Als de zon opkomt boven het Kalanga-fort op 31 oktober 1814, is de aanval tot in het kleinste detail gepland.
De vesting, waar 650 roemruchte krijgers uit het koninkrijk Nepal – Gurkha’s – zich hebben verschanst, staat op een rots aan de voet van de Himalaya. De rots steekt zo’n 150 meter boven het dal uit, maar de Britse generaal-majoor Robert Gillespie wil Kalanga koste wat kost innemen.
De aanvoerder van het Nepalese legertje, generaal Balbahadur Kunwar, heeft nog niet gereageerd op het ‘aanbod’ van de Engelsman dat hij zich onvoorwaardelijk mag overgeven.
Gillespie zal de Gurkha’s daarom wel eens laten zien waarom de Britten het grootste rijk ter wereld hebben.

India 1814: Britse aanval over twee fronten
De Britten zijn begin 19e eeuw de baas in het grootste deel van India. Als in het noorden van het land troepen uit het Gurkharijk in Nepal de grens over trekken, willen de Britten daar een stokje voor steken.
In 1814 beginnen ze een oorlog.
Na de oorlogsverklaring in november 1814 stuurden de Britten vier divisies van 42.000 man op Nepal af. Twee daarvan vielen in het oosten aan, en de twee andere moesten vanuit het noordwesten tot Kathmandu oprukken.
Een paar dagen eerder hebben de Britten een plateautje op maar 60 meter onder het Nepalese fort ontdekt.
Via een steil bergweggetje hebben olifanten kanonnen omhoog gesleept, terwijl soldaten loopgraven en ladders aanlegden.
Nu zijn 3500 Britse, Ierse en Indiase troepen klaar voor de aanval. Volgens plan zal de artillerie gaten in de muur van het fort schieten, waarna het leger het bestormt. De Britten zijn veruit in de meerderheid, dus de aanval kán niet mislukken.
Gillespie inspecteert de kanonstellingen te paard. Tevreden geeft hij het teken om het vuur te openen. Anderhalf uur lang vliegen de kanons-kogels door de lucht, maar niet veel daarvan treffen de vestingmuur.
De generaal-majoor wordt ongeduldig. Hij staat bekend als een uitstekende bevelhebber, maar ook als rokkenjager en dronkenlap. En onlangs is hij van bigamie beschuldigd.
Hij heeft dus een eervolle overwinning nodig, en slaat het advies van zijn officieren in de wind door om acht uur het bevel te geven voor een bestorming – twee uur eerder dan gepland.
Dat komt hem duur te staan, want de Gurkha’s zijn geenszins van plan de strijd te staken.

Gurkhakoning Narayan Shah veroverde het huidige Nepal, en zijn opvolgers vielen ook India binnen.
Gurkha’s bedreigden Britse rijkdommen in India
In de 19e eeuw verdienden de Britten goud geld in India, en ze waren niet van plan om ook maar een klein deel ervan af te staan.
Toen het Gurkharijk begin 19e eeuw het noorden van India binnendrong, kreeg het met het Britse Rijk te maken.
Al vanaf het eind van de 17e eeuw had de machtige Britse Oost-Indische Compagnie het alleenrecht op de handel in het land.
De compagnie, die haar activiteiten met de Britse regering afstemde, verdiende een vermogen aan de handel in katoen, specerijen en opium uit India.
Het bedrijf werd zo rijk dat het een eigen leger op de been kon brengen, dat vanaf het midden van de 18e eeuw het grootste deel van India aan zich onderwierp.
Tegelijkertijd veroverde Gurkhakoning Narayan Shah het huidige Nepal. Zijn opvolgers stuurden hun troepen naar het noorden van India, waar de Britten de baas waren.
De Engelsen besloten gewapenderhand met de Gurkha’s af te rekenen, en hoopten van de gelegenheid gebruik te kunnen maken om een nieuwe handelsroute te openen door Nepal naar Tibet en China.
Ze rekenden op een bliksemzege, maar de oorlog zou maar liefst twee jaar duren.
Bergboeren zijn dappere krijgers
De slag om Kalanga in 1814 was een van de eerste in de oorlog tussen de Britse Oost-Indische Compagnie en het Gurkharijk in Nepal.
Met hun 16.000 soldaten waren de Gurkha’s tegenover 42.000 Britten sterk in de minderheid, en de Engelsen hadden bovendien de modernste geweren en kanonnen.
‘Ik verwacht een snelle en sublieme beëindiging van de oorlog.’ Bevelhebber van het Britse leger Francis Rawdon-Hastings
De ervaren generaal-majoor David Ochterlony beschreef de Gurkha’s vóór de oorlog zelfverzekerd als ‘een stelletje slecht bewapende en ongedisciplineerde barbaren’, die geen probleem zouden moeten zijn voor het Britse leger. Maar al snel moesten de Engelse generaals inzien dat de kleine, gespierde Gurkha’s de taaiste en beste krijgers waren waar de Engelsen ooit mee te maken hadden.
De Gurkha’s kwamen uit het district Gorkha in het huidige Nepal. Het volk, dat van Mongoolse afkomst was, leefde als veehoeders in het hoogland aan de voet van de Himalaya.
Begin 16e eeuw namen de Rajputs – een oude Indiase krijgerskaste – de wijk naar Gorkha, op de hielen gezeten door de islamitische Mogoldynastie.
De Rajputs, die hindoe waren, trouwden met lokale vrouwen, en dat bracht een taai volk van Noord-Indiaas en Mongools bloed voort.
In 1742 begon de nieuwe heerser van Gorkha, Narayan Shah, aan de verovering van de rest van Nepal, dat in 1769 werd ingelijfd.
Rond die tijd waren de Engelsen bezig met het bezetten van India.
Narayan Shah was onder de indruk van het Britse succes en bracht een gedisciplineerd leger naar Europees voorbeeld op de been.
Anders dan het Britse leger, waar collectieve discipline heerste, was het sterkste wapen van de Gurkha’s echter nog steeds de moed en kracht van de individuele soldaat.
Met dit leger voerden opeenvolgende Gurkhakoningen oorlog in het grens-gebied tussen Nepal in India, en een confrontatie tussen de twee machten kon niet uitblijven.
In 1814 waren de Britten het zat. Met vier divisies zouden ze de Gurkha’s eens laten zien hoe je oorlog voert: ‘Ik verwacht een snelle en sublieme beëindiging van de oorlog,’ schreef de bevelhebber van het Britse leger, Francis Rawdon-Hastings.
Britten in de pan gehakt
De eerste grote slag werd op 31 oktober 1814 uitgevochten in Noordwest-Nepal: generaal-majoor Gillespie en zijn circa 3500 Indiase en Britse soldaten werden gestuit bij het kleine Kalangafort. Er waren maar 650 Gurkha’s, onder wie een aantal vrouwen en kinderen.

Net als de rest van de Britse legerleiding dacht generaal-majoor Gillespie dat de Gurkha’s zo verslagen zouden zijn. Dit kostte hem zijn leven in de slag bij Kalanga.
‘Een soldaat die door weloverwogen dapperheid wordt gedreven, zal altijd in het voordeel zijn ten opzichte van onbezonnen moed,’ schreef Gillespie.
Na het fort anderhalf uur bestookt te hebben, liet de ongeduldige generaal zijn infanterie oprukken, hoewel een deel van zijn leger nog niet in positie was.
Op bevel van Gillespie stormden 800 man op het fort af. Voorop reden de Ierse dragonders, met in hun kielzog infanterie en vooruitgeschoven troepen met ladders.
Zodra de dragonders de fortmuren hadden bereikt, kwamen de Gurkha’s naar buiten met hun kukri – een karakteristiek krom hakmes.
De gedrongen krijgers ontweken behendig de Britse bajonetten en weerden met hun schild de sabels af:
‘Je kwam op geen enkele manier langs die verdomde schilden. Er was geen doorkomen aan,’ schreef een van de dragonders later.
De Gurkha’s haalden met hun vlijmscherpe kukri’s soldaten en paarden van onderen open.
Na een paar minuten lagen 58 gewonde en vier gesneuvelde dragonders op de grond, waarna de Gurkha’s zich bliksemsnel terugtrokken in het fort. Nu begonnen ze de Britten met kogels, pijlen en stenen te bestoken.
De Engelse infanteristen konden niet dicht genoeg bij het fort komen om hun ladders op te zetten, want ze moesten dekking zoeken voor de onophoudelijke regen van pijlen en geweerkogels die de Gurkha’s hun kant op stuurden.
Ondertussen waren bijna alle troepen van Gillespie ter plaatse. Woedend gaf de generaal-majoor zijn hele leger de opdracht om aan te vallen, in een laatste poging de verdediging van de Gurkha’s te breken. Iemand had een schijnbaar onbeschermd poortje ontdekt aan de noordwestkant van de vesting.
Onder dekking van de rook van een paar brandende hutjes sloop een eenheid Britse soldaten eropaf, maar toen ze dichterbij kwamen, was de poort ineens weg.
Gurkhageneraal Balbahadur Kunwar had in de gaten wat de Britten van plan waren en had de opening snel met balken en stenen afgesloten.
De Britten keken recht in de loop van een kanon. Zeven soldaten kwamen op bloedige wijze aan hun einde toen het kanon afging. Op hetzelfde moment stormden de Gurkha’s de andere poort van het fort uit en stortten ze zich pijlsnel op de nietsvermoedende vijandelijke troepen. Veel Britten sloegen op de vlucht.
Een paar Engelse soldaten vochten echter stug door. Gevolgd door zijn adjudant Frederick Young rende Gillespie met getrokken sabel op de Gurkha’s af, maar een schot in zijn borst maakte een einde aan zijn uitval.
Gillespie kwam om, en voor de vesting lagen 35 dode Britten, onder wie vijf officieren.

Tijdens de grote Indiase opstand van 1857 vocht het Nassereebataljon van de Gurkha’s aan Britse zijde.
Gurkha’s vormen het Britse Vreemdelingenlegioen
In de loop van de oorlog tegen de Gurkha’s kregen de Britten door dat de bergboertjes tegenstanders van formaat waren.
In 1815 – terwijl de oorlog nog woedde – richtten de Britten daarom vier divisies met elk ruim 1000 gevangengenomen Gurkha’s op.
De Gurkha’s waren met name goed in guerrillatactieken, en na de oorlog sprak Groot-Brittannië met Nepal af dat het meer Gurkha’s mocht rekruteren.
Sindsdien vechten de Gurkha’s in het Britse leger, en net als het Franse Vreemdelingenlegioen worden ze vooral ingezet in de zwaarste en bloedigste slagen. Vandaag de dag dienen er nog zo’n 3500 Gurkha’s in het Britse leger.
Nederlaag gooit roet in het eten
Al vielen de verliezen bij Kalanga mee, de nederlaag viel de Britten rauw op het dak. Ze hadden op een snelle, klinkende overwinning gerekend, die niet alleen een einde zou maken aan de dreiging van de Gurkha’s, maar ook opstandige provincies in India zou laten zien hoe machtig de Engelsen waren.
Nu leek het echter alsof het sterkste rijk ter wereld zich door een bergstam uit Nepal had laten verslaan. Of ze nu wilden of niet, de Britten moesten het offensief wel doorzetten.
In de weken die volgden werden steeds meer kanonnen en soldaten naar het Kalangafort gestuurd. Urenlang werd het beschoten, maar zelfs toen er een gat in de muur werd geblazen, konden de Britten nog niet binnendringen. De Gurkha’s groeven greppels achter het gat, waar ze scherpe palen in zetten.
Na een maand vechten lag het hele fort in puin, maar de doorbraak kwam pas toen de Engelsen de bron afsloten die het fort van water had voorzien. Zonder water moesten de Gurkha’s de strijd staken, en op 30 november 1814 vielen de Britten het fort binnen, waar ze onthaald werden op een vreselijke stank. Op de binnenplaats lagen stapels lijken, en de overlevenden kreunden van de pijn en de dorst.
‘Sommigen hadden daar drie dagen gelegen met gebroken ledematen. Een jonge vrouw met een gebroken been lag tussen de doden, en omdat ze zich niet kon bewegen, opende ze slechts haar mond om te drinken. Haar wanhoop zal ik nooit vergeten,’ schreef de Engelse soldaat Henry Sherwood.
Toen de overlevenden verhoord werden, bleek dat generaal Balbahadur en de Gurkha’s die nog konden vechten de nacht tevoren het fort hadden verlaten, want zonder water kon de verdediging geen stand houden.
In totaal had de strijd de Britten 763 dode en gewonde soldaten gekost, van wie 31 officieren, terwijl de Gurkha’s 520 soldaten waren kwijtgeraakt.
Ondanks hun zware verliezen konden de Britten niet anders dan de moed en de vechtlust van de Gurkha’s prijzen:
‘Ik weet niet wat anderen hebben gezien, maar bij ons waren de Gurkha’s niet wreed tegen gewonden en vergiftigden ze geen pijlen of bronnen. Ze werden niet door wraakzucht gedreven, maar vochten een eerlijke strijd tegen ons uit, als mannen,’ schreef de officier James Fraser in een brief aan zijn ouders.

Het kukrimes is het beroemdste en beruchtste wapen van de Gurkha’s.
Mes maakte Gurkha’s levensgevaarlijk
Met het lange en vlijmscherpe kukrimes konden de Gurkha’s met één uithaal hun vijanden openhalen.
Er zijn veel mythes in omloop over de Gurkha’s. Volgens een daarvan eist hun kromme mes, de kukri, bloed als het eenmaal getrokken is.
We weten niet waar het mes vandaan komt, maar volgens sommigen is het verwant aan de Griekse kopis, die Alexander de Grote in de 4e eeuw v.Chr. naar Azië bracht.
Er bestaan verschillende formaten, maar de kukri die voor de oorlog in de jungle gebruikt werd, is circa 40 centimeter lang.
In 1814 bestormden de Gurkha’s de Britten vaak, en zodra ze hen dicht genoeg waren genaderd, maakten ze een koprol onder de bajonetten door en reten ze de buik van de Britse soldaten open.





Mes staat bol van de symboliek
Lengte: 40 cm
Lemmet: 27 cm
Gewicht: 600 g
Het uiteinde van het heft heet Charpo – Gods oog. Het heft is van hout of buffelhoorn gemaakt.
De twee inkepingen bij het heft heten kaudi – druipend bloed. Ze voorkomen dat het bloed op de hand stroomt, waardoor de Gurkha zijn grip verliest, en staan voor de drietand van Shiva.
Het lange lemmet is breed aan de snede. Met het zware, scherpe mes hak je zo iemands arm af.
Het kromme lemmet van het mes staat voor de maan van Nepal – Chandra.
Meesters met messen
De slag om Kalanga was slechts een voorproefje van wat de Britten te wachten stond: ontoegankelijke forten die niet stormenderhand in te nemen waren, maar langdurig gebombardeerd moesten worden. En de Gurkha’s bleken al snel ook uitstekende aanvallers.
In december 1814 kwam een Britse voorhoede van 300 man aan bij het fort Parsa even ten zuiden van de Nepalese hoofdstad Kathmandu.
De aanvoerder, kapitein Henry Sibley, stelde vast dat het fort verlaten was, maar dat er nog Gurkha’s in de buurt waren. Hij besloot zijn kamp op te slaan bij een rivier in de dichte jungle. Hij liet het kamp niet versterken, maar zag er wel op toe dat de mannen wapens droegen. Zelf vierde hij nieuwjaar in zijn tent.
Vlak voor het ochtendgloren op 1 januari zwermden de Gurkhasoldaten met hun krijgsolifanten de jungle uit. De Britse troepen die het kamp probeerden te verdedigen, raakten niets in het dichte oerwoud.
De Engelsen sneuvelden bij bosjes, en de overlevenden vormden een cirkel en vochten een uur lang rug aan rug, tot ze de rivier over vluchtten. 121 van hun kameraden bleven dood achter, onder wie Henry Sibley.

Ook kinderen van Gurkha’s mogen een militaire training volgen in Engeland.
De nederlagen maakten de Engelsen op uiterst pijnlijke wijze duidelijk dat de Gurkha’s vooral uitblonken in man-tot-mangevechten, men name wanneer ze hun kukrimes konden gebruiken, dat dood en verderf zaaide onder de vijand.
De predikant Wood, die eind 19e eeuw zijn herinneringen aan zijn reizen in Nepal opschreef, leverde een van de beste beschrijvingen van het gebruik van het mes.
Volgens hem ging het vooral om bekwaamheid en niet zozeer om kracht: ‘Daarom kan een Gurkha, niet veel groter dan een jongen, een enorme tegenstander die zijn techniek niet begrijpt, in mootjes hakken.’
Om die reden sloegen de Brits-Indiase troepen steevast op de vlucht als de Gurkha’s met hun messen in aantocht waren. Dit ondervond generaal-majoor Ochterlony toen zijn troepen een paar dagen voor Sibleys nederlaag bij Parsa zware artillerie aan het opstellen waren bij het fort Mangu, hoog in de bergen.
’s Ochtends vroeg gingen de poorten van het fort plotseling open, en onder het slaken van de strijdkreet Ayo Gurkhali! – hier komen de Gurkha’s – stormden 2500 krijgers met schilden en messen op de Britse stellingen af.
Alleen al door deze aanblik zonk de moed veel Indiase soldaten in de schoenen. Een groot aantal van hen sloeg op de vlucht.
De Britten hadden echter één voordeel: ze konden vanuit de hoogte op de vijand vuren. De Gurkha’s vielen dan ook en masse, maar zodra er eentje gedood was, kwam er een ander voor in de plaats.
Pas na drie uur trokken de Gurkha’s zich terug. Ze lieten 150 doden achter. De Engelsen hadden maar negen man verloren: de eerste echte overwinning.

Een Britse Gurkhasoldaat draagt een gewonde kameraad tijdens de Tweede Wereldoorlog.
Toelatingstest is zwaarste ter wereld
Slechts één procent van de vele jonge mannen die bij de Britse Gurkha-eenheden willen, komt door de strenge selectie heen.
Ongeveer 28.000 jonge Nepalezen strijden elk jaar om een plekje in de Britse Gurkha-eenheden. Vaak gaat het om kinderen van vroegere Gurkhasoldaten.
De toelatingstest is zo zwaar dat slechts 200 sollicitanten ervoor slagen. De gelukkigen worden naar Groot-Brittannië gebracht, waar ze in Yorkshire een training van acht maanden volgen.
Het hoofdkwartier van de brigade is in Wiltshire, maar de kersverse Gurkha’s waaieren uit naar alle windstreken. Ze hebben een contract voor minimaal 15 jaar.
Formele eisen
- Leeftijd: 17,5-21 jaar
- Lengte: min. 160 cm
- Gewicht: min. 50 kg
- Zicht: perfect – een bril of lenzen zijn verboden.
- Gebit: maximaal twee vullingen.
- Lichaam: tatoeages worden niet geaccepteerd.
Conditie
- De kandidaten moeten zich minstens 14 keer aan hun armen kunnen optrekken.
- Ze moeten ten minste 75 sit-ups in twee minuten kunnen doen.
- Binnen een minuut moeten ze 70 keer op een bankje kunnen stappen.
Dokorace
De zwaarste test is de zogeheten dokorace, waarbij de kandidaten vijf kilometer bergop moeten rennen. Op hun rug dragen ze een mand – een doko – met
25 kilo stenen. Voor de stabiliteit wordt deze mand met een riem om hun voorhoofd gebonden. Om voor de proef te slagen, moeten de kandidaten hem in minder dan 55 minuten afleggen.
Kanonnen drijven Gurkha’s terug
In de loop van de oorlog leerden de Britten hoe ze de Gurkha’s moesten aanpakken.
De Gurkha’s deden het goed in man-tot-mangevechten, maar hadden weinig kanonnen en waren daardoor niet opgewassen tegen zware artillerie. De Britten legden zich dan ook toe op een trage uitputtingsstrategie.
Als ze op een fort stuitten, dat vaak hoog in de bergen lag, waren ze weken bezig met het aanleggen van wegen naar de dichtstbijzijnde bergtop. Via die wegen sleepten ze kanonnen naar boven, waarna ze hun ingesloten vijand dagenlang met zwaar geschut bestookten.
Desondanks hadden de Engelsen er nog een hele kluif aan. Gurkha’s waren meesters in het bouwen van verdedigingswerken en konden binnen een paar uur metershoge palissaden van bamboe uit de grond stampen.
Meestal zetten ze twee rijen palissaden op met anderhalve meter stenen ertussen.
Toen de Britten de vesting Jaithak in wilden nemen, stuitten ze op maar liefst drie rijen palissaden. Na een hevig bombardement lag de eerste rij in duigen, maar de Engelsen durfden het fort niet te bestormen voordat de twee overige ook verwoest waren. ’s Nachts hielden ze op met schieten om de kanonnen de volgende dag dichter bij het fort op te kunnen stellen.
Maar ’s ochtends vroeg ontdekten ze tot hun verbazing dat de Gurkha’s de kapotgeschoten palissade weer hadden opgebouwd.
Dode officieren worden uitgeleverd
Uiteindelijk moesten de Britten de strijd bij Jaithak staken. Ze trokken om het fort heen om de veel belangrijker vesting Malaun aan te vallen, die verdedigd werd door Bakhti Thapa – een van de beroemdste Gurkhageneraals.
Tijdens deze gevechten lieten de Gurkha’s zich van een andere kant zien, wat ze nog meer respect van de Britten opleverde.
Tijdens een slag bij Malaun in april 1815 werd de Britse officier Charles Showers gedood.
Toen zijn mannen het lichaam de volgende dag gingen halen, troffen ze het aan onder een mooie doek op een bed van bladeren – een respectvol gebaar van de Gurkha’s.
Een paar dagen later leidde generaal Thapa een massieve aanval van 2000 Gurkha’s op een van de stellingen die het fort steeds bestookten: ‘Telkens weer vielen ze aan, met een weergaloze wreedheid, en hakten ze met hun sabels in op onze kanonnen,’ schreef luitenant Robert Ross in een brief aan zijn gezin.
Tijdens de aanval kwam een kwart van de Gurkha’s om, onder wie Bhakti Thapa – die had beseft dat het een kansloze actie was, en daarom al afscheid van zijn twee vrouwen had genomen.
De Britse generaal-majoor Ochterlony zorgde ervoor dat het lichaam van de Gurkhageneraal netjes in sjaals werd gewikkeld en overgedragen. ’s Avonds zagen de Britten vanuit de hoogte het vuur waarin Thapa werd verbrand. Zijn weduwen wierpen zich in de vlammen om met hun man te sterven.

De Gurkha Gurung doodde in zijn eentje 31 Japanners.
Gewonde Gurkha doodde 31 Japanners
‘Beter dood dan laf,’ luidt het motto van de Gurkha’s.
Uit de vele verhalen over heldendaden die Gurkha’s verricht hebben, blijkt dat ze die woorden serieus nemen. Dit gold ook voor de Gurkhasoldaat Lachiman Gurung, die in de Tweede Wereldoorlog voor de Britten in Birma vocht.
’s Ochtends vroeg op 12 mei 1945 bevond Gurung zich met zijn eenheid in een loopgraaf toen er plotseling 200 Japanse soldaten op hen af kwamen stormen.
Twee kameraden van Gurung raakten gewond door handgranaten, en twee keer greep Gurung een handgranaat om hem terug naar de Japanners te gooien.
Maar de derde keer ging het mis: de granaat ontplofte, en Gurung raakte zijn rechterhand en -oog kwijt. Hij liep ook ernstige verwondingen aan zijn borst en rechterbeen op.
Desondanks bleef Gurung met zijn linkerhand op de Japanners schieten. Vier uur lang hield hij stand en wist hij de ene na de andere aanvalsgolf af te slaan.
Hij doodde 31 Japanners. Voor zijn moed werd Gurung onderscheiden met een Victoria Cross, de hoogste militaire orde van Groot-Brittannië.
Volgens zijn kameraden riep Gurung in het heetst van de strijd tegen de Japanners: ‘Kom hier en vecht tegen een Gurkha!’
Dit is geen uniek verhaal. Toen een Gurkha in 2011 in Afghanistan eigenhandig 30 Talibanstrijders doodde, schreef een Britse journalist: ‘Hoe konden de Taliban in godsnaam denken dat ze het met maar 30 man tegen één Gurkha konden opnemen?’
Gurkha’s komen in Britse dienst
De volgende paar maanden verloren de Gurkha’s het ene fort na het andere, tot ze op 2 december een vredesverdrag moesten ondertekenen.
De verslagen troepen mochten zich terugtrekken naar Kathmandu. Vanwege onenigheid over de voorwaarden laaide de oorlog echter algauw weer op, en pas toen Ochterlony in maart 1816 met ruim 20.000 man naar Kathmandu optrok, gaven de Gurkha’s zich definitief over.
Dit vormde niet het einde van de betrekkingen tussen de Gurkha’s en de Engelsen – integendeel.
Beide partijen waren elkaar gaan respecteren op het slagveld, en al in januari 1815 – bijna een jaar vóór het eind van de oorlog – had Ochterlony vier Gurkha-eenheden van elk 1000 man opgericht.
De leden werden gekozen onder de duizenden krijgsgevangenen die de Britten hadden gemaakt.
Frederick Young, die in 1814 met generaal-majoor Gillespie in Kalanga had gevochten, kreeg het bevel over een van deze eenheden, The Sirmoor Rifles, die tot op de dag van vandaag deel van het Britse leger uitmaakt.