Tot ver in de 19e eeuw werkten kinderen in de mijnen. Vanwege hun kleine postuur waren ze gewilde werknemers.

© Library of Congress

Kinderen en armen zetten hun leven op het spel in de kolenmijnen

Eind 18e eeuw zwoegden mijnwerkers diep onder de grond om steenkool te winnen – de motor van de industrialisatie. Het werk bracht brood op de plank, maar voor velen was de afdaling naar de donkere krochten de laatste reis van hun leven.

24 april 2018 door Else Christensen
Het is aardedonker. Slechts het zwakke schijnsel van een kaars brengt een klein beetje licht in de duisternis.


De vlam wordt weerkaatst door de houwelen waarmee de mijnwerkers inhakken op de wanden van de gang, terwijl het zwarte zweet van hun gezicht druipt.

In de pikdonkere diepte mengt het geluid van de metalen houwelen die tegen kool en steen slaan zich met het doffe gerammel van de wagentjes die zwaarbeladen met steenkool door de gangen van de mijn worden gesleept.


Ondertussen kraken de net iets tedunne palen waarmee de wanden en plafonds van de gangen gestut worden vervaarlijk. Ze moeten de druk van honderden meters aarde en gesteente weerstaan. Daarbij komt het geluid van het water dat de gangen in sijpelt.

De mijnwerkers proberen niet te veel stil te staan bij al die geluiden. Want ze weten donders goed dat het in de mijn levensgevaarlijk is en dat ongelukken aan de orde van de dag zijn.

Het bestaan van Britse mijnwerkers halverwege de 19e eeuw is zwaar en kort. Maar de meesten hebben geen keus: ze moeten wel 10 tot 12 uur per dag diep onder de grond zwoegen om hun gezin te kunnen voeden.

De erbarmelijke omstandigheden van de mijnwerkers staan in schril contrast met het belang van hun werk.

Vanaf de tweede helft van de 17e eeuw tot de jaren 1960 is steenkool de belangrijkste grondstof van Engeland.

Het verwarmt de huizen en brandt in de fornuizen. Het drijft locomotieven en stoomboten aan, en niet in de laatste plaats levert het energie aan de fabrieken die tijdens de industrialisatie zijn gebouwd en die van Groot-Brittannië een ware grootmacht hebben gemaakt.

De mijnwerkers betalen de prijs voor de rijkdom. Ze worden ziek en sterven massaal een vroegtijdige dood. Zij zijn de slachtoffers van de vooruitgang. 

Mijnwerkers krijgen geen erkenning

Een paar eeuwen eerder had niemand kunnen bevroeden dat steenkool in de toekomst zo’n grote rol zou gaan spelen voor de Britse Eilanden.

De zwarte klompjes die in Wales, Schotland en Noordoost-Engeland uit de grond gehaald werden, dienden al sinds de 12e eeuw als brandstof, maar niet op grote schaal.

Omdat steenkool een scherpe, zurige geur afgeeft als het verbrand wordt, stookten de Britten hun huizen liever warm met hout.

Smeden en andere ambachtslieden gebruikten de zwarte stenen in hun werkplaats.


Bisschoppen, baronnen en andere hoge heren stoorden zich aan de stank als ze naar Londen kwamen om parlementsvergaderingen te bezoeken. In 1306 zette koning Eduard I hoge boetes op het gebruik van kolen, maar het verbod was van korte duur.

Het hout raakt op

Niet lang daarna kreeg steenkool een betere naam. Vanaf het eind van de 16e eeuw ontwikkelde Engeland zich in rap tempo.


De handel bloeide, en de vloot ging de wereldzeeën bevaren. Omdat er veel nieuwe huizen en schepen gebouwd moesten worden, ontstond er al snel een nijpend gebrek aan hout.

Op de gerooide bosgrond werden schapen gehouden, waardoor er geen nieuwe bomen geplant konden worden. De marine waarschuwde dat de veiligheid van het land in het geding was.

Bovendien was de zogeheten Kleine IJstijd begonnen in Europa. Tot aan het eind van de 18e eeuw waren de winters ongewoon streng. Daardoor steeg de vraag naar brandhout, en dus de prijs. Al snel konden boeren en ambachtslui zich geen hout meer veroorloven.

In Essex werd een wet ingevoerd die voorschreef dat houtdieven ‘met de zweep moeten krijgen tot ze bloeden als een rund’. Maar dat hielp nauwelijks.

Hoewel koningin Elizabeth I volgens ingewijden ‘buitengewoon gevoelig voor de geur en rook van kolen’ was en zich er ernstig aan stoorde, was er geen ontkomen aan: Engeland moest aan de steenkool. Al vanaf het begin van de 17e eeuw was steenkool dan ook de belangrijkste brandstof van het land.  

In 1866 vonden er maar liefst drie grote explosies plaats in de mijnen in het graafschap Lancashire.

© SFL/Scanpix

Mijnen lopen onder

De kolen kwamen voornamelijk uit mijnen in Wales, Schotland en het noorden van Engeland. Ze werden per schip naar de vele havensteden van Engeland vervoerd.


Het grootste deel van de enorme hoeveelheden kool was echter bestemd voor de hoofdstad. Dat viel de schrijver Daniel Defoe ook op. ‘Als ik in Londen ben en alle schepen zie die voortdurend binnenlopen met steenkool, vraag ik me af waar dat toch allemaal vandaan komt,’ schreef hij.

De stijgende vraag noopte mijneigenaren om nieuwe manieren te vinden om het zwarte goud uit de grond te halen. In de jonge jaren van de mijnbouw werd steenkool gewonnen uit een groot, klokvormig gat in de grond en werd het via een takelinstallatie omhoog getrokken door paarden.

In de 17e eeuw gingen de mijnwerkers gangen graven in de groeven. Ze hakten de kolen uit de wanden van de gangen en stutten die met hout. Om de gangen nog verder te stabiliseren werden tunnels waar alle steenkool gewonnen was met stenen, aarde en andere materialen opgevuld.

Dankzij deze nieuwe techniek werden mijnen een stuk dieper. Maar nu hadden de mijnbedrijven een nieuw probleem: de gangen lagen onder de grondwaterspiegel, en ze liepen dus onder. 

Pompen of verzuipen

Dit probleem dreigde de winning van steenkool te belemmeren. De mijnwerkers zetten pompen in, maar die moesten voortdurend in bedrijf zijn, en water- en windenergie waren daarvoor niet toereikend.

 Pompen op paardenkracht werkten goed. Een redelijk grote mijn had echter 50 tot 60 paarden nodig om de pompen draaiend te houden, en dat kostte een hoop geld aan voer en personeel. Te veel om de mijn rendabel te kunnen houden.

De eigenaren zaten met de handen in het haar. Elk jaar werden er mijnen verlaten, ‘ondergelopen of onbenut vanwege het gebrek aan zulke edele machines waarvan wordt gesproken of die men zich voorstelt,’ stond er te lezen in het werk The Compleat Collier, een leerboek over mijnbouw uit 1708.

Vier jaar later was de ‘edele machine’ een feit. De smid Thomas Newcomen had een stoommachine op kolen ontwikkeld die in gebruik werd genomen in de kolenmijnen van Conygree in het midden van Engeland.

Het toestel van Newcomen stookte bijna alle steenkool die de mijnwerkers wonnen op. Maar de machine leverde genoeg energie om een pomp aan te drijven die de mijn kurkdroog hield.  

Mannen en vrouwen zwoegen

In 1769 verbeterde de Schotse wetenschapper James Watt de stoommachine van Newcomen, waarna die vier keer zo veel energie uit dezelfde hoeveelheid kolen haalde. 


Het nieuwe apparaat werd niet alleen in mijnen toegepast, maar ook in weverijen en andere fabrieken.

Tussen 1780 en 1830 groeide dankzij de uitvinding de productie als kool, en de winning van kolen hield er gelijke tred mee: in 1750 werd er 4,7 miljoen ton steenkool uit de grond gehaald. 100 jaar later was dat getal gestegen tot maar liefst 50 miljoen ton.

Het groeiende verbruik van kolen leidde niet alleen tot diepere mijnen, maar ook tot langere dagen voor de mijnwerkers.

De mannen verbleven vaak 12 uur per dag onder de grond, waar ze in ploegendienst met houwelen en schoppen steenkool wonnen. En de gangen waren zo laag dat ze op hun zij moesten liggen tijdens het hakken.

Een mijn was een doolhof van gangen die allemaal in verbinding stonden met de hoofdschacht die naar de buitenlucht leidde. Om kosten te besparen maakten de mijneigenaren de zijgangen 60 tot 120 centimeter hoog – precies hoog genoeg voor de wagentjes vol steenkool die erdoorheen werden getrokken.

Omdat het zo krap was werden de karretjes vaak getrokken door vrouwen en kinderen, en dat was een zwaar en vernederend baantje. ‘Ik heb een riem om mijn middel en een ketting tussen mijn benen door. Ik kruip op handen en voeten.

De gang is heel steil, dus we moeten ons vasthouden aan een touw. Als er geen touw is, trekken we ons op aan wat er maar voorhanden is,’ zei de 37-jarige Betty Harris in 1842 over haar werk in een kolenmijn.

Het werk werd nog eens bemoeilijkt doordat de mijngangen ondanks de stoommachines die ze leeg moesten pompen toch vaak nat waren of onder water kwamen te staan. ‘Regelmatig zijn de gangen vochtig en moeten de arbeiders door de smurrie of door een laag water kruipen, wat hun huid aantast.


Je kunt je voorstellen dat ziekten welig tieren onder deze slavernijachtige omstandigheden,’ schreef de Duitse socialistische denker Friedrich Engels, die in zijn jonge jaren de kolenmijnen bij Manchester had bezocht.

Op zaterdag en zondag hadden veel mijnwerkers vrij om enigszins te herstellen van de zware werkweek.
© Shutterstock

Kinderen zingen in de mijnen

Kinderen werkten vaak als trapper in de mijnen. Ze bedienden en bewaakten de houten luiken die een kolenmijn in verschillende secties verdeelden.

Die luiken moesten gaslekkages en branden binnen de perken houden. De wagentjes moesten er echter wel langs, dus het was belangrijk dat de kinderen ze snel openden en sloten. Maar het grootste deel van de tijd zaten ze in hun eentje in het donker te wachten.

Halverwege de 19e eeuw begon het tot de politiek door te dringen hoe slecht de mijnwerkers het hadden en stelde het parlement een commissie in om de omstandigheden te onderzoeken.

‘In alle kolenmijnen in alle districten van Groot-Brittannië werken kinderen tussen de vijf en de acht jaar met deze luiken,’ stond er in het rapport.

In 1842 ondervroeg de commissie de achtjarige Sarah Gooder, die vertelde: ‘Ik moet vaak de wacht houden bij het luik zonder licht, en dan word ik bang. Ik slaap nooit. Soms zing ik als ik licht heb, maar nooit in het donker. Dan durf ik niet te zingen.’

Nadat de commissie meer dan 1500 getuigen had gehoord stelden de leden onthutst vast: ‘Deze activiteiten kunnen bezwaarlijk als werk worden aangeduid. De kinderen die de werkzaamheden uitvoeren zijn verstoken van daglicht en hebben nooit gezelschap. Als er geen verkeer van wagentjes was, zou het net zoiets zijn als de ergst denkbare isolatiecel in de gevangenis.’

Vrouwen die in de mijnen werkten hadden het niet veel beter. ‘Toen ik in de mijn van sir John werkte, sjouwde ik kolen. Daardoor heb ik vijf keer een miskraam gehad, en telkens was ik daarna heel erg ziek.


Het duwen van de karretjes was minder vermoeiend; mijn jongste is zaterdagochtend geboren, en de vrijdag erna was ik alweer aan het werk,’ vertelde Isabel Wilson aan de parlementaire commissie.

Het rapport van de commissie leidde tot een verbod op de inzet van kinderen onder de 10 en vrouwen in de mijnen. De kolenwagens werden voortaan door pony’s getrokken. Die leefden onder de grond en zagen nooit daglicht.

Gas is de stille killer

Het bestaan van een mijnwerker was niet alleen zwaar, het was ook levens-
gevaarlijk.


Ongelukken werden vóór 1850 niet geregistreerd, en ook cijfers van na die tijd zijn onzeker. De schrijver Ian Winstanley, die onderzoek deed op dit gebied, schat dat er tussen 1850 en 1914 meer dan 90.000 doden vielen in kolenmijnen in Groot-Brittannië.

‘In de Victoriaanse tijd kwam er bijna elke dag een man om het leven in elke mijn in Lancashire,’ schrijft Winstanley, die zijn gegevens baseert op rapporten van Britse mijninspecteurs.

Instortingen, overstromingen, ontploffingen en gasvergiftigingen waren aan de orde van de dag.

‘Geen enkele activiteit in het hele Britse Rijk biedt zulke afwisselende mogelijkheden om het loodje te leggen als deze,’ schreef Friedrich Engels droog.

Vooral gassen waren verraderlijk. Koolmonoxide, een kleur- en geurloos gas dat ontstaat als steenkool in contact komt met lucht, kon een volwassen man zonder waarschuwing de das omdoen.

Een bron meldt hoe negen mijnwerkers nietsvermoedend een ruimte binnengingen waar koolmonoxide hing. Ze vielen dood neer ‘alsof ze waren neergeschoten,’ stond er te lezen.

Een enkeling stikte zelfs al terwijl hij aan een touw in de mijn afdaalde. De symptomen van degenen die op tijd wisten te ontkomen bestonden uit ‘een tijdelijke lichtheid in het hoofd’.
Het meest gevreesde gas was echter methaan, dat vrijkwam in de mijnen en bij het plafond van de gangen bleef hangen.


Het kon plotseling ontploffen door de vele kaarsen die de mijnwerkers bij zich hadden om wat te kunnen zien in de donkere gangen. Als dat gebeurde, was het leed niet te overzien.

Bij een gasexplosie konden er veel slachtoffers vallen. Dat was het geval bij een van de eerste mijnrampen die tot in detail beschreven is.


Bij dit ongeluk, dat in 1708 in Durham in het noordoosten van Engeland plaatsvond, klonk ‘om drie uur ’s morgens plotseling het geluid van een grote steekvlam, die met een knal als van een donderslag of een kanonschot uit alle drie de openingen van de schacht schoot. 63 mensen werden ‘compleet uit elkaar gereten’.

Arbeiders betalen zelf voor veiligheid

Mijnwerkers kregen een gedeeltelijke compensatie voor het zware, gevaarlijke werk, want ze verdienden beter dan de meeste andere arbeiders.


In 1840 kreeg een mijnwerker 30,9 pence per dag, een stuk meer dan de 22,1 pence die een boerenknecht verdiende.

Maar er zat een addertje onder het gras: de mijnwerkers moesten alle benodigdheden, van kaarsen tot kleren, zelf kopen. Dit gold ook voor hun helm en de andere veiligheidsvoorzieningen.

Wie niet bij een ongeluk omkwam of invalide raakte, kon alsnog te maken krijgen met de gevolgen van het zware werk.


Velen bezweken aan longziekten als silicose of stoflong. Een mijnwerker uit Gwennap in Cornwall vertelde dat het slijm dat hij ophoestte ‘zo zwart als roet’ was. Nog in 1911 was de levensverwachting van een mijnwerker in Cornwall slechts 39 jaar.  

De mijnwerkers moesten de gangen zelf stutten, en als ze daarbij een fout maakten, konden ze bedolven raken.
© Library of Congress

Honderden doden bij explosie

Ongelukken bleven aan de orde van de dag. Gedurende de 19e eeuw waren de mijnen steeds uitgebreider geworden, wat tot grotere rampen met meer doden en gewonden leidde.


En veiligheid kwam vaak op de tweede plaats. Zo werd een mijn regelmatig geventileerd door er een vuur te stoken.

Zo’n vuur was mogelijk een van de oorzaken van het ongeluk in de mijn van Oaks in Yorkshire in 1866. Op 12 december even na het middaguur waren er 340 mensen onder de grond toen er een oorverdovende knal klonk, gevolgd door een drukgolf. De klap was te horen in het dorp Hoyle Mills, waar de mijnwerkers woonden.

Binnen een paar minuten kwamen vrouwen, kinderen en mannen die vrij hadden omdat er in ploegendienst werd gewerkt en masse naar de mijn.

De mannen gingen naar beneden en vonden 18 overlevenden, die er slecht aan toe waren.


Wie dieper door wist te dringen in de mijngangen wachtte een hartverscheurende aanblik: verminkte lijken en stukken van paardenkadavers in de buurt van de verwoeste stal onder de grond. ‘Een plaats van vlijt en ondernemerschap was veranderd in Golgotha,’ stond er in de krant te lezen.

Onder in de mijn vonden de redders een bewusteloze man met een kat in zijn armen. Na een grondige zoektocht in alle gangen en schachten bleken er echter geen overlevenden meer te zijn.

Nu moesten de vele zwaar gehavende lichamen geborgen worden – een akelig karwei dat tot de volgende dag duurde.


De eerste ploeg was echter nog niet ver toen een ingenieur bij de ingang riep dat de temperatuur in de mijn steeg. De bergingsploeg kreeg het bevel om de mijn onmiddellijk te verlaten, maar voordat ze zich in veiligheid konden brengen klonk er een tweede explosie.

De knal was anderhalve kilometer verderop te horen, en de mannen die rondom de mijningang stonden werden omvergeblazen.


Verbrand hout vloog de lucht in, en een van de liftkooien waarmee de mijnwerkers de mijn in en uit werden gebracht knalde tegen de bovenkant van de lift aan.

De mannen lieten de tweede kooi meteen zakken voor overlevenden, maar hij kwam leeg terug. Iedereen in de mijn was dood.

Na nog een paar ontploffingen werd de mijn gesloten en onder water gezet. 12 van de 18 mannen die na de eerste explosie werden gevonden, bezweken binnen enkele dagen na de ramp.

Steenkool raakt achterhaald

Met 361 dodelijke slachtoffers was de ramp in de Oaks-mijn het ergste mijnongeluk tot dan toe in Groot-Brittannië. 47 jaar later kwamen er echter 439 man om bij een gasexplosie in de mijn van Senghenydd in Zuid-Wales.

In 1913 bereikte de productie van de Britse mijnbouw een hoogtepunt met bijna 300 miljoen ton steenkool, en de hele westerse wereld draaide op kolen. Zelfs elektriciteit, die sterk in opkomst was, werd ermee opgewekt.

Dat jaar was het begin van het einde van de Britse mijnbouw. De handel kreeg een knauw door de Eerste Wereldoorlog, en de economische crisis die toesloeg toen de oorlog voorbij was, trof Groot-Brittannië hard.

In het interbellum kwamen andere landen op als industrienatie en werd Groot-Brittannië minder belangrijk als steenkoolproducent. De laatste grote Britse kolenmijn, de Kellingley-mijn in Yorkshire, sloot in december 2015.

Er zijn nog een paar kleine mijnen in bedrijf in het land, maar de industrie is nog maar een schim van zichzelf. Steenkool stond aan de basis van de moderne wereld, maar vandaag de dag wordt het zwarte goud steeds vaker verruild voor duurzame bronnen. 

Lees ook

Barbara Freese: Coal. A Human History, Arrow Books, 2005. Maureen Anderson: Durham Mining Disasters c. 1700. 1950s, Wharncliffe Books, 2015. Geoffrey Hayes: Coal Mining, Shire Publications, 2004.

Bekijk ook ...