Lichtmaffia saboteerde gloeilampen

Philips, Osram, General Electric – de grootste gloeilampenfabrikanten ter wereld smeedden in 1924 een listig plan. Ze halveerden de levensduur van gloeilampen – en verdienden daarmee een vermogen.

Philips, Osram, General Electric – de grootste gloeilampenfabrikanten ter wereld smeedden in 1924 een listig plan. Ze halveerden de levensduur van gloeilampen – en verdienden daarmee een vermogen.

Shutterstock

Het is 24 december 1924 en het centrum van Genève schittert door alle kerstversieringen. Kinderen kijken vol verwachting in de etalages, die verlicht worden door duizenden lampjes. Het is één groot sprookje. Niemand staat er echter bij stil dat gloeilampen keiharde ‘business’ zijn.

En op deze kerstavond komen de acht grootste gloeilampenfabrikanten ter wereld bijeen in Genève: Anton Philips van het wereldberoemde bedrijf Philips uit Nederland, William Meinhardt van het Duitse bedrijf Osram, en vertegenwoordigers van het Amerikaanse General Electric. Ook Mexicaanse en Japanse fabrikanten zijn uitgenodigd.

Het is niet de eerste keer dat ze elkaar ontmoeten. Al maanden hebben ze overleg over hoe hun bedrijven zo veel mogelijk winst kunnen maken. En op deze kerstavond zijn ze het eindelijk met elkaar eens geworden. De acht bedrijven die gloeilampen voor de hele wereld produceren, gaan een kartel vormen om de markt te kunnen beheersen.

In verschillende reclames uit het begin van de 20e eeuw werden gloeilampen vaak aangeprezen als bijna goddelijke producten.

© Imageselect

De mannen richten een bedrijf op dat – zo zeggen ze – bedoeld is om ‘de hoge kwaliteit te bewaken en waarborgen, de effectiviteit van elektrisch licht te verhogen en het gebruik van lampen te stimuleren in het voordeel van de consument’.

Daar is niets van waar, maar het klinkt zo goed dat de acht fabrikanten het bedrijf de naam Phoebus geven – de bijnaam van Apollo, de Griekse god van het licht.

De naam geeft al aan hoe de machtige kartelleden zichzelf zien: als goden die kunnen doen en laten wat ze willen – voor een mooie winst. Zij richten niet alleen het eerste internationale kartel ter wereld op, hun idee om gloeilampen te saboteren om daarmee meer geld te verdienen zal voor altijd een stempel drukken op het kapitalistische systeem.

Het hele Phoebus-kartel is gehuld in geheimzinnigheid en mysterie. Maar historici kennen minstens vier personen die erbij waren toen het kartel op 24 december 1924 werd opgericht.

© GaHetNa (Nationaal Archief NL)

Anton Philips – directeur van Philips

Frederik Philips begon samen met zijn zoon Gerard in 1891 gloeilampen te maken. Zijn jongste zoon Anton maakte het bedrijf internationaal succesvol en was in 1924 een van de oprichters van het Phoebus-kartel.

© German Federal Archives

William Meinhardt – directeur van Osram

De zakenman William Meinhardt had de Duitse gloeilampenindustrie gecentraliseerd in het bedrijf Osram en het Phoebus-kartel gelanceerd, met zichzelf als bestuursvoorzitter.

© German Federal Archives

Owen D. Young – directeur van General Electric

Young was een van de machtigste zakenmannen in de VS en adviseur van vijf presidenten. Hij was de baas van General Electric, een bedrijf dat o.a. radio’s, klokken en gloeilampen maakte.

© History archive

Franjo Hanaman – uitvinder

Hanaman vond een gloeidraad van wolfraam uit – die gaf meer licht, maar ging minder lang mee. Hij werkte voor het Hongaarse Tungsram, de derde grootste gloeilampenfabrikant van Europa.

Markt was bijna uitgedoofd

Toen het Phoebus-kartel werd opgericht, bestond de gloeilamp al jaren. In de jaren 1850 experimenteerde de Duitse horlogemaker Heinrich Göbel in New York met een elektrische stroom die hij door een verkoolde bamboedraad stuurde, waardoor hij een glazen bol kon laten oplichten. Maar het was de Amerikaan Thomas Edison die in 1879 octrooi kreeg op de uitvinding en bekend zou worden als de uitvinder van het elektrische licht.

Vanaf de jaren 1910 werd het elektriciteitsnet uitgebreid en werden de eerste gloeilampen gebruikt – eerst bij rijke gezinnen, die hun kaarsen en gaslampen verruilden voor het fellere licht.

Parijs wordt wel de Lichtstad genoemd. In 1878 was het de eerste stad met elektrische straatverlichting. Drie jaar later stonden er 4000 elektrische straatlantaarns in Parijs.

© New York Public Library

In het begin van de jaren 1920 waren gloeilampen ‘booming business’. Bedrijven zoals General Electric, Osram en Philips verdienden een vermogen met gloeilampen voor verlichting, verwarming en medisch gebruik.

Zo kon William Meinhardt, de directeur van Osram, in 1922 tevreden zijn over de verkoopcijfers: het Duitse bedrijf had in dat jaar 63 miljoen gloeilampen verkocht. Maar het jaar daarop daalde de verkoop naar 28 miljoen. Toen die daling verder doorzette, nam Meinhardt contact op met de andere grote gloeilampenfabrikanten. Dat was het begin van Phoebus.

Het kartel was bedoeld om de concurrentie te beperken en de winst te maximaliseren. Dat eerste gebeurde op de klassieke manier – met prijsafspraken voor gloeilampen. Ook maakten de kartelleden onderlinge afspraken over hun marktaandeel in verschillende landen van de wereld, waardoor ze dure prijsoorlogen voorkwamen.

Het marktaandeel werd bepaald op basis van de verkoop van de fabrikanten in de afgelopen jaren. De bedrijven wisselden ook kennis uit en deelden hun octrooien met elkaar, zodat ze hun producten konden standaardiseren.

‘We zouden gloeilampen kunnen maken die duizend jaar meegaan, maar dat wilde niemand.’ Interne notitie van het Phoebus-kartel

De kartelleden wisten wat de belangrijkste reden was van de dalende verkoopcijfers: hun gloeilampen gingen gewoon te lang mee. Tientallen jaren hadden ingenieurs gesleuteld aan de perfecte gloeilamp met een maximale levensduur. In 1924 ging een gloeilamp meer dan 2500 uur mee.

‘We zouden gloeilampen kunnen maken die duizend jaar meegaan, maar dat wilde niemand,’ staat in een notitie van het Phoebus-kartel.

In plaats daarvan besloot het kartel de levensduur van gloeilampen te verkorten: het eerste voorbeeld van geplande veroudering in de geschiedenis. Consumenten kregen een slechter product, terwijl producenten profiteerden van het feit dat hun klanten vaker nieuwe producten moesten kopen.

De gloeilamp van Chaillet werd gemaakt door de Shelby Electric Company. Sommige gloeilampen die het bedrijf in het begin van de 20e eeuw maakte, werken nog steeds.

© Shutterstock

Gloeilamp brandt al 120 jaar

Terwijl het Phoebus-kartel de levensduur van gloeilampen beperkte, gingen andere lampen jarenlang mee. Een ervan brandt al 120 jaar in een Californische brandweerkazerne.

Vóór de oprichting van het Phoebus-kartel probeerden uitvinders en ingenieurs de gloeilamp zo lang mogelijk te laten branden – zo ook de briljante Adolphe Chaillet.

Zijn gloeilampen waren zo goed dat een ervan nog steeds brandt. Hij werd in 1901 in een fitting gedraaid op een brandweerkazerne in Livermore, Californië. Het zogenoemde Centennial Light brandt intussen al meer dan 120 jaar.

De gloeilamp, die al bijna een miljoen uur brandt, is zo beroemd geworden dat hij zijn eigen website heeft, waar hij gefilmd wordt door een webcam. Ironisch genoeg heeft de gloeilamp al twee webcams overleefd.

Het is niet duidelijk waarom de gloeidraad van Chaillet het zo lang volhoudt. Een van de redenen lijkt te zijn dat de bol met de hand is gemaakt en een gloeidraad van koolstof bevat, die iets dikker is dan normaal. De lamp springt niet, maar dooft langzaam uit. In het begin had de lamp een vermogen van 30 watt, maar tegenwoordig levert hij nog maar 4 watt.

Nieuwe lampen moesten sneller stuk

Met Meinhardt van Osram aan het hoofd, besloot het Phoebus-kartel tijdens een nieuwe bijeenkomst in 1925 dat de levensduur van een gloeilamp beperkt moest worden tot de helft van de normale levensduur.

‘De gemiddelde levensduur van een gloeilamp mag niet gegarandeerd, gerealiseerd of aangeboden worden voor een periode anders dan 1000 uur,’ schreef het kartel in een topgeheim document dat pas 80 jaar later aan het licht kwam, toen de Duitse historicus Markus Krajewski de zaak onderzocht.

Onder druk van het kartel begonnen ingenieurs een product te ontwikkelen dat sneller stuk ging. Door de gloeidraad anders vast te maken en een andere materiaalsamenstelling kon de levensduur beperkt worden. In hun laboratoria stonden gloeilampen in lange rijen, om te zien hoe dicht ze bij die 1000 uur konden komen.

De meest nauwkeurige gloeilampen werden gebruikt als prototypes voor de toekomstige productie. Toen ze klaar waren, lanceerden de kartelleden hun nieuwe lampen als revolutionaire lichtbronnen met een veel helderder licht dan voorheen. De consumenten hadden geen idee van de verkorte levensduur en kochten massaal nieuwe gloeilampen.

‘Commercieel gezien is het belangrijk dat de levensduur van 1000 uur zo weinig mogelijk wordt overschreden.’ Advies van het Phoebus-kartel aan zijn leden

Het kartel controleerde de producten van zijn leden zorgvuldig. Bedrijven moesten voortdurend nieuwe exemplaren opsturen naar een laboratorium in Zwitserland. Hier werden ze uitgebreid getest, omdat – zo luidde het advies van het kartel aan zijn leden – elke onnauwkeurigheid een kostbare aangelegenheid was.

‘Commercieel gezien is het van zeer groot belang dat de levensduur van 1000 uur zo weinig mogelijk wordt overschreden, want een overschrijding van slechts 10 uur betekent een wereldwijd verlies van 1 procent – oftewel zo’n 4 miljoen eenheden.’

De gloeilamp was ook het symbool van de industrialisering, waar de technologie de duisternis van het verleden verjoeg.

© Geheugen van Nederland

Kartel gebruikte maffiamethodes

Vanaf het allereerste begin van Phoebus wisten de kartelleden dat ze keihard moesten optreden tegen collega’s die zich niet aan de nieuwe norm hielden. Dus voerden ze sancties in als het testlaboratorium in Zwitserland bedrijven erop betrapte dat ze gloeilampen met een langere levensduur produceerden.

Als een lamp langer dan 2000 uur bleek te branden, moest de fabrikant 50 Zwitserse frank per duizend verkochte exemplaren betalen. Als de lamp meer dan 2500 uur werkte, was de boete 100 frank, terwijl een levensduur van 3000 uur als heiligschennis werd gezien en resulteerde in een boete van 200 frank.

In de documenten van Phoebus wordt een anonieme fabrikant genoemd die in 1929 in totaal 118.000 frank moest betalen omdat hij zich niet aan de eisen van het kartel had gehouden – dit bedrag komt overeen met de prijs van 500 gloednieuwe Harley Davidsons.

In de eerste helft van de 20e eeuw waren gloeilampen een mega-industrie en werden er honderden miljoenen lampen per jaar verkocht.

© Siemens Historical Institute

Het kartel deelde ook boetes uit als bedrijven meer verkochten dan hun vastgestelde quotum toeliet. Tokyo Electric had bijvoorbeeld last van alle torenhoge boetes. In 1927 hadden de Japanners hun omzet vervijfvoudigd dankzij de kortere levensduur van hun gloeilampen, maar toch kwam er kritiek vanuit het bestuur.

‘Als de stijging van onze inkomsten verdampt door de enorme boetes die we betalen, heeft het geen zin en verliezen we de motivatie.’

Maar net als alle andere fabrikanten wist Tokyo Electric dat het nog duurder was om het kartel te verlaten. De verkoopcijfers in de jaren 1920 spraken voor zich: in 1926 verkochten de kartelleden 336 miljoen gloeilampen, vier jaar later was de verkoop gestegen tot 421 miljoen.

Toch kwam er een einde aan het succes.

De afgelopen 80 jaar hebben veel bedrijven hun producten bewust zo ontwikkeld dat ze sneller vervangen moeten worden dan nodig is. Een Duits onderzoek suggereert dat we vanwege ‘geplande veroudering’ zo’n 6-14 procent meer consumeren.

© Erik Liljeroth, Nordiska museet

Nylonkousen worden minder stevig

In 1939 bracht het bedrijf DuPont nylonkousen op de markt die veel langer meegingen dan andere kousen. Toch gaf DuPont zijn chemici opdracht om de nylonvezels te verzwakken, zodat de kousen sneller stuk gingen en ze er meer konden verkopen.

© Blaine Murphy

Plastic verkort levensduur

Veel metalen onderdelen van huishoudelijke apparaten zijn vervangen door plastic, dat gemakkelijker stuk gaat. Bosch gebruikt goedkope plastic onderdelen in hun blenders, en een reparatie is vaak duurder dan een nieuw apparaat.

© Shutterstock

Lijm maakt repareren moeilijker

Aan het eind van de 20e eeuw begonnen bedrijven onderdelen van elektrische apparaten aan elkaar te lijmen. Zo konden de onderdelen niet meer gerepareerd of vervangen worden zonder dat andere onderdelen kapot gingen.

© Shutterstock

Printers stoppen vanzelf

De printerindustrie heeft in verschillende rechtszaken moeten schikken toen bleek dat de apparaten waren voorzien van chips die het apparaat na een bepaald aantal printopdrachten ‘stopten’.

© Shutterstock

iPhone trager door updates

Oudere iPhones worden vaak trager door software-updates – waarschijnlijk om consumenten aan te zetten om een nieuwer model te kopen. Apple beweert dat de oudere apparaten langzamer worden om energie te besparen.

Kartel verloor prijzenoorlog

Al in de jaren 1930 begon Phoebus zijn macht te verliezen. Om de winst op te drijven, hield het kartel vast aan hoge prijzen, ook al waren de productiekosten gedaald. Dit zorgde ervoor dat nieuwe bedrijven hun gloeilampen veel goedkoper konden produceren en dat veel consumenten overstapten.

Ook al was Tokyo Electric lid van het kartel, het bedrijf kon niets doen aan de honderden kleine familiebedrijven die in Japan gloeilampen begonnen te produceren. Al gauw werd de markt overspoeld met goedkope alternatieven en stonden de Phoebus-leden met lege handen.

Het kartel bedreigde zijn concurrenten met rechtszaken, maar omdat de octrooien van het kartel in het begin van de jaren 1930 vervielen, waren de dreigementen zinloos.

De documentaire The Light Bulb Conspiracy vertelt meer over de verborgen geschiedenis achter het Phoebus-kartel

Tussen 1930 en 1933 daalde de verkoop van het kartel met meer dan 20 procent, ondanks dat de vraag wereldwijd toenam vanwege de elektrificatie van fabrieken en woonhuizen. Toen in 1939 de Tweede Wereldoorlog uitbrak, besloten Meinhardt en zijn handlangers om de stekker uit Phoebus te trekken. De gemiddelde levensduur van een gloeilamp ligt echter nog steeds rond de 1000 uur.

Het idee van geplande veroudering, waarbij een product opzettelijk zo wordt gemaakt dat het eerder stuk gaat, speelt sinds het in 1925 door het Phoebus-kartel werd geïntroduceerd een belangrijke rol in de internationale industrie.

‘Elke fabrikant van een kwaliteitsproduct zal erkennen dat een product dat niet verslijt een economische ramp is,’ schreef het Amerikaanse reclametijdschrift Printers’ Ink in 1928.

En dat is intussen een mantra voor veel bedrijven.