Rond 1250 werd ontdekt dat Franse boeren een hond aanbaden. De pelgrims geloofden dat de hond Guinefort hun zieke baby’s kon genezen.

Hondencultus van 700 jaar

Honderden jaren baden katholieken bij het graf van de hond Guinefort. De Kerk bestreed de traditie te vuur en te zwaard, maar de hondencultus bleef tot in de 20e eeuw bestaan.

29 oktober 2012 door Natasja Broström & Jeppe Nybye

De dominicaner monnik Étienne de Bourbon kon zijn oren niet geloven, maar de oude vrouw die voor hem stond was heel stellig: in het bos bij het dorp Villars-les-Dombes gebeurden bovenaardse wonderen.

Andere vrouwen in de arme Franse streek bevestigden haar verhaal en vertelden dat moeders met hun doodzieke kind naar het bos gingen. Ze hingen de kinderkleertjes aan de struiken en lieten hun kind alleen achter. Als ze enkele dagen later terugkeerden was het op wonderbaarlijke wijze genezen – en dat allemaal dankzij Sint Guinefort, die daar begraven lag.

Het beviel Étienne de Bourbon, die nog nooit van deze heilige had gehoord, maar niets, hij vermoedde dat er bijgeloof in het spel was. En dat terwijl hij in 1250 nu juist naar de provincie Dombes was gestuurd om heidense misstanden aan te pakken.

De dominicaner en de franciscaner orde waren rond 1231 door paus Gregorius IX aangewezen om de heilige inquisitie te leiden. Als inquisiteur van de paus had Étienne de Bourbon de taak om door het land te trekken en uit te zoeken of de boeren goede katholieken waren en zich niet bezighielden met bijgelovige onzin. De rituelen in het bos vielen mogelijk in de tweede categorie, en daarom stelde Étienne de Bourbon een onderzoek in in de omliggende dorpen. Na een paar dagen besefte de pauselijk inquisiteur hoe de vork in de steel zat.

‘Ik dacht dat het om een heilige persoon ging, dus ik vroeg verder. Toen kwam ik erachter dat de heilige een hond was’, schreef Étienne de Bourbon verbijsterd in zijn nagelaten geschriften over bijgeloof, De Superstitione.

Grafsteen wordt vernietigd

Rond 1250 werd ontdekt dat Franse boeren een hond aanbaden. De pelgrims geloofden dat de hond Guinefort hun zieke baby’s kon genezen.

de hond Guinefort ten onrechte gedood door zijn baas, een edelman uit de buurt. Terwijl de edelman op jacht was, paste de hond op zijn zoontje. Toen de vader thuiskwam, zag hij dat de hond een bebloede bek had. Woedend sloeg hij het dier dood, omdat hij dacht dat het zijn zoon had gebeten. Maar het kind was ongedeerd; het bloed was van een slang die de hond juist had gedood om de baby te beschermen. Beschaamd over zijn daad begroef de man de hond in een oude put en legde rondom een bosje aan bij wijze van gedenkteken.

De omwonenden gingen het graf van de trouwe hond bezoeken om er te bidden. Ze waren ervan overtuigd dat ze zo voorkwamen dat hun kinderen ziek zouden worden, omdat Guinefort had bewezen een beschermer van jonge kinderen te zijn.

Het was een aangrijpend verhaal, maar Étienne de Bourbon was niet onder de indruk. Volgens de katholieke kerk kon een dier geen heilige zijn. Die titel kon alleen een mens krijgen.

De inquisiteur beval de edelman daarom het ‘wonderbos’ te kappen. De grafsteen van de valse heilige werd omgegooid en de botten van de hond werden opgegraven en verbrand. Als de inwoners van de streek de hond nog zouden aanbidden, zou hun een boete of inbeslagname van hun huis en grond te wachten staan.

Tevreden met zijn actie keerde de monnik terug naar Lyon, en tot zijn dood in 1262 was hij ervan overtuigd dat de valse heilige was uitgeschakeld. Maar daar dachten de Zuid-Europese
katholieken heel anders over.

Legenden smelten samen

Rond 1250 werd ontdekt dat Franse boeren een hond aanbaden. De pelgrims geloofden dat de hond Guinefort hun zieke baby’s kon genezen.

Al snel was de Kerk de hondencultus vergeten. Maar voor de arme boeren was de nobele daad van Guinefort een symbool van hun eigen strijd tegen honger en kindersterfte. Dombes had veel smerige moerassen en meren, die een bron van malaria vormden.

De meren waren aangelegd door een edelman, die daartoe boerenakkers onder water zette en verwoestte. In de meren kweekte hij vis, die hij tijdens de vleesloze vastenperiode verkocht. Dit winstbejag had ziekte en hongersnood tot gevolg, waardoor in Dombes de kindersterfte erg hoog was.

Guineforts reputatie als genezer bereikte ook andere delen van Frankrijk, en vanaf de 14e eeuw versmolt de legende van de nobele hond met het verhaal over de mens Guniforto – een door de Kerk erkende heilige die door een pijl werd gedood. De eeuwen daarop werd Guniforto/Guinefort in de Zuid-Franse kerken en in de Italiaanse steden Pavia en Milaan aanbeden. Met name in verband met de pest werd de heilige vaak aangeroepen.

Archivaris ontdekt hondencultus

Rond 1250 werd ontdekt dat Franse boeren een hond aanbaden. De pelgrims geloofden dat de hond Guinefort hun zieke baby’s kon genezen.

Pas in 1879 kwam de Kerk er dankzij de archivaris Louis Augustin Vayssière achter dat de heilige een verleden had als hond. Vayssière was gestuit op de teksten van Étienne de Bourbon over Guinefort en had zich erin verdiept omdat de kwestie zich in zijn eigen streek afspeelde. Door informatie in te winnen in de omgeving kwam hij erachter dat de boeren in Dombes nog steeds baden bij het voormalige graf – terwijl ze wisten dat de heilige een hond was. In Vayssières woorden maakten ze zich daarmee schuldig aan ‘afgoderij’.

De Kerk zou de zondaren moeten veroordelen, maar dat gebeurde niet. In 1886 schreef de priester J. Delaigue een verhandeling waarin hij tot de conclusie kwam dat Étienne de Bourbon destijds in de maling was genomen.

Een paar grappenmakers hadden de monnik wijsgemaakt dat de pelgrims in die streek een hond vereerden, aldus de priester. De pelgrims die nu de plek bezochten begingen dus geen zonde, omdat het een mens was die ze altijd hadden aanbeden. Er zou zelfs een kerk moeten worden gebouwd op die plaats, zodat de cultus van Sint Guinefort wat zou opleveren en meer navolgers zou krijgen, besloot Delaigue zijn betoog.

Zo ver kwam het niet, maar de cultus kon wel ongestoord worden voortgezet. Begin 20e eeuw bezochten vrouwen de herdenkingsplek nog steeds om voor hun zieke kind te bidden. Ze offerden bijvoorbeeld munten of lieten schoenen achter, zodat hun kind kon leren lopen.

Pas rond 1930 stierf de hondencultus uit. Waarschijnlijk doordat de levensstandaard in de streek net als elders in West-Europa hoger werd en men ziekten beter het hoofd kon bieden. Ook werd een aantal moerassen gedempt. In de moderne tijd hadden de boeren geen heilige, genezende hond meer nodig.

Lees ook

Jean-Claude Schmitt: The Holy Greyhound, Cambridge University Press, 1983.

Bekijk ook ...