socrates hemlock suicide

Atheïsme – een gevaarlijk idee

De Griekse filosofen trokken alles in twijfel – ook het bestaan van de goden. Vooral in Athene vierde de goddeloosheid hoogtij, maar in 432 v.Chr. hadden de gelovigen genoeg van al die ketterij.

De Griekse filosofen trokken alles in twijfel – ook het bestaan van de goden. Vooral in Athene vierde de goddeloosheid hoogtij, maar in 432 v.Chr. hadden de gelovigen genoeg van al die ketterij.

Look and Learn/Bridgeman Images

Met een onverzoenlijke blik staat de filosoof Socrates oog in oog met de rechters in de stadstaat Athene.

Het is 399 v.Chr., en de rondreizende denker en onruststoker wordt beschuldigd van goddeloosheid.

Op die misdaad staat in het uiterste geval de doodstraf.

Helaas voor Socrates hebben de leden van de volksrechtbank hem al bij voorbaat bestempeld als een volksvijand, en om zich vrij te pleiten moet de bebaarde wijsgeer dan ook alles uit de kast halen.

Met behulp van gebaren en zijn diepe stem probeert hij zijn stadgenoten op de banken ervan te overtuigen dat hij geens-zins atheos is, een atheïst.

De aanklagers wijzen steeds op zijn goddeloze uitspraken, maar Socrates blijft volhouden dat hij wel degelijk de goden van de stadstaat aanbidt, zoals het een fatsoenlijk burger betaamt.

Maar de mannen van de wet zijn niet onder de indruk.

Als Socrates wordt afgevoerd door gewapende bewakers, heeft de rechtbank hem twee opties gegeven: verbanning of de dood.

Volgens Plato, Socrates’ leerling en erfgenaam, koos de 70-jarige wijsgeer voor de tweede mogelijkheid: zelfmoord plegen.

Naar verluidt deed hij dat door een beker met het dodelijke gif van de gevlekte scheerling leeg te drinken.

Moderne historici zien het proces tegen Socrates als het gevolg van een politiek gemotiveerde heksenjacht: mensen in zijn omgeving waren in ongenade gevallen en zelf was hij te machtig geworden.

De beschuldiging van goddeloosheid laat echter zien dat de oude Grieken beter twee keer konden nadenken voor ze het bestaan van de goden betwijfelden.

Toch was Socrates lang niet de enige die de gangbare denkbeelden over de goden in twijfel trok.

Volgens sommige historici zag het in Griekenland zelfs zwart van de sceptici en atheïsten die de discussie niet uit de weg gingen.

De Indische Rigveda trekt de schepping van de wereld in twijfel.

© DEA Picture Library/Getty Images

Atheïsme is duizenden jaren oud

Twijfel aan religie is zo oud als de mensheid. Al meer dan 3000 jaar schrijven en praten atheïsten over hun gebrek aan geloof in de goden van hun tijd.

Heelal heeft geen schepper nodig

1500-1200 v.Chr.: Een passage uit de hindoeïstische Rigveda uit India wordt soms gezien als het eerste voorbeeld van atheïsme: ‘De goden kwamen later, gelijktijdig met het ontstaan van dit heelal. Wie weet waar het heelal vandaan komt?’

Oosterse religies wijzen goden af

6e eeuw v.Chr.: Boeddha komt met zijn leer, waarin goden geen rol spelen. In dezelfde tijd ontstaat in India het jaïnisme, opgericht door Mahavira. Volgens hem is het heelal eeuwig en dus nooit geschapen. Er bestaan wel zielen en geesten, maar die oefenen geen invloed uit op de wereld.

Ongelovigen krijgen naam

16e eeuw: Tijdens de renaissance komt in Frankrijk het woord athéisme op. Het slaat over naar andere talen.

Atheïsme komt in de mode

1789: Na de Franse Revolutie breidt het atheïsme zich snel uit in Frankrijk. Tussen 1792 en 1794 worden veel kerken leeggehaald en omgedoopt tot ‘tempels van de rede’. Als gevolg van de revolutie wordt het atheïsme salonfähig bij Europese intellectuelen.

Geloven is taboe

1967: De communistische leider van Albanië, Enver Hoxha, maakt van het atheïsme de officiële levensbeschouwing.

Sceptici missen iets

Al ver voordat Socrates in 399 v.Chr. zijn gifbeker leegdronk, woonden er in Athene en de andere Griekse stadstaten mensen die de goden met scepsis be-zagen of helemaal afwezen.

Het verschijnsel was zelfs zo gewoon dat de Grieken het woord atheos kenden – ‘goddeloos’. Daarvan zijn onze woorden ‘atheïsme’ en ‘atheïst’ afgeleid.

De term suggereert dat atheïsten werden gezien als mensen die iets misten in hun leven.

De meeste Grieken zagen de goden als een natuurlijk onderdeel van de wereld, en zonder het geloof in goden ontstond er een spirituele leegte.

Onderzoekers weten niet wanneer de eerste Griek ervan werd beticht atheos te zijn, maar volgens historici ontstond deze nieuwe filosofie gelijktijdig met een aantal andere vernieuwingen in de zogenoemde archaïsche tijd (800-600 v.Chr.), toen Griekenland een stormachtige ontwikkeling doormaakte.

Niet alle Vikingen geloofden in Thor, Odin en andere noordse goden.

© Imageselect

Mythen worden opgeschreven

De bevolking van het latere Griekenland leidde al generaties lang een onbekommerd bestaan als boeren en vissers, maar rond 800 v.Chr. begonnen ze het Middellandse Zeegebied te domineren.

Rond die tijd werden de eerste van de circa 1200 Griekse stadstaten gesticht. De Grieken hesen de zeilen van hun galeien en kozen het ruime sop.

Aan de kust van Klein-Azië, het huidige Turkije, vestigden ze nederzettingen.

Rondreizende kooplieden en avonturiers verdienden een goede boterham met de handel in wol, olijven, wijn en hout en keerden terug met exotische waren én nieuwe ideeën in hun laadruim.

Een van de vernieuwingen waren de Fenicische letters, die de Grieken aan hun eigen taal aanpasten. Zo ontstond het Griekse alfabet en konden de Grieken hun vele mythen opschrijven.

Ergens in de 8e eeuw v.Chr. werden de epen Ilias en Odyssee op schrift gesteld – volgens de traditie door de blinde dichter Homerus.

Wie de werken, die volgens historici op mondelinge overlevering stoelden, ook voor de toekomst veiligstelde, het was een mijlpaal in de geschiedenis.

Via de geschriften van Homerus en andere dichters werden de verhalen over goden en helden in de hele regio verspreid.

Zo kregen de Grieken een aantal ge-zamenlijke verhalen – en de sceptici iets om kritiek op te leveren.

Volgens historicus William Durant hadden de pygmeeën geen goden, rituelen en bijgeloof.

© Granger/Bridgeman Images

Pygmeeën hadden geen god

De historicus William Durant schrijft in het 11-delige The Story of Civilizations dat er meerdere volken zonder goden bestaan.

In de loop der tijden hebben verreweg de meeste culturen in één of meer goden geloofd, maar er zijn uitzonderingen.

Dat ontdekte de historicus William Durant (1885-1981) bij de pygmeeën in Afrika.

‘Ze hebben geen totems, geen fetisjen en geen goden. Ze begraven hun doden zonder rituelen. Zelfs bijgeloof ontbreekt.’

Hij schreef ook over de Vedda van Sri Lanka, die niet in goden geloofden omdat ze die niet in de natuur tegenkwamen.

Durant citeerde ook een Zulu uit Afrika, die de vraag kreeg waar de zon en de bomen vandaan kwamen: ‘We kunnen ze zien, maar we weten niet waar ze vandaan komen. Ze komen gewoon van zichzelf.’

Jaloerse goden zaaien twijfel

Anders dan bijvoorbeeld de christenen hadden de Grieken geen heilig boek, en in de verhalen waren de goden allesbehalve perfect.

Homerus en andere schrijvers zetten ze neer als feilbare en zeer menselijke wezens, die jaloers en egoïstisch konden zijn.

In de Ilias doen de goden hun best om de strijdende partijen te beïnvloeden in de Trojaanse Oorlog tussen de Grieken en de Trojanen.

De godin Hera doet de magische riem van de liefdesgodin Aphrodite om om haar man te verleiden – de oppergod Zeus, die de Grieken steunt.

Het plan werkt, en terwijl de twee zich vermaken in de hemelse slaapkamer, krijgen de andere goden de kans om de Trojanen te helpen.

Vanwege de verhalen over de zwak-heden van de goden plaatsten sommige geleerden vraagtekens bij de almacht van de goden, en historici zijn dan ook van mening dat atheos reeds in de 7e eeuw v.Chr. een gangbaar begrip was.

Het gedicht Catalogus van Vrouwen uit circa 630 v.Chr. bevat een vertelling over de koning Salmoneus, die het bestaan van Zeus ontkent.

Salmoneus beweert zelfs zelf een god van de donder te zijn:

‘Hij zei dat hij Zeus was, haalde de offergiften weg en droeg de mensen op om aan hem te offeren. Als hij bronzen vaten achter zijn kar aan trok, zei hij dat hij de donder maakte, en als hij brandende fakkels in de lucht gooide, zei hij dat hij de bliksem maakte.’

De onbekende schrijver deinsde er echter zelf voor terug de goden te tarten en liet Zeus de brutale Salmoneus straffen met een welgemikte bliksemschicht.

Atheïsme in de rimboe

© Shutterstock

Hadza (Tanzania):

Deze jager-verzamelaars geloven niet in goden of in een leven na de dood. De Hadza kennen wel mythen en rituelen, zoals een mannelijkheidsproef waarbij op groot wild wordt gejaagd.

© Shutterstock

Pirãha (Brazilië):

Dit volk staat bekend om zijn concrete wereldbeeld. Het kent geen abstracte concepten als getallen. Volgens de onderzoeker Daniel Everett kent het ook geen goden. Toen de Pirãha hoorden dat hij Jezus nooit had gezien, wilden ze niets meer van hem weten.

Filosofen cijferen goden weg

In de koloniën in Klein-Azië begonnen wijsgeren en wetenschappers de basis te leggen voor een wereld zonder goden.

De rijke wiskundige Thales, die rond 624 v.Chr. ter wereld kwam in de stadstaat Milete, wordt gezien als de eerste presocratische denker.

Thales liet zich inspireren door de Babylonische wetenschap en zou zo bezeten zijn geweest van de sterrenhemel dat hij op een nacht in een waterput viel toen hij omhoog keek.

Er zijn slechts enkele van zijn denkbeelden bewaard gebleven, waaronder de stelling ‘alles is water’.

Onderzoekers beschouwen die uitspraak van Thales als een van de eerste niet-religieuze pogingen om te verklaren hoe de wereld in elkaar zit: ze is niet geschapen door de goden, maar bestaat uit een fundamenteel element, volgens Thales water.

Twee van zijn volgelingen, Anaximander en Anaximenes, bleven zoeken naar natuurlijke verklaringen.

Anaximander dacht dat alles uit één element voortkwam, dat hij ‘het oneindige’ noemde, en volgens Anaximenes was lucht het basisbestanddeel van de wereld.

Deze denkers gebruikten geen moderne wetenschappelijke methoden, maar streefden er wel naar om alternatieve verklaringen te vinden voor zaken die aan de goden toegeschreven werden.

Zo stelde Anaximander dat de donder voortkwam uit een botsing tussen wind en wolken. Zeus had er niets mee te maken.

‘Dan zouden paarden goden tekenen als paarden en koeien als koeien.’ Xenophanes

Anaximenes poneerde op zijn beurt de stelling dat aardbevingen niet gemaakt werden door de god Poseidon, maar ontstonden als de grond uitdroogde na regen.

Ook zag hij regenbogen als de weerkaatsing van zonlicht in de wolken en niet als het werk van de godin Iris.

Terwijl de eerste presocratische wijs-geren het domein van de goden beperkten, onthielden ze zich van rechtstreekse kritiek op de godenwereld.

In de Klein-Aziatische stad Colophon rekende de filosoof Xenophanes (ca. 570-475 v.Chr.) echter af met de oude mythen, die hij ‘dichtsels van onze voorouders’ noemde.

Xenophanes had geen goed woord over voor de verhalen over reuzen en centauren, en de goden zag hij als projecties van slechte menselijke eigenschappen.

In zijn werken, die hij net als Homerus in dichtvorm schreef, haalde hij uit naar gelovige Grieken en nam hij de godenwereld op de hak:

‘Als koeien, paarden of leeuwen handen hadden die konden tekenen, dan zouden paarden goden tekenen in de vorm van paarden en koeien in de vorm van koeien.’

Critici worden met rust gelaten

Volgens de mythen leefden de goden in de wereld en konden ze kinderen krijgen met mensen. Het idee dat ze te verslaan waren, was dan ook niet zo gek.

In Theogonia (geboorte van de goden) beschrijft de dichter Hesiodus hoe de heilige berg Olympus bestormd wordt door titanen en monsters.

Slechts op het nippertje weten de goden de aanval op hun thuis af te slaan.

Vechten tegen de goden noemden de Grieken theomachia, en als een religie-scepticus als Xenophanes de goden ontkende, zagen veel Grieken dat als een vorm van deze ‘godenstrijd’.

De ideeën overschreden hoe dan ook de gangbare maatschappelijke normen.

Sommige historici vermoeden echter dat atheïsme in de presocratische tijd een acceptabele levensbeschouwing was.

Zo wijst niets erop dat Xenophanes in zijn tijd als een paria werd beschouwd door zijn stadgenoten.

De bronnen duiden er eerder op dat atheïsme, hoe verwerpelijk de meeste Grieken het ook vonden, stilzwijgend werd geaccepteerd.

Het was dus geen misdaad om de goden te ontkennen.

Volgens onderzoekers moet de reden daarvoor gezocht worden in de gemêleerde Griekse maatschappij.

De Grieken spraken tal van dialecten en woonden in stadstaten die alleen de taal en een deel van de mythologie gemeen hadden.

Het vasteland was zo bergachtig dat er weinig contact was tussen de bewoners.

Veruit de meeste mensen bleven hun hele leven in hun eigen gemeenschap, en dat gold ook voor de eilanden in de Egeïsche Zee en de talrijke koloniën in het Middellandse Zeegebied.

Elke stadstaat had zijn eigen tradities en vorm van bestuur, die varieerde van alleenheerschappij (monarchie of tirannie) of een bewind van enkele individuen (oligarchie) tot een democratie, zoals in Athene.

Ook wat betreft religie was de hele regio een lappendeken.

Naast de 12 Olympische goden die Homerus noemt – onder leiding van Zeus en Hera – waren er allerlei plaatselijke goden, halfgoden, bosgeesten, nimfen en helden.

Veel van deze aanvullende godheden waren in de hele Griekse wereld bekend, maar een personage was altijd met een bepaalde plaats en tempel verbonden.

Ook de gemeenschappelijke goden verschilden dus van plaats tot plaats; zo werd Apollon anders afgebeeld in Delphi dan op het eiland Delos.

Hoewel op beide plekken grofweg dezelfde god werd vereerd, waren de riten zo verschillend dat een priester van de ene Apollontempel niet zomaar in de andere kon werken.

Het Communistisch manifest is het beroemdste werk van Karl Marx.

© International Institute of Social History

Atheïsme mag

De Grieken geloofden dus in veel versies van dezelfde god, en er was geen duidelijke scheiding tussen het ware en niet ware geloof.

Zo werd het afwijzen van de goden door atheïsten, hoe onnatuurlijk dat ook op de meesten overkwam, gezien als een curiositeit, en niet als een bedreiging voor de hele maatschappij.

En daarom werden atheïsten niet vervolgd.

Priesters hadden waarschijnlijk ook wel wat beters te doen dan achter de eerste atheïsten aan te zitten.

Een priester was verantwoordelijk voor de financiën van zijn tempel, organiseerde religieuze feesten en zorgde ervoor dat er geregeld aan zijn god werd geofferd.

Anders dan hun christelijke opvolgers vertelden de priesters de mensen niet wát ze moesten geloven.

Op veel plaatsen konden Griekse priesters echter wel boetes opleggen voor asebeia – goddeloosheid – aan mensen die tradities aan hun laars lapten door bijvoorbeeld niet te offeren.

Ook priesters konden als goddeloos bestempeld worden als ze zich niet aan hun eigen voorschriften hielden.

Pericles portrait

Pericles.

© Graphica Artis/Bridgeman Images

Kritiek op de goden was taboe in Athene

Een Atheense wet uit de 5e eeuw v.Chr. maakte het mogelijk om iemand die het bestaan van de goden ontkende te berechten.

Historici denken dat de wet gericht was tegen de atheïstische kringen in de stad, die steeds meer invloed kregen, ook op de leider, Pericles.

Omdat een beschuldiging van goddeloosheid moeilijk te weerleggen was, kon je zo makkelijk van iemand afkomen.

Democratie bevordert atheïsme

In 507 v.Chr. introduceerde de staatsman Clisthenes de democratie in Athene, de grootste Griekse stadstaat.

Omdat besluiten nu door middel van stemmingen onder vrije mannen werden genomen, werd het belangrijker om logisch te redeneren en standpunten te beargumenteren.

Zo werd Athene een centrum van logica, retorica, filosofie – en atheïsme.

Het goddeloze gedachtegoed sloeg over naar andere stadstaten, waar het omarmd werd door intellectuelen.

Volgens sommige historici ontstond er een netwerk waarin atheïstische denkers ideeën en geschriften uitwisselden.

Een van deze filosofen was Hippo, die mogelijk van het eiland Samos kwam. Rond 430 v.Chr. woonde hij in Athene en stond hij bekend als atheos.

Volgens Hippo zetelde de niet-goddelijke ziel in de hersenen, en met zijn ironische grafschrift wees hij erop dat de goden, net als hijzelf, dood waren:

‘Hier ligt Hippo, die door het lot in de dood gelijk is gemaakt aan de onsterfelijke goden.’

In de theaters van Athene dreven blijspelschrijvers als Aristophanes en Euripides de spot met goden én atheïsten.

‘Hij heeft alle mannen ervan overtuigd dat er geen goden bestaan.’ Uit een blijspel van Aristophanes

Hun satiren werden zelfs opgevoerd tijdens grote religieuze feesten als het Dionysus-feest in de lente, als er stukken te zien waren bij de Akropolis.

In het blijspel Wolken parodieert Aristophanes de Atheense atheïsten: de hoofdpersoon bezoekt de retoricaschool van Socrates, waar hij door aanhangers van de filosoof wordt bespot om zijn geloof in Zeus:

‘Je zweert bij Zeus! Wat een dwaasheid. Dat iemand van jouw leeftijd nog steeds denkt dat Zeus bestaat!’

In een ander stuk van Aristophanes klaagt een verkoopster van religieuze parafernalia dat de toneelstukken van de Athener Euripides haar werkloos hebben gemaakt:

‘Hij heeft alle mannen ervan overtuigd dat er geen goden bestaan.’

Een voorbeeld van atheïsme in het werk van Euripides vinden we in het drama Bellerophon, waarin de hoofdpersoon zegt:

‘Zegt er iemand dat er goden zijn daarboven? Dat is niet zo.’

Generaal voert een verbod in

Rond 432 v.Chr. waren veel Atheners de goddelozen goed beu, en generaal Diopeithes drukte een decreet door dat het mogelijk maakte iedereen die ‘de goden niet erkende’ te vervolgen.

Volgens de filosoof Plutarchus kwam die wet er omdat Diopeithes en andere conservatieven een appeltje te schillen hadden met Pericles, de leider van Athene.

Hij had atheïsten in zijn vriendenkring, onder wie de filosoof Anaxagoras.

Maar tot grote teleurstelling van Diopeithes werd Anaxagoras vrijgesproken.

De dichter Diagoras van Melos had minder ge-luk: hij werd uit Athene verbannen vanwege zijn goddeloze geschriften, en er werd een beloning van één talent zilver (negen jaarlonen van een ambachtsman) op zijn hoofd gezet.

De academische superster van die tijd, Protagoras, zou op de vlucht geslagen zijn omdat hem een doodvonnis boven het hoofd hing, terwijl zijn werken werden verbrand.

Hij had gezegd: ‘Wat betreft de goden kan ik niet zeggen of ze wel bestaan of niet bestaan.’

© Shutterstock

Christendom onderdrukte atheïsme

Keizer Theodosius de Grote verhief in 380 n.Chr. het christendom tot de enige toegestane religie.

‘Heidense’ tempels werden gesloten, en wie iets anders beleed dan de officiële versie van het christendom, werd bestempeld als ketter en kon de doodstraf krijgen.

In de ogen van de kerk konden de mensen kiezen tussen het ware geloof (religio) en het onware bijgeloof (superstitio).

Daardoor gold het atheïsme als pure ketterij en deden ongelovigen er het zwijgen toe. In 438 werd het wetboek Codex Theodosianus gepubliceerd door Theodosius II, een kleinzoon van Theodosius de Grote.

In de codex passeren verschillende vormen van bijgeloof de revue, maar het atheïsme wordt niet genoemd.

Vermoedelijk bestonden er nog wel twijfelaars, maar zo’n 1000 jaar lang komen mensen die niet in God geloven vrijwel niet in de bronnen voor.

Koning stamt af van halfgod

Een van de invloedrijkste mannen van Athene was Socrates, die veel machtige vijanden had. Zij zagen hun kans schoon om hem aan te klagen met behulp van het decreet van Diopeithes.

Socrates was echter geen atheïst in modern opzicht, want net als veel van zijn collega’s geloofde hij wel in iets goddelijks.

In het geval van Socrates was dat een inwendige stem of bewustzijn, dat hij daimonion noemde.

Zijn ‘ietsisme’ kon de filosoof echter niet redden. In 399 v.Chr. begonnen zijn vijanden een proces tegen hem.

Voor de zekerheid beschuldigden ze hem van het verwerpen van de goden van de stadstaat en het bederven van de jeugd met zijn gedachtegoed.

De rechtszaak draaide uit op de zelfmoord van Socrates, en vanaf dat moment moesten atheïsten uitkijken.

In 337 v.Chr. sloten een aantal Griekse stadstaten en de Macedonische koning Philippus de Korinthische Bond, waarmee hij in feite koning van Griekenland werd.

Zijn zoon Alexander kwam in 336 v.Chr. op de troon, en in een paar jaar vestigde hij een Griekstalig wereldrijk dat zich uitstrekte van Egypte tot India.

Alexander de Grote aanbad de Griekse goden en beweerde af te stammen van de halfgod Heracles. Hierdoor kregen de atheïsten het nog moeilijker.

Het verbod werd echter pas echt streng gehandhaafd na de invoering van het christendom in het Romeinse Rijk in 380 n.Chr.

De goddelozen gingen ondergronds tot de katholieke kerk zijn almacht deels verloor.

Dat gebeurde pas in 1517, toen Maarten Luther met zijn 95 stellingen een kerkscheuring ontketende.

De Reformatie zette de deur op een kier voor andere overtuigingen, zoals atheïsme.