Adolf Hitler en Hindenburg

Hoe werd Duitsland democratisch?

Door twee verloren wereldoorlogen en miljoenen doden was het begin van de Duitse democratie bijzonder pijnlijk. Maar in 1949 besloten de Duitsers dat ze nooit meer een dictator wilden.

Door twee verloren wereldoorlogen en miljoenen doden was het begin van de Duitse democratie bijzonder pijnlijk. Maar in 1949 besloten de Duitsers dat ze nooit meer een dictator wilden.

Bulgarian Archives State Agency

‘Voor het volk, door het volk!’

Dat waren de woorden van de sociaaldemocraat Philipp Scheidemann toen hij op 9 november 1918 de eerste Duitse democratie uitriep. Kort daarvoor hadden de Duitsers een bittere nederlaag geleden in de Eerste Wereldoorlog, die het machtige keizerrijk te gronde richtte. Volksopstanden in heel Duitsland dwongen keizer Wilhelm II tot aftreden, en nu de grootheidsdroom aan diggelen was, ontstond het idee van een natie geleid door het volk.

Twee maanden na de verklaring van Scheidemann vonden de eerste vrije verkiezingen plaats. Maar niet iedereen was enthousiast over de nieuwe democratie. Gevoed door de economische neergang van de jaren twintig groeide de Duitse nazipartij (NSDAP) – geleid door Adolf Hitler – zo snel dat president Paul von Hindenburg zich in 1933 genoodzaakt zag Hitler tot rijkskanselier te benoemen. Kort daarna ontmantelden de nazi’s de Duitse democratie.

Adolf Hitler en Hindenburg

In 1933 werd Hitler na een overweldigende verkiezingszege benoemd tot rijkskanslier.

© Bulgarian Archives State Agency

De president kreeg minder macht

De Duitse democratie van nu is ontstaan toen Duitsland uit de puinhoop van de Tweede Wereldoorlog herrees als twee landen: West- en Oost-Duitsland. Terwijl in het oosten een totalitair bewind naar Sovjetmodel werd ingevoerd, kwam in 1949 de democratisch verkozen West-Duitse Bondsdag voor het eerst bijeen.

Het nieuwe parlement heeft zijn democratische grondslag bekrachtigd door de scheiding der machten in te voeren en de politieke macht van de president te beperken. Op die manier kon een president niet op eigen houtje een kanselier benoemen – zoals Hindenburg in 1933 met Hitler had gedaan.