de projecten van Rhodes, maar minder met hem zelf. Na twee hartaanvallen zag hij in dat hij waarschijnlijk niet zo oud zou worden. Hij moest zich dus haasten om zijn imperium uit te bouwen.

Rhodes’ hart was opgezwollen en drukte op zijn longen, maar ondanks waarschuwingen van zijn artsen werkte hij gewoon door.

In 1895 probeerde Rhodes de regering van de Boerenrepubliek Transvaal omver te werpen, maar dit liep op een mislukking uit en hij moest zich terugtrekken als premier van de Kaapkolonie.

Ondertussen zagen de Matabele hun kans schoon om in opstand te komen. De nieuwe leider Mlimo had zijn volk ervan overtuigd dat de blanken verantwoordelijk waren voor de droogte, de sprinkhanenplagen en de runderpest.

Met speren, geweren en knuppels trokken ze door het land. In de eerste week doodden ze 250 blanke kolonisten en brandden huizen, boerderijen en mijnen af.

Toen in mei 1895 Britse versterkingen aankwamen, trokken de Matabele zich terug in de Matopo Hills bij Bulawayo. De Britten wilden de krijgers uit de heuvels lokken door ze uit te hongeren, en zo de opstand neerslaan.

Long Cecil vuurde tijdens de belegering 255 granaten af. De munitie was net als het kanon zelfgemaakt.

© Polfoto/Topfoto

Long Cecil was een kanon

Toen het mijnstadje Kimberley belegerd werd, bouwden de ingesloten Britten een groot kanon in de werkplaats van Cecil Rhodes.

Niet alleen Rhodesië werd naar Cecil Rhodes genoemd. Toen in 1889 de Boerenoorlog uitbrak, werd de stad Kimberley belegerd. Het zware geschut van de Boeren had een veel groter bereik dan de kleine Britse kanonnen.

Toevallig was Rhodes in de stad, en hij stelde onmiddellijk zijn werkplaats in de De Beers-mijn beschikbaar om een nieuw kanon te maken.

Het was een ambitieus idee, want de Britten moesten helemaal bij het begin beginnen. Eerst werd er overal gezocht naar beschrijvingen van kanonnen, en de hoofdingenieur van De Beers maakte een tekening.

Er werd een stalen balk gevonden die groot genoeg was om een loop van te maken. De machine om de loop uit te boren werd met de hand gemaakt.

Het kanon, dat Long Cecil genoemd werd, was binnen 24 dagen klaar. Het werkte perfect en kon een granaat van 13,5 kilo over 7300 meter afvuren. De Boeren waren verrast toen hun stellingen plotseling onder vuur kwamen.

Rhodes streefde naar een snellere oplossing van het conflict. Hij was bang dat er anders een langdurige guerrillastrijd zou ontstaan. Toen hij hoorde dat Mlimo door Britse agenten was gedood, liep hij onbewapend de Matapo Hills in om persoonlijk met de zwarte krijgers te onderhandelen.

De stamhoofden vertrouwden Rhodes niet, en daarom bood hij aan een tijdje bij ze te wonen en te zorgen dat ze goed behandeld werden. Toen werd de vrede getekend.

Rhodes zei tegen de kolonisten in Bulawayo: ‘Het is een schone taak om een land van barbarisme naar beschaving te brengen. Jullie hebben mij geëerd door dit land naar mij te noemen. Daarom wil ik jullie graag helpen om er een zo groot mogelijk succes van te maken.’

Cecil Rhodes werkte 16 uur per dag om zijn belofte waar te maken en kreeg al snel zijn derde hartaanval. Deze overleefde hij ook, maar een Brits Afrika van de Kaap tot Caïro zou hij nooit meer meemaken. Zijn tijd zat er nu bijna op.

‘Ik kan maar over één ding klagen, en dat is dat ik niet nog tien jaar gekregen heb van de Almachtige’, schreef hij.

Rhodes’ hart was opgezwollen en drukte op zijn longen, maar ondanks waarschuwingen van zijn artsen werkte hij gewoon door. In januari 1902 liep hij een gewone verkoudheid op, die zijn hart nog meer belastte.

De gezondheid van Rhodes was het gesprek van de dag in zuidelijk Afrika, en op 26 maart 1902 stierf hij op de leeftijd van 49 jaar.

Cecil Rhodes was erg geliefd bij de Britse kolonisten in zuidelijk Afrika en kreeg een indrukwekkende staatsbegrafenis.

© Polfoto/Topfoto

Rhodesië bleef tot 1964 een Britse kolonie, toen Zambia en Malawi zich afscheidden. Het land riep in 1965 de onafhankelijkheid uit en werd tot 1979 door een blanke minderheidsregering bestuurd.

Nu heet het Zimbabwe en heeft het een zwarte dictatuur.