Zwarte slaven teruggestuurd naar Afrika

Om van bevrijde slaven af te komen, besloot een groep Amerikanen in 1821 een door muggen geplaagd moeras te kopen van een opperhoofd in West-Afrika.

Om van bevrijde slaven af te komen, besloot een groep Amerikanen in 1821 een door muggen geplaagd moeras te kopen van een opperhoofd in West-Afrika.

Popperfoto/Getty Images

De voormalige slaaf Peyton Skipwith staat aan de reling als het schip Jupiter in december 1833 de kust van West-Afrika bereikt. Hij ging 56 dagen eerder aan boord in Norfolk, Virginia, VS.

Voor Skipwith is het contrast met de drukke Amerikaanse havenstad enorm: vanaf het schip ziet hij alleen onbebouwd land, met bomen zo hoog als flats van zes verdiepingen. En het stikt er van de muggen.

De Jupiter meert aan in Monrovia, de hoofdstad van de Amerikaanse kolonie Liberia. De kolonie werd slechts 12 jaar eerder gesticht, maar veel houten huizen zijn al in verval of zijn nog niet eens af, en verlaten door hun eigenaren.

Met zijn vrouw en hun vijf kinderen worden Skipwith en andere passagiers naar een aankomsthal geloodst, waar de 50 nieuwkomers zullen overnachten.

Het stinkt er naar kots en diarree van patiënten met dysenterie, een ziekte die er samen met malaria voor zorgt dat een kwart van hen kort na aankomst overlijdt – ook Skipwiths zesjarige dochter Felicia.

Anderhalve maand na aankomst schrijft Skipwith een brief aan zijn vroegere baas, plantage-eigenaar John Hopewell Cocke.

‘De zon is zo heet dat mensen uit Amerika het in de droge tijd niet kunnen uithouden, en in de regentijd giet het. Schrijf me bij de eerste gelegenheid onder welke voorwaarden ik terug kan komen, want dat wil ik zo snel mogelijk,’ smeekt Skipwith in de brief.

Maar het gezin is gestrand, want in de VS zijn vrijgelaten slaven niet welkom. Ex-slaven als Skipwith zijn onder druk gezet door hun voormalige eigenaren om een enkeltje naar Liberia te nemen.

Hier moeten ze als ijverige, godvruchtige boeren aan een modelsamenleving werken. Maar veel ex-slaven genieten niet lang van hun vrijheid; ze komen om in de door ziekte geteisterde kolonie.

Blanken vrezen gevaarlijke zwarten

Het idee van een Amerikaanse kolonie in Afrika ontstond in de rokerige bar van Davis’s Hotel in Washington D.C.

Hier kwam een groep politici van het Congres, de wetgevende instantie, op 21 december 1816 bijeen. De aanwezigen waren bezorgd omdat er een christelijke golf door de VS trok met als boodschap dat alle mensen – ongeacht huidskleur – in Gods ogen gelijk zijn.

Door deze beweging lieten veel slavenhouders hun slaven vrij, waar de politici niet erg over te spreken waren.

In 1816 waren er in de VS ongeveer 230.000 bevrijde slaven – circa 13 procent van de bevolking – en die ex-slaven stroomden naar de grote steden, waar ze als arbeidskracht goedkoper waren dan blanken.

Sommigen trouwden zelfs met blanken en kregen samen kinderen, wat de derde Amerikaanse president, slaveneigenaar Thomas Jefferson, een donderpreek ontlokte:

‘Zwarten, of ze nu oorspronkelijk een bepaald ras vormden of door de tijd en omstandigheden zo geworden zijn, zijn inferieur aan blanken, zowel fysiek als intellectueel,’ schreef hij hooghartig in een boek over de staat Virginia.

Na zijn vrijlating moest een slaaf zich nog steeds niet kunnen mengen met blanken, vond Thomas Jefferson. De blanken waren ook bang dat slaven in opstand zouden komen als anderen werden vrijgelaten.

In 1811 hadden 500 weggelopen slaven drie landgoederen aan de rivier de Mississippi platgebrand en twee blanken gedood. Na deze rellen werden 44 opgepakte slaven onthoofd.

Tijdens de bijeenkomst in de hotelbar in Washington oogstte de voorzitter, senator Henry Clay, dan ook applaus voor zijn beginwoorden:

‘Kan er een nobeler zaak zijn dan ons land te bevrijden van een nutteloos, schadelijk, zo niet gevaarlijk deel van de bevolking?’

Clay wist zelfs raad: een christelijke kolonie voor ex-slaven in Afrika.

‘Hier zullen ze de beschaving en de bevrijding van domheid en barbarij verspreiden in het donkere kwart van de wereld.’

De aanwezigen gingen ermee akkoord en richtten de American Colonization Society, ACS, op. Dit genootschap had ten doel om aan de westkust van Afrika grond voor de kolonie te verwerven.

De rest van het Congres en president James Monroe steunden het project en kenden de ACS 100.000 dollar toe, rond de 1,5 miljoen euro nu.

De tabak en de andere waren waarmee Amerika in 1821 voor Liberia betaalde, hadden een waarde van 300 dollar – circa 5000 euro nu.

© Shutterstock

Liberia gekocht met tabak en paraplu’s

Een jaar lang zocht de American Colonization Society (ACS) vergeefs naar land in Afrika om een kolonie te kunnen stichten voor ex-slaven.

Stamhoofden weigerden te verkopen omdat ze vreesden dat de voormalige slaven de lucratieve slavenhandel van hen zouden overnemen.

In 1821 pakte de ACS het anders aan: een onderhandelaar richtte een pistool op het hoofd van het stamhoofd Zolu Doma en dwong hem 62 km2 land aan de kust te verkopen.

De prijs: drie vaten tabak, vijf vaten gezouten vlees, één vat rum, zes musketten, 20 verrekijkers, 12 pistolen, drie vaten buskruit, vier paraplu’s en een doos kralen.

Christenen doneren voor de kolonie

Ondanks massabijeenkomsten waarop ACS-medewerkers de slaven een leven in vrijheid in Afrika beloofden, kostte het jaren om ze zo ver te krijgen. Vrijgelaten slaven wilden meestal in de VS blijven, waar ze tenslotte geboren waren.

Uiteindelijk voer het eerste schip van de ACS in februari 1820 naar Afrika, al was er nog geen land voor de kolonie gevonden. Aan boord waren 82 voormalige slaven, werktuigen, zaden en proviand.

Na circa een maand varen werden de zwarte passagiers afgezet op Sherbro, een eiland voor de Britse kolonie Sierra Leone in West-Afrika.

De blanke ACS’er Samuel Bacon begon onmiddellijk te onderhandelen met stammen om land te kopen voor de kolonie, en de ex-slaven zagen het op Sherbro wel zitten.

‘Ik betreed nu de grond van mijn vaderland. De stammen ontvingen ons met open armen. Het klimaat is mild en goed,’ schreef de ex-slaaf Nathaniel Peck in maart 1820 aan zijn oude moeder.

Maar de moed zonk de ex-slaven al snel in de schoenen. De waterbronnen zaten vol bacteriën en de vele muggen stortten zich op de nieuwkomers.

Van het vervuilde water kregen ze dysenterie en van de muggenbeten malaria.In april brak het regenseizoen aan. Zware druppels vernielden de palmbladhutten die de kolonisten in allerijl hadden gebouwd.

Vanwege de hoge luchtvochtigheid bedierven de voorraden en de beschimmelde bloem was nog het ergst.

‘Er zijn acht gezinnen ziek, onder hen is er niet één die kan koken of voor een kind kan zorgen,’ noteerde Samuel Bacon in zijn dagboek. De kolonisten wilden van het eiland af, maar dat stond Bacon niet toe.

‘Ze klagen omdat er niet voldoende schoon water is, omdat ze ziek zijn, omdat het ontbreekt aan vers vlees, suiker, meel en andere luxe,’ mopperde hij.

In mei 1820 stierf Bacon echter zelf aan dysenterie, en de overlevenden smeekten nu de gouverneur van Sierra Leone om zich te mogen vestigen in de hoofdstad van de kolonie, Freetown. Zes maanden later kregen ze de vergunning; toen waren er 22 kolonisten gestorven.

Zonder ACS-gezant liepen de onderhandelingen over de aankoop van land vast. In Freetown moesten de ex-slaven om voedsel bedelen; een enkeling kon met werk zijn gezin onderhouden.

De ACS trok zich weinig aan van die rampzalige start. Het geld stroomde al toe voor een nieuwe expeditie, onder andere van de quakers, een christelijke beweging die alle mensen als gelijken zag. Terwijl de kolonisten in

Afrika bij bosjes stierven, schonken de quakers in Arkansas bijvoorbeeld 800 dollar (tegen de 15.000 euro nu) aan de ACS.

Ook kwamen er donaties binnen van de presbyteriaanse gemeenten in de VS. ‘De kolonie wil een hartenwens van alle humane mensen vervullen,’ schreef een presbyteriaanse groep.

In februari 1821 stuurde de ACS een schip naar de door malaria geteisterde kust van Afrika, met aan boord wapens, munitie, voorraden voor een half jaar, ACS-man J.B. Winn en 34 ex-slaven.

Cartoonisten vonden het absurd dat er in de VS – ondanks alle vrijgelaten slaven – nog steeds mensen in slavernij leefden.

© The Granger Collection/Ritzau Scanpix

Land verkocht voor een vat rum

Toen het schip in maart 1821 aanlegde in Freetown, wandelde de passagier Lott Carey aan land. De ex-slaaf behoorde tot de raciaal gemengde baptistenkerk en wilde de Afrikanen maar wat graag tot het christendom bekeren.

‘Ik geloof dat lekenpredikers een grote zegen zullen zijn voor dit land,’ schreef hij aan de zendingsraad van de kerk.

Enkele weken later zat Carey aan het sterfbed van zijn koortsige vrouw. Om de voedselrantsoenen te ontzien dwong J.B. Winn de ex-slaven om in de hitte groenten te telen op een boerderij in Sierra Leone die de ACS had gehuurd van een ingezeten Brit. Lott Carey liet zich echter niet kisten.

‘Jezus Christus, onze Heiland, had ook gereedschappen in zijn hand toen hij aan zijn zending in deze wereld begon,’ schreef een optimistische Carey.

Voor Carey was het Gods beloning voor het zware werk dat hij door de ACS werd gekozen voor een voorhoede van 15 vrijgelaten mannen.

Eind 1821 zakte de groep 250 kilometer de kust af naar het schiereiland Kaap Mesurado. Hier had de ACS land gekocht – voor een vat rum, 20 verrekijkers en nog wat spullen.

Vanaf het scheepsdek zag Lott Carey zijn nieuwe thuisland liggen: een rotsig schiereiland midden in de woeste zee. Maar hij hield de moed erin.

‘Overweeg je te komen, vrees dan niet – je zult de mooiste plek vinden die je ogen ooit zagen,’ schreef hij een vriend.

De kolonisten brachten bijlen en zagen mee en begonnen bomen om te hakken om huizen te bouwen. Onder leiding van Lott Carey voer een groep mannen een rivier af om palmbladeren te plukken voor de daken van de hutten.

Na een dag werken keerden ze terug – met nauwelijks genoeg voor één dak.

Door de regen veranderde de grond in lastig te bebouwen modder, de muggen uit de mangrove beten dag en nacht en sommige ex-slaven dreigden terug naar Freetown te gaan. Zo niet Lott Carey.

‘Liever je leven in de waagschaal stellen dan het geringste risico lopen om zo’n gunstige plek weer kwijt te raken,’ betoogde hij tegen de anderen.

De kolonisten besloten hun schouders eronder te zetten, hoewel een op de drie malaria had. Ze bouwden huizen en kapten bossen om velden aan te leggen.

De meeste vrijgelatenen kenden slechts een leven als slaaf op de katoenvelden en wisten niets van traditionele landbouw.

De velden werden modderbedden waar de zaden in wegrotten. De kolonisten moesten hun – inmiddels schaarse – voorraden blijven aanspreken.

Een groep politici in Washington D.C. richtte in 1816 de American Colonization Society (ACS) op. Het doel van het genootschap was om vrijgelaten zwarte burgers naar Afrika te sturen.

©

Thomas Jefferson (1801-1809)

De derde president van de VS wilde ex-slaven maar wat graag terugsturen: als ze in de VS vrijkwamen, zouden ze met blanken trouwen en zouden de rassen vermengd raken, wat Jefferson een doorn in het oog was. Zelf had hij naar verluidt wel kinderen met een slavin.

© Stocktrek Images/Imageselect & Shutterstock

James Madison (1809-1817)

James Madison schreef in 1789 mee aan de tekst over de vrijheidsrechten van Amerikaanse burgers, maar hij vond niet dat die voor zwarten moesten gelden. De vierde president van de VS zag ze het liefst naar Afrika terugkeren.

© Photo 12/Imageselect

James Monroe (1817-1825)

Met steun van de vijfde president van de VS ontving de ACS duizenden dollars om een kolonie voor ex-slaven op te richten in Afrika. Monroe had zelf gedurende zijn leven wel 250 slaven, en was bang dat vrijgelaten zwarten een last zouden zijn voor de samenleving.

© WDC Photos/Imageselect

Abraham Lincoln (1861-1865)

De advocaat en 16e president van de VS pleitte ervoor om vrijgelaten slaven naar Li­be­ria te sturen, waar ze volgens Lin­coln een betere toekomst zouden hebben. Maar hij vreesde wel voor de kosten, en was bang dat zwarten in Afrika bij bosjes zouden sterven aan ziekten.

Parasiet doodt paarden en koeien

Begin 1822 werd de koopovereenkomst ondertekend door de Amerikanen en de stamhoofden van het achterland. Voor de gelegenheid kwam ACS-medewerker Eli Ayers een kijkje nemen.

Hij hees de Amerikaanse vlag op een meegebrachte vlaggenmast en vuurde een saluut af met het enige kanon in de nederzetting dat niet was verroest.

Na deze ceremonie deelde Ayers wat proviand uit aan de hongerige kolonisten en reisde hij weer terug naar de VS.

De ACS had er echter weinig fiducie in dat de ex-slaven het zouden redden en benoemde daarom een gouverneur van de kolonie, de 26-jarige blanke geestelijk leider Jehudi Ashmun.

In de lente van 1822 nam hij de overige ex-slaven mee uit Freetown. En de aanblik was triest: de velden lagen braak en de huizen rotten weg in het vochtige tropische klimaat.

De nieuwkomers brachten koeien en paarden mee om te ploegen, maar die stierven door steken van de tseetseevlieg met parasieten die een dodelijke infectie in de hersenvliezen veroorzaken.

Met het regenseizoen in april staken dysenterie en malaria weer de kop op en 60 procent van de kolonisten lag op het ziek- of sterfbed. Vooral jonge kinderen waren de klos: een op de twee onder de 10 jaar stierf voor het einde van het jaar.

In de 19e eeuw staken duizenden vrijgelaten zwarten uit de VS de Atlantische Oceaan over naar Liberia.

© Library of Congress/Getty Images

Vijanden vallen door schoten

De nederzetting werd ook bedreigd door vijandige stammen. In hun ogen hadden de kolonisten het schiereiland bezet voor een te lage grondprijs.

Daarom werden de voorraden van de nederzetting in het holst van de nacht vaak geplunderd.

In een poging diefstal te voorkomen bouwden de kolonisten een houten hek. Daar konden de belagers zo overheen klimmen, maar gelukkig had de kolonie nog steeds een bruikbaar kanon en een handvol geweren.

Helaas was heel wat kruit nat geworden, maar de kolonisten hoopten hun inheemse vijanden te kunnen afschrikken met enkele schoten. En gelukkig was dit volgens gouverneur Jehudi Ashmun vaak het geval.

‘Hun leiders zijn buitengewoon laf en hebben hun mannen niet onder de duim,’ schreef hij aan de ACS.

De tactiek bleek goed te werken toen er in november 1822 een grote vloot oorlogskano’s het schiereiland naderde. De kolonisten verschansten zich achter het hek toen 800 krijgers met speren en schilden onder luid geschreeuw aan wal gingen.

Maar de kolonisten vuurden hun wapens af, waardoor een aantal belagers in de voorste gelederen sneuvelde; de rest ging er als een haas vandoor.

‘Er is nauwelijks een voorstelling te maken van een menigte die zo massaal wordt blootgesteld aan de vernietigende kracht van moderne oorlogsmachines,’ aldus Ashmuns memoires uit 1826.

Na de aanval stuurde de gouverneur een bode naar de stammen en sloten ze vrede. Maar de problemen waren nog niet voorbij, want voedsel en medicijnen begonnen op te raken.

De malariamug was de grootste vijand van de kolonisten in Sierra Leone.

© Shutterstock

Britten gaven hun slavenkolonie op

De Amerikanen waren niet de eersten die van hun ex-slaven af probeerden te komen door ze naar Afrika terug te sturen. In 1787 richtten Britse tegenstanders van de slavernij de stad Freetown in Sierra Leone op, Brits gebied aan de kust van West-Afrika, voor ex-slaven uit de Britse koloniën.

In Sierra Leone werden deze mensen opgeleid in de landbouw en op scholen leerden ze een goed christen te worden. Maar al snel liep het mis, want ze vielen ten prooi aan dysenterie en malaria.

Toen de Britse regering in 1807 een verbod op trans-Atlantische slavenhandel invoerde, bleek dat de kolonie een groot fiasco was. Het jaar daarop nam de regering de macht in Sierra Leone over.

Kolonisten moeten op houtje bijten

In de VS las een bezorgde ACS Ashmuns verslagen. Tijdens de schermutselingen was het graan van de kolonisten buiten het hek vertrapt en met de komst van het regenseizoen konden de kolonisten geen nieuwe gewassen zaaien.

Daarom stuurde het genootschap in de zomer van 1823 Eli Ayers terug naar de kolonie. Met een volmacht van de ACS voerde hij hervormingen door over het hoofd van gouverneur Ashmun en de kolonisten heen.

Huizen aan de rivier moesten worden afgebroken omdat het leven daar ongezond was vanwege de muggen. Ayers verdeelde al het land dat de kolonisten hadden ontgonnen.

Een kolonist die niet tevreden was met zijn kavel zou uit de kolonie worden gezet.

De protestbrieven die de kolonisten aan de ACS schreven, werden terzijde geschoven. Ook Ayers wees elke kritiek van de hand, en hij besloot bovendien de rantsoenen te halveren.

Tegen het einde van het jaar achtte Ayers de kolonie hersteld en keerde hij terug naar de VS. Een week later braken de kolonisten in de voorraadschuur in en verdeelden ze de proviand.

Gouverneur Ashmun dreigde het te melden bij de ACS, maar niemand nam hem serieus.

De rantsoenen waren bijna op toen een ACS-schip in februari 1824 in de baai voor anker ging, met aan boord een beetje proviand – en 105 ex-slaven, wat het voedselprobleem nog groter maakte.

Onder leiding van Carey omsingelden de kolonisten de residentie van gouverneur Ashmun en bedreigden ze hem.

‘Wij bepalen hier wie wat krijgt en hoeveel!’ riep Lott Carey, op zichzelf en de andere kolonisten wijzend.

‘In plaats van te werken voor voedsel, zoals het hoort, slaan jullie aan het plunderen,’ gaf de gouverneur terug, en hij beschuldigde Lott Carey van muiterij.

Ashmun stond echter machteloos tegenover de kolonisten, en toen de ACS-leiders van het incident hoorden, haalden ze hem naar huis. Daar werd Ashmun op staande voet ontslagen.

Zijn opvolger, Ralph Gurley, had te doen met de verguisde gouverneur en haalde hem over om terug te keren naar de kolonie. Ashmun hapte toe, want hij hoopte die heidense Afrikanen nog steeds te bekeren.

Toen ze vier maanden later voet op Kaap Mesurado zetten, was de stemming omgeslagen.

‘Enkele van de grootste rebellen hadden een heel andere houding, die vast en zeker te danken is aan de hernieuwde kracht van Gods woord en geest,’ schreef Jehudi Ashmun aan de ACS.

Maar de waarheid was dat de kolonisten aan het eind van hun Latijn waren. Ze hadden geen puf meer om te klagen en ontvingen nederig de nieuwe voorraden.

De twee mannen vertelden dat de ACS de kolonie Liberia had genoemd – naar het Latijnse woord liber (vrij) – en dat de nederzetting nu Monrovia heette, naar James Monroe, de president die het genootschap geld had gegeven om de vrijgelaten slaven te lozen.

De elite in Liberia ging gekleed als de bovenklasse in de VS en Europa.

© Peace Palace Library, The Hague & Shutterstock

Slaven werden aristocraten

De kolonie voor vrijgelaten slaven werd niet bepaald een rechtvaardige samenleving. De migranten uit de VS namen in Liberia mettertijd de rol over van de bovenklasse.

Ziek van ananassen

In de jaren 1820 begon de nederzetting te bloeien doordat de kolonisten nieuwe plaatsen bouwden. In de handelsposten die nu hun deuren openden konden de kolonisten handel drijven.

Zo ruilden ze ijzer en tabak, die ze uit de VS kregen, voor zoete aardappelen en de wortelknol cassave van de Afrikanen. Sommige stammen bleven vijandig en plunderden de handelsposten.

Bij de voorbereidingen op een strafexpeditie tegen de Afrikanen in 1828 ontplofte het wapenmagazijn van Monrovia toen een kaars in een vat buskruit viel, en de rasoptimist Lott Carey vond de dood.

Desondanks ging het de kolonisten voor de wind; ze pasten zich geleidelijk aan het leven in hun nieuwe thuisland aan. Boeren leerden wanneer ze konden zaaien na het regenseizoen, de oogsten werden groter en er was minder honger.

Toen de vrijgelatene Peyton Skipwith in 1833 met zijn gezin arriveerde, had Monrovia een stenen kade in plaats van een modderige oever, en ook veel huizen waren van steen.

De straten waren echter nog erg modderig in het regenseizoen. Tussen de kolonisten in westerse kleding liepen vriendelijke Afrikanen in huiden.

Toch werd de kolonie nog geplaagd door ziekte. Volgens een rapport aan de ACS van 1832 had een op de zes ‘de koorts’: malaria. Volgens ACS-man Joseph Mechlin was dat de schuld van de kolonisten.

‘Veel sterfgevallen zijn te wijten aan onzorgvuldig gedrag en ongebreidelde inname van lokale vruchten, vooral de ananas,’ beweerde hij in een verslag.

Bloei leidt tot zelfstandigheid

De ACS zorgde er nu voor dat schepen aankwamen in de drogere zomertijd, zodat de voedselvoorraad niet meteen wegrotte. De ex-slaven uit de zuidelijke VS stroomden nu naar Liberia toe.

In de Zuidelijke Staten droegen muggen de malariaparasiet, dus veel nieuwkomers waren resistent tegen de ziekte.

Rond 1840 had Liberia ongeveer 2000 inwoners, en langs de rivieren St. Paul en St. John schoten nieuwe plaatsen als paddenstoelen uit de grond.

Al wilde Peyton Skipwith zo snel mogelijk weg uit Liberia, anderen hadden het er goed.

Kort na aankomst schreef de kolonist James Minor een brief aan zijn vroegere eigenaar over een jong familielid dat net in Liberia was aangekomen.

‘Hij was net een veulen dat uit de stal komt. Hij proefde de vrijheid.’

In de VS had de kolonie echter al een slechte naam, en het aantal donaties aan de ACS nam sterk af.

Het genootschap raakte langzaam de controle kwijt over de ontwikkeling van de kolonie en in 1841 stelde het bestuur als gouverneur de kolonist Joseph Jenkins Roberts aan.

De keuze van een zwarte man leidde tot een golf van patriottische trots. Het jaar daarop werd de kolonie in Afrika onafhankelijk van de ACS. En de eerste president werd Joseph Jenkins
Roberts, die 18 jaar eerder vanuit de VS naar het land was gekomen.

Van meet af aan domineerden immigranten uit Amerika het politieke leven van Liberia, terwijl de oorspronkelijke bewoners onderdrukt werden. Na een bloedige militaire staatsgreep in 1980 – gevolgd door een lange burgeroorlog – werd het in 2005 vrede. Vandaag de dag heeft Liberia een officiële democratie.

TIJDLIJN: Liberia afhankelijk van VS

© King's College London & Shutterstock

1847

Liberia verklaart zich onafhankelijk van de ACS en wordt zelfstandig. Pas 15 jaar later wordt Liberia door politici in de VS erkend als een zelfstandige natie.

1854

De republiek Maryland, een andere kolonie voor ex-slaven van de VS, sluit zich na een oproer aan bij Liberia. Daarmee groeit de jonge natie.

1854-1916

De uitbreiding van Liberia leidt tot conflicten met Britse en Franse kolonisten in Sierra Leone en Frans-Guinea. Door militaire steun van de VS durven de buurlanden Liberia niet aan te vallen.

1927

Het land sluit een akkoord om rubber uit te voeren naar het bedrijf Fire­stone in de VS. Daarmee is Amerika de belangrijkste handelspartner van Liberia.

1930

Uit een verslag van de Volkenbond (de voorloper van de VN) blijkt dat de bovenklasse in het land het inheemse volk onderdrukt. President Charles D.B. King treedt af.

1944

Voor het eerst mogen alle burgers in Liberia stemmen voor het parlement. Acht jaar later mogen ze ook deelnemen aan de presidents­verkiezingen.

Ca. 1955

In Liberia is het bevolkingsaantal boven de miljoen inwoners uit gestegen. Meer dan 40 procent is jonger dan 14 en nog geen 3 procent is 65 jaar of ouder.

1980

Officier Samuel Doe grijpt de macht. Ministers en de president worden gedood. Een burgeroorlog breekt uit en in 1997 wordt de rebellenleider Charles Taylor tot president gekozen.

2003

De strijd laait weer op en Taylor vlucht. In 2005 zetten de VN vredestroepen in en de burgeroorlog komt ten einde.

2017

Liberia kiest een president en het parlement. De voormalige voetbalheld Geor­ge Weah wordt president, en de uitslag wordt internationaal erkend. Vandaag de dag wordt Liberia beschouwd als een democratie.