Boeren bloeden voor hun vrijheid

Luthers gedachtegoed vindt gehoor bij de Duitse boeren, die met hooivorken en bijlen hun adellijke onderdrukkers te lijf gaan. 10 bloedige maanden lang woedt de Boerenoorlog in Duitsland.

Luthers gedachtegoed vindt gehoor bij de Duitse boeren, die met hooivorken en bijlen hun adellijke onderdrukkers te lijf gaan. 10 bloedige maanden lang woedt de Boerenoorlog in Duitsland.

Alles lijkt rustig op deze Paaszondag in 1525. Maar graaf Ludwig von Helfenstein weet dat er iets broeit in zijn dorpen.

Voor de zekerheid heeft hij een lijfwacht van 16 trouwe ridders en een legertje van 60 huurlingen verzameld op zijn burcht in Weinsberg in Zuid-Duitsland.

Buiten staan 6000 boze boeren, maar de graaf laat zich niet intimideren en stelt hun een ultimatum: ga naar huis of we branden jullie boerderijen plat.

Die boodschap is geen verrassing voor boerenleider Jäcklein Rohrbach. Graven en grondbezitters behandelen boeren als slaven, en dat moet nu afgelopen zijn. ‘Naar Weinsberg! Naar Weinsberg!’ roept Jäcklein naar zijn ongeregelde leger.

‘Al gaf je ons een ton goud, je gaat eraan!’ Jäcklein Rohrbach tegen graaf Ludwig von Helfenstein

Von Helfenstein voelt zich nog veilig achter de dikke muren van zijn burcht, maar enkele van zijn mannen hebben de kant van de boeren gekozen.

Ze hebben een luik geopend waardoor de boeren naar binnen kunnen terwijl de graaf in de kerk zit. Ze bewerken de ridders en huurlingen met messen en hooivorken.

Na een uur leven alleen Ludwig von Helfenstein en 13 van zijn ridders nog. Ze worden naar een veld gebracht, en de 27-jarige graaf smeekt om genade en biedt de boeren 30.000 goudflorijnen.

‘Al gaf je ons een ton goud, je gaat eraan,’ zegt Jäcklein vastberaden. De boeren gaan in twee lange rijen staan, en de ridders moeten spitsroeden lopen.

Ze komen niet ver: na een paar stappen zijn ze gedood door de bijlen en hooivorken van de boeren. Als de graaf aan de beurt is, grist een muzikant de hoed van de graaf van diens hoofd.

‘Die heb je lang genoeg op gehad. Nu wil ik graaf zijn!’ roept de man, en hij begint De laatste dans te spelen op zijn fluit. De graaf krijgt een flinke duw in de rug en valt neer tussen de boeren, die zich op hem storten.

Boeren worden uitgebuit

De aanval van de boeren op de burcht van graaf Von Helfenstein in Weinsberg zet de Duitse boerenstand in 1525 aan tot meer gewapende opstanden.

Al generaties lang is de onvrede onder de Duitse boeren groot, en de opstand tegen de kerk van Maarten Luther is de lont in het kruitvat.

En de boeren willen niet alleen een nieuwe manier om hun godsdienst te belijden: ze eisen betere levensomstandigheden. Begin 16e eeuw hebben de boeren het zwaarder dan ooit.

Ze betalen niet alleen belasting aan de kerk – de tiend – en pacht aan de grondbezitter, ze moeten ook onbezoldigd voor hem werken als hij bijvoorbeeld een weg wil aanleggen.

De pachtheer bezit de beken, meren en bossen, en als de boeren water en brandhout nodig hebben, moeten ze hun portemonnee trekken.

Daarnaast bepaalt de grondbezitter met wie een boer mag trouwen, en als een pachter sterft, kan de eigenaar zo’n hoog erfdeel opeisen dat er voor de nabestaanden niets overblijft.

Al in 1524 hebben de boeren op grote bijeenkomsten 12 eisen opgesteld aan de adel en kerk, waaronder afschaffing van de tiend.

Bovendien willen ze van de lijfeigenschap af die hen voor het leven aan de grond bindt, en verlangen ze het gebruiksrecht van bossen en beken.

Deze eisen, die ons redelijk in de oren klinken, komen in de 16e eeuw neer op een regelrechte oorlogsverklaring.

Armen en onderdrukten pakten de wapens op

De Duitse Boerenoorlog is een verzamelnaam voor een aantal confrontaties tussen boeren en adel. De eerste onlusten staken eind 1524 de kop op en al in de zomer van het volgende jaar luwden de gevechten.

Tijdens de opstand verwoestten de boeren zo’n 1000 burchten, kastelen en kloosters. Veel van dat bezit werd nooit herbouwd, zoals de burcht van Weinsberg, waar sinds 1525 alleen de ruïnes nog van over zijn.

Luther keert zich tegen de boeren

Aanvankelijk koesterde Maarten Luther sympathie voor de boeren, maar hij ziet een gewapende opstand tegen adel en vorsten niet zitten.

Luther beseft dat hij de machthebbers aan zijn zijde moet houden wil zijn kerkhervorming kans van slagen hebben, en als hij van het bloedbad van Weinsberg hoort, zijn de boeren zijn steun kwijt.

‘Gekke honden’ noemt hij hen: ‘Steek, sla, wurg, eenieder die het kan. Geen mens is giftiger, schadelijker en meer duivels dan een opstandeling. Ze (de boeren, red.) hebben de dood meer dan verdiend. Struikrovers en moordenaars zijn het.’

De edelen zien in de woorden van Luther een rechtvaardiging om de opstand van de boeren met harde hand neer te slaan.

En die opstand begint uit de hand te lopen: in de lente van 1525 zijn er al zo’n 50 kloosters en burchten geplunderd of platgebrand.

Graanschuren zijn leeggehaald en kanonnen gestolen, waardoor de boerenlegers het niet meer alleen met hooivorken hoeven te doen.

De Duitse adel is bang dat de hele maatschappelijke orde ontwricht zal worden. Veel edelen vluchten naar de versterkte steden, waar de Rooms-Duitse keizer voor hun veiligheid in kan staan.

Samen brengen ze een leger op de been onder de keizerlijke baljuw Georg von Waldburg, bijgenaamd Bauernjörg.

1500 ridders en 9000 geoefende huurlingen moeten gehakt maken van de opstandige boeren, die nauwelijks ervaring hebben op het slagveld.

Meestal houden de boeren maar een paar minuten stand als ze overrompeld worden door de mannen van Bauernjörg.

Landsknechten versloegen de Duitse boeren

De boeren waren in de meerderheid, maar waren niet opgewassen tegen huurlingen.

Aan het hoofd van het leger van de adel stond de keizerlijke baljuw Georg von Waldburg, die begin 1525 9000 huurlingen en 1500 ridders op de been bracht.

Overal in Duitsland ging hij achter de boerenlegers aan, die doorgaans slechts waren uitgerust met hooivorken, zeisen en andere werktuigen. Veel boeren hadden niet eens schoenen.

Als een boerenleger verslagen was, werden de overlevenden gemarteld en gedood. Een van hen was de boerenleider van het bloedbad van Weinsberg. Jäcklein Rohrbach werd vastgeketend aan een paal en langzaam verbrand.

Georg von Waldburg won alle veldslagen en verloor maar een paar honderd man, terwijl 100.000 boeren sneuvelden. Als dank voor zijn prestatie kreeg Von Waldburg grote stukken grond.

Luther wordt leugenaar genoemd

Het dorp Allstedt, 100 kilometer ten westen van Wittenberg, is het middelpunt van de boerenopstand.

Hier huist Thomas Müntzer, wellicht de meest rebelse prediker van het land. ‘De tijd is rijp voor de antichrist,’ heeft hij in een brief aangekondigd.

Daarmee bedoelt hij dat de dag des oordeels nabij is en dat de adel probeert te verhinderen dat de boeren tot God komen voordat het te laat is.

Müntzer heeft de gave van het woord en roept de boeren van Allstedt op om de wapens op te nemen.

In 1524 hadden ze een kapel platgebrand, waarna de lokale vorst Müntzer bij zich riep om zich te verantwoorden ten overstaan van de machtigste mannen van de streek.

‘Wat een stelletje immorele slangen bij elkaar,’ had Müntzer gezegd. ‘Hooggeëerde regenten van Saksen, zoek Gods rechtvaardigheid en strijd voor het evangelie!’

In de winter van 1524-1525 schrijft Müntzer smaadschriften over Luther, die hij ‘eerloos’ en ‘Dokter Leugen’ noemt. In februari 1525 besluit Müntzer om ‘met de vuist te slaan’.

Met zijn aanhangers vormt hij een leger dat hij ‘de eeuwige heerschaar Gods’ noemt. Het moet de dag des oordeels bespoedigen door de adel te verslaan.

De banier is een regenboog met het motto ‘Gods woord zal eeuwig bestaan’.

De vlag van de Duitse boerenopstand: ‘Gods woord zal eeuwig bestaan. Het is het teken van Gods eeuwige verbond.’

© Basileus1389/Wikimedia

Maarten Luther vindt het veel te ver gaan en stuurt een brief naar de edelen van Saksen:

‘Ik heb begrepen dat deze ziel (Müntzer, red.) het niet bij woorden wil houden, maar met geweld dreigt en een leger op de been heeft gebracht om de wereldlijke autoriteiten te verslaan en een wereldrevolutie te ontketenen.’

De kerkhervormer heeft machtige bondgenoten in Saksen en Müntzer kiest eieren voor zijn geld. In het holst van de nacht vlucht hij naar Mühlhausen, waar hij opnieuw aanhangers verzamelt.

Müntzer gaat de strijd aan

Op 15 mei komt Georg von Waldburg met zijn leger van ridders aan in de plaats Frankenhausen, waar de strijders van Thomas Müntzer zich met duizenden boeren op een heuveltop verschanst hebben.

Ze hebben acht buitgemaakte kanonnen en verder alleen hooivorken, dorsvlegels en zeisen.

Von Waldburg opent de veldslag met een hevig artilleriebombardement, dat de meeste boeren in paniek op de vlucht doet slaan.

Ze proberen de stadspoort van Frankenhausen te bereiken, maar de ridders houwen hen neer met hun hellebaarden en zwaarden.

De heuvel kleurt rood van het bloed. Er sneuvelen die dag 6000 boeren, en een paar honderd worden er gevangengenomen.

De prediker Thomas Müntzer is een van de weinigen die Frankenhausen weten te bereiken, maar korte tijd later wordt hij gepakt en geëxecuteerd.

Zijn hoofd wordt op een staak in Mühlhausen gezet, waar het maandenlang blijft staan als waarschuwing voor andere rebellen.

De overige boerenlegers vergaat het niet veel beter. Een voor een worden ze verslagen door de legers van de adel, en op 24 juni wordt de laatste grote opstand neergeslagen bij Pfeddersheim.

Ook daar komen 6000 boeren om het leven. Binnen vier maanden heeft Bauernjörg meer dan 1000 kilometer afgelegd en duizenden boeren omgebracht.

De Duitse boerenoorlog eindigt met een nederlaag voor de opstandelingen, maar de edelen zinnen op wraak. In de maanden nadat de strijd is geluwd worden er talloze bloedbaden aangericht.

In de Elzas (tegenwoordig in Frankrijk) worden 3000 ongewapende boeren gedood; in Lotharingen (nu eveneens Frans) worden vrouwen verkracht, dorpen platgebrand en 25.000 mensen omgebracht.

De gevluchte boerenleiders worden vogelvrij verklaard, en rebelse predikers ter dood gebracht door ophanging, onthoofding of verdrinking.

In totaal vallen er bij de boerenoorlog en de wraakacties die erop volgen 75.000 tot 100.000 doden. Aan de bloeddorst van de adel komt pas een eind wanneer er een tekort aan boeren dreigt.

Thomas Muntzer c. 1600 hand coloured woodcut

Thomas Müntzer begon als volgeling van Luther, maar werd aanvoerder van een boerenleger.

© Bridgeman

Thomas Müntzer was martelaar in de DDR

Al in 1517 kwam de jonge theoloog Thomas Müntzer naar Wittenberg om dicht bij Luther te zijn. Een paar jaar later werd hij dankzij Luther aangesteld als prediker in Zwickau.

Mettertijd radicaliseerde Müntzer. Hij identificeerde zich met het lijden van Jezus en stelde de privileges van de rijken aan de kaak: ‘Wie zich kleedt in bontjassen en op zijden kussens zit, is Jezus een gruwel,’ zo vond hij.

Müntzer moest Zwickau verlaten en vormde later het boerenleger dat in 1525 werd verslagen bij de stadspoort van Frankenhausen.

De protestanten zagen Müntzer als een despoot, maar in de DDR werd hij vereerd als een echte revolutionair die gevochten had voor de arbeidersklasse. Hij stond op het briefje van 5 Ostmark.

Luther wijst kritiek van de hand

De resterende Duitse boeren kunnen de 12 eisen op hun buik schrijven. Ze krijgen nog hogere belastingen opgelegd en verliezen hun vrijheid volledig.

Na de bloedige boerenoorlog krijgt Maarten Luther de wind van voren omdat hij had gezegd dat de boeren de dood verdienden.

Maar de kerkhervormer houdt voet bij stuk: ‘Ze roepen: “Kijk, dat is het ware gezicht van Luther. Hij roept op tot geweld zonder genade.

Hij danst naar het pijpen van de duivel”,’ schrijft hij. ‘Ik waarschuw degenen die mijn boek bekritiseren, want ze moeten zwijgen en goed nadenken als ze hun hoofd willen behouden.

Een rebel kun je niet met argumenten antwoorden, want die zal hij niet accepteren.’

Er zijn veel slachtoffers gevallen, maar de boerenoorlog heeft de positie van vorsten en adel versterkt – precies de bondgenoten die Maarten Luther nodig heeft.