Koppensnellers namen het op tegen Spaanse veroveraars

Terwijl de conquistadores Zuid-Amerika veroverden, weigerde de Jivaro-stam zich te laten onderwerpen. Op een nacht in 1599 stelden zich 20.000 krijgers op bij de slapende Spaanse stad. Hun wraak was buitengewoon wreed.

Koppensnellers jivaro-indianen

Na de slachtpartij in 1599 kregen de Jivaro’s bij de Spanjaarden de naam bloeddorstig en meedogenloos te zijn.

© Bridgeman Images

Alles lijkt rustig in het in nevelen gehulde plaatsje Logroño in het Amazonewoud. Vanuit de hutten in de Spaanse kolonie zijn in deze zwoele nacht anno 1599 alleen maar slapende mensen te horen, die geen idee hebben wat hun te wachten staat.

Buiten de stadswallen is de stemming heel anders. Langs de bosrand sluipen duizenden wraakzuchtige Jivaro-indianen, die met de duis­ternis als dekmantel Logroño – een Spaanse stad in Zuidoost-Ecuador bij de grens met Peru – hebben omsingeld.

Dan worden de Spanjaarden door een onheilspellend geluid gewekt: het zijn de indianen die de stad bestormen. De Spaanse conquistadores zijn kansloos.

Voordat ze uit hun bed kunnen springen, stormen de indianen de hutten al in en doden iedereen die ze aantreffen. Opperhoofd Quirruba, die het indianenleger aanvoert, gaat samen met een paar mannen onmiddellijk op de hut af waar de Spaanse gouverneur zich ophoudt.

In een vlaag van grenzeloze hebzucht heeft de gouverneur de indianen bevolen grote hoeveelheden goud af te staan ter ere van koning Filips III van Spanje. En nu zullen ze hem al het goud gaan geven waar hij van droomt.
De Spaanse pater Juan de Velasco schreef later over de verrassingsaanval:

‘Ze doodden alle mensen die binnen waren, behalve de gouverneur, die zich, overrompeld door de aanval, nog niet had aangekleed. Ze zeiden dat het tijd was om de schat in ontvangst te nemen die ze op zijn bevel hadden verzameld.’

Logroño kaart koppensnellers

Logroño ligt bijna 1800 kilometer ten noorden van Lima. De stad heette destijds Ciudad de los Reyes en was de hoofdstad van het onderkoninkrijk Peru, dat Francisco Pizarro had gesticht.

© Wikimedia Commons

Gouddorst van gouverneur gelest

De indianen rukken de gouverneur de kleren van het lijf en binden zijn handen en voeten vast. Lachend slaan ze hem en bespotten hem. Intussen wordt buiten een smeltkroes neergezet, waarin ze al het goud dat op bevel van de gouverneur is verzameld, verhitten.

‘Toen het goud gesmolten was, openden ze de mond van de gouverneur en zeiden dat ze wilden zien of dit genoeg goud was,’ schreef Velasco.

Francisco Pizarro beeld

Op wrede wijze onderwierp Francisco Pizarro (1478-1541) het Incarijk aan de Zuid-Amerikaanse Pacifische kust.

© Shutterstock

Zuid-Amerika was van Spanje

‘Ze goten het goud beetje bij beetje door zijn mond naar binnen en duwden het met een botje naar beneden. Zijn darmen knapten en dat leidde tot grote hilariteit.’ Dan kammen de indianen Logroño minutieus uit op overlevenden. Alleen jonge vrouwen, die ze als slaven kunnen gebruiken, nemen ze mee.

Ze doden de rest en steken de huizen in brand. Volgens Pater Velasco laten de indianen zo’n 12.000 slachtoffers achter voor ze verder trekken voor de volgende afrekening met Spaanse kolonisten.

Inca’s op de vlucht gejaagd

Voor de Spanjaarden het Amazonewoud innamen in hun jacht op goud en zilver, leefden de Jivaro’s geïsoleerd, tussen meanderende rivieren en wilde stroomversnellingen.

De oorlogvoering tegen buurstammen stond centraal in hun cultuur en de afgehakte, gekrompen hoofden van de vijand – de tsantsa – werden gebruikt bij religieuze ceremonies.

Gekrompen hoofd

De ziel van de vijand zat volgens de Jivaro’s vast in het gekrompen hoofd.

© Wikimedia Commons

Verschrompeld hoofd zet vrouw aan het werk

Hun land grensde in het westen aan Incarijk Peru, en voor de Spanjaarden in 1527 aan land kwamen in het huidige Ecuador, had Incakoning Huayna Capac de aanval ingezet op de Jivaro’s.

Maar de Jivaro’s weerden zich zo kranig dat de koning van de supermacht hen met kostbare giften mild moest stemmen om niet gedood te worden.

Kort daarop, in 1532, vielen de conquistadores het Incarijk binnen. Zij waren vooral uit op edelmetalen, die ze in grote hoeveelheden naar hun koning verscheepten.

Ze lieten zich er door de koppensnellers noch de ontoegankelijke natuur van weerhouden om de rijkdommen van het continent te bemachtigen.

In 1549 trok kapitein Hernando de Benavente het land van de Jivaro’s in op zoek naar goud. Zijn expeditie volgde de rivier de Rio Upano diep het regenwoud in, in de vaste overtuiging dat de kapitein een stad zou stichten van waaruit de goudwinning kon plaatsvinden. Maar Benavente was gedwongen zijn plannen op te geven.

Het was haast ondoenlijk om zich een weg te banen door de jungle, en de inboorlingen, die de expeditie vijandig gezind waren, vielen telkens aan.

Zo lieten de Jivaro’s een hoofd verschrompelen

Toch stuurden de Spaanse kolonisten korte tijd later weer een expeditie het gebied in, die behalve uit kolonisten ook bestond uit Peruaanse indianen, die contact legden met de Jivaro’s.

Al gauw gingen de kolonisten handeldrijven met de Jivaro’s, en de winning van goud kwam op gang. Er bevond zich zelfs zoveel goud in het land dat de kolonisten in 1552 twee steden stichtten in de jungle, Logroño en Sevilla del Oro.

Maar na verloop van tijd accepteerden de Jivaro-indianen de Spaanse eisen niet meer: ze moesten niet alleen al hun goud aan de gouverneur en de Spaanse koning afstaan, maar ook nog eens in de mijnen werken en zich aan de kolonisten onderwerpen alsof ze niet meer dan slaven waren.

De Jivaro’s waren er niet aan gewend te worden rondgecommandeerd en verzetten zich hevig. De Spaanse kolonist Juan Aldrete schreef in 1582 over de koppensnellende indianen:

‘Het is een zeer oorlogszuchtig volk. Ze hebben al veel Spanjaarden gedood en ze moorden elke dag.’ Maar de kolonisten hadden volgens hem de plicht zich niets van het gevaar aan te trekken, omdat er zo enorm veel goud viel te halen.

Indianen komen in opstand

Toen de Spanjaarden in 1599 voor de zoveelste keer goud eisten voor hun koning, kwamen de Jivaro’s in opstand.

Spanjaarden beroofden Jivaro’s

De Spanjaarden stelden de Jivaro’s tewerk in de mijnen en namen de indianen al hun goud af.

© Granger/Bridgeman Images

Opperhoofd Quirruba bracht de Jivaro-stammen bij elkaar en ze bedachten een plan om de kolonisten te overvallen.

Ze moesten op exact hetzelfde tijdstip de Spanjaarden overvallen en uitroeien. Quirruba zou zelf Logroño innemen, waar de Spaanse gouverneur zich dan zou bevinden, wist hij. Twee van zijn krijgers en vertrouwelingen zouden tegelijkertijd de hoofdstad Sevilla del Oro en het kleinere Huamboya innemen.

In totaal waren er 20.000 indianen klaar voor de strijd. De aanval van de Jivaro’s op Logroño verliep geheel volgens plan. Maar opperhoofd Quirruba kreeg bericht dat Sevilla del Oro noch Huamboya was aangevallen.

Een paar stammen die zich bij de opstand hadden aangesloten, lieten het afweten. Nu moest Quirruba zelf naar Sevilla del Oro om de klus te klaren. Inmiddels had het gerucht over de aanval op Logroño de Spanjaarden in Sevilla echter bereikt, en ze bereidden zich voor op de komst van de indianen.

Jivaro sjamaan

Er wonen nog zo’n 45.000 Jivaro’s in het noordoosten van Peru en zuiden van Ecuador.

© Wikimedia Commons

Maar de inwoners hadden geen enkele oorlogservaring, en sinds ze in de stad waren aangekomen, hadden ze geen wapen meer aangeraakt. Er was te weinig munitie, en de paniek sloeg toe.

Inderhaast verschansten de Spanjaarden zich, terwijl ze – denkend aan de bloeddorst van de Jivaro’s – de gehele nacht klaarwakker bleven.

Jivaro’s vallen Sevilla aan

De dag nadat ze Logroño binnen waren gevallen, kwamen de Jivaro-indianen bij Sevilla del Oro aan. Ze klommen direct op de stadswallen en trotseerden de kogels die vanwege het gebrek aan munitie in korte salvo’s werden afgevuurd.

‘De hele dag volgde de ene verwoede aanval na de andere, tot het lukte om door de verdediging heen te dringen en bijna de hele stad in te nemen,’ schreef Velasco over de invasie.

‘Het moorden ging in de straten en op de pleinen door tot de barbaren er genoeg van hadden, ’s nachts de stad in brand staken en vertrokken. Slechts een kwart van de 25.000 inwoners van Sevilla del Oro overleefde het bloedbad.’

Stammen grafiek
© War Before Civilization: the Myth of the Peaceful Savage/Lawrence Keeley

Jivaro’s bleven tot diep in de 20e eeuw krijgszuchtig

De poging van de Spanjaarden om de Jivaro’s aan zich te onderwerpen was op een mislukking uitgelopen. De meesten vreesden dat de indianen opnieuw zouden aanvallen en er waren haast alleen nog ouderen en kinderen in leven. De kolonie raakte langzaam in verval en na een paar jaar waren de meeste blanken uit het land van de Jivaro’s vertrokken.

Koppensnellers zonderden zich af

Tussen 1599 en het midden van de 19e eeuw hadden de Jivaro’s geen contact meer met de buitenwereld.

Het bloedbad van 1599 versterkte bij de Spanjaarden het beeld van de Jivaro’s als bloeddorstige, krijgslustige koppensnellers, die je ondanks hun goud en rijkdommen beter uit de weg kon gaan.

Maar voor de Jivaro’s lijkt het bloedbad niet van grote betekenis te zijn geweest, zo blijkt uit later antropologisch onderzoek. De slag tegen de Spanjaarden lijkt in geen van hun mondeling overgeleverde verhalen voor te komen.

Midden 19e eeuw kwam het contact van de koppensnellers met de buitenwereld langzaam weer op gang.

Midden 19e eeuw kwam het contact met de buitenwereld langzaam weer op gang. De Jivaro’s ruilden onder meer zout en varkens voor machetes en andere metalen werktuigen.

Bovendien beschikten de Jivaro’s nog over iets waar blanke handelaren grote belangstelling voor bleken te hebben: gekrompen hoofden van hun vijanden, die ze bij gevechten hadden buitgemaakt en bij religieuze ceremonies gebruikten.

Er ontstonden spoedig nieuwe Europese koloniën, en de levenswijze van de Jivaro’s veranderde mede daardoor: ze legden zich toe op de bos- en landbouw.