Richard Nixon bruger V-tegn i valgkamp

Watergate: Twee journalisten nekken president

In 1972 is Richard M. Nixon een van de populairste presidenten ooit. Maar de hel breekt los als een inbraak in het kantoor van de Democratische Partij de Washington Post op het spoor zet van een schandaal dat tot diep in het Witte Huis is genesteld.

In 1972 is Richard M. Nixon een van de populairste presidenten ooit. Maar de hel breekt los als een inbraak in het kantoor van de Democratische Partij de Washington Post op het spoor zet van een schandaal dat tot diep in het Witte Huis is genesteld.

Ollie Atkins, White House photographer

Op heterdaad betrapt in het Watergate-gebouw

17 juni 1972, ca. 2.30 uur Watergate Building, Washington

Het nieuwe gebouwencomplex in de hoofdstad is met zijn kantoren, hotel en appartementen bijzonder modieus.

‘Stop! Kom eruit!’, roept agent John Barrett met zijn pistool gericht op de schim die hij zojuist zag bewegen achter een glazen wand.

Met twee collega’s is Barrett kort daarvoor naar het Watergate-complex geroepen.

Een nachtwaker had ontdekt dat het slot van enkele deuren was afgeplakt met tape. Het spoor leidt vanuit de parkeergarage naar het hoofdkantoor van de Democratische Partij, dat zich op de 6e verdieping bevindt.

‘Kom eruit!’ roept Barrett nog eens. Na wat gerommel komen er niet een, maar vijf mannen tevoorschijn met hun handen omhoog.

De agenten hebben al snel door dat dit geen gewone vangst is: de inbrekers zitten allemaal strak in het pak en hebben merkwaardige dingen bij zich: rubberen handschoenen, walkietalkies, een paar camera’s, traangaspistolen en geavanceerde elektronische afluisterapparatuur. De inbrekers worden geboeid afgevoerd.

Nixons handlangers zitten achter inbraak in Watergate

17 juni 1972, 9.00 uur, Washington:

De 29-jarige journalist Bob Woodward ligt in diepe slaap in zijn appartement in een buitenwijk van Washington als de telefoon gaat.

Woodward komt zijn bed uit en zoekt de telefoon. Hij had zich eigenlijk voorgenomen om deze zaterdag eens lekker uit te slapen.

Het is de nieuwsredactie van de Washington Post: er zijn vijf inbrekers gearresteerd in het Watergate-complex. En of Woodward maar onmiddellijk kan komen.

Als jongste verslaggever is Woodward voortdurend gespitst op verhalen waarmee hij zich kan bewijzen. Hij is jong, gescheiden en heeft een enorme werklust.

Alleen lijkt dit hem eerder iets voor het plaatselijke sufferdje.

Maar eenmaal op de redactie merkt hij dat dit niet zomaar een zaak is. Integendeel.

Enkele arrestanten hebben een CIA-achtergrond en een van hen is James McCord, hoofd Veiligheid van het presidentiële campagneteam.

Op 7 november moeten de Amerikanen weer naar de stembus en het team moet Nixons herverkiezing zien veilig te stellen.

Woodward slaat handen ineen met Bernstein in Watergate-zaak

19 juni 1972, ’s ochtends, Washington Post, Washington:

Andere kranten brengen het nieuws over de inbraak ook. De FBI onderzoekt de zaak, maar de kwestie lijkt de komende verkiezingen niet te gaan beïnvloeden.

Bob Woodward zit over zijn bureau gebogen.

Hij is bezig een lijstje op te stellen met mensen die hem in de Watergate-affaire mogelijk verder kunnen helpen. De inbraak heeft Woodwards belangstelling gewekt.

Er is een misdrijf gepleegd en de afluisterapparatuur lijkt erop te wijzen dat er ook politieke motieven in het spel zijn.

Bovenaan staat ‘Howard Hunt’. De naam is afkomstig uit een adresboekje dat de politie heeft gevonden op een hotelkamer waar een van de arrestanten vóór de inbraak verbleef.

In dat boekje staat ene ‘E. Howard Hunt’, die iets te maken heeft met ‘W. House’; dat staat misschien voor White House, het Witte Huis.

Via een telefoontje naar de personeelsafdeling van het Witte Huis komt hij erachter dat de man als externe adviseur voor de presidentiële staf werkt. Tot aan 1970 was Hunt bovendien verbonden aan de CIA.

Woodward belt naar Hunt. Hun gesprek duurt maar kort:

‘Hoe komt het dat uw naam voorkomt in het adresboekje van een van de mannen die in het Watergate-gebouw zijn aangehouden?’ vraagt de journalist.

‘Godallemachtig!’ roept Hunt uit, en het is eventjes stil. Dan zegt hij kortaf dat hij hangende de zaak geen commentaar wil geven en hij smijt de hoorn op de haak.

Iemand in regeringskringen weet echter te vertellen dat de FBI Hunt ervan verdenkt betrokken te zijn bij de Watergate-affaire.

Laat in de middag begint Woodward te schrijven aan een inleiding voor het artikel van de volgende dag. ‘Adviseur Witte Huis heeft connecties met verdachten Watergate-inbraak.’

Woodward is tevreden met het artikel en vindt het maar niks dat het redactiesecretariaat de tekst nog eens doorstuurt naar de 28-jarige Carl Bernstein.

Journalisterne Bob Woodward & Carl Bernstein fra Washington Post
© Polfoto/Corbis

Helden bij toeval

Niemand had kunnen denken dat twee onbekende journalisten van de Washington Post Nixon ten val zouden brengen.

De Watergate-affaire maakte de onderzoeksjournalisten Carl Bernstein (geb. 1944) en Robert Upshur ‘Bob’ Woodward (geb. 1943) beroemd.

Woodward had geen journalistieke opleiding en kreeg pas na enkele mislukte pogingen in 1971 een baan bij de Washington Post.

Tegenwoordig is hij de bekendste medewerker van de krant en hij heeft inmiddels veel boeken en artikelen op zijn naam staan.

Bernstein begon op 16-jarige leeftijd artikelen te schrijven en kwam in 1966 bij de Washington Post.

Hij verliet de krant in 1977 en werkt nu voor diverse media.

Bernstein doet eigenlijk rechtszaken en lokale politiek, maar hij schrijft ook lange, boeiende verhalen over het wel en wee in de hoofdstad en recensies van rockconcerten.

Een veel te alternatief type voor de voormalige vlootofficier Woodward.

Tot nu toe hebben de twee elkaar gemeden, maar als Woodward Bernsteins correcties ziet, moet hij toegeven dat de tekst veel beter is geworden.

Vanaf dat moment zijn Bob Woodward en Carl Bernstein onafscheidelijk in hun jacht op de waarheid achter de Watergate-inbraak.

Watergate-zaak krijgt impuls

25. juli 1972 Washington Post, Washington:

Alles rond de Watergate-affaire ligt stil. De politie boekt vrijwel geen vorderingen en het Witte Huis weigert elk commentaar.

De temperatuur loopt op naar een bloedhete 30 graden en Carl Bernstein heeft er enorme spijt van dat hij niet, net als Bob Woodward, op vakantie is gegaan.

Bij gebrek aan nieuws heeft de redacte Bernstein toch maar weer op de plaatselijke politiek gezet.

Maar als hij in de New York Times leest dat de verdachten in de Watergate-affaire een aantal geheimzinnige telefoongesprekken hebben gevoerd in de dagen vlak voor de inbraak, ruikt hij nieuws.

Het waren telefoontjes naar de campagnestaf van de president en naar een advocaat die in Miami woont.

Bernstein heeft bronnen bij de telefoonmaatschappij Bell, die na enkele uren kunnen bevestigen dat de gesprekken zijn gevoerd door de vijf arrestanten.

Sterker nog: de gesprekslijsten zijn zojuist doorgestuurd naar een openbaar aanklager in Florida, op diens verzoek.

Advokat Gordon Liddy føres væk

Gordon Liddy was de ‘loodgietersbaas’ en plande diverse acties. Hij zat 4,5 jaar achter de tralies.

© Polfoto/Corbis

Dat maakt Bernstein nieuwsgierig. Hij wil erachter komen waarom de autoriteiten van Florida willen weten wie de mannen uit het Watergate-gebouw hebben gebeld. Bernstein pakt de telefoon en heeft al snel beet:

een openbaar aanklager in Miami bevestigt dat de lijsten opgevraagd zijn om te controleren of de arrestanten in de Watergate-affaire ook betrokken zijn bij overtredingen in Florida.

Als Bernstein hem toezegt dat hij zijn bron geheimhoudt, kan de advocaat nog wel een tip geven. Bernstein belooft volledige anonimiteit en wacht in spanning af, zijn pen in de aanslag.

‘We hebben ook bankafschriften opgevraagd van de beklaagden. Die bevatten wel enkele interessante transacties.’

‘Waar naartoe dan?’, vraagt Bernstein.

‘Naar Mexico City’, antwoordt de aanklager. ‘Kom maar hierheen als je meer wilt weten.’

Mysterieuze checks te herleiden tot handlangers president

28. juli 1972 Miami, Florida:

Terwijl Woodward terugkomt van vakantie vliegt Bernstein naar Miami om uit te zoeken wat de openbaar aanklager heeft gevonden.

Carl Bernstein wordt ontvangen door een kleine man met een rood aangelopen gezicht, een nog rodere neus en een blauwe blazer met versleten ellebogen. Hij lijkt niet echt blij dat de journalist naar Miami is gekomen.

‘Kom, hoe eerder we er vanaf zijn, hoe beter’, zegt de aanklager en gaat hem voor naar zijn kantoor. Hier opent hij snel een archiefkast met een code en haalt vijf cheques uit een map.

‘Mijn kopieermachine kun je niet gebruiken. De kopieën zouden naar mij toe kunnen leiden,’ zegt de aanklager, en hij kijkt zenuwachtig op zijn horloge.

Dat zal hij heel wat vaker doen tijdens Bernsteins bezoek.

‘Okee, ik schrijf ze wel eventjes over’, zegt de reporter. Hij noteert de gegevens van de cheques op zijn schrijfblok.

Vier komen er uit Mexico, en ze bedragen in totaal 89.000 dollar. De laatste, van de First Bank and Trust Co. in Florida, staat op naam van ene Kenneth Dahlberg en heeft een waarde van 25.000 dollar.

Terug in zijn hotel belt Bernstein Woodward. Ze besluiten de mysterieuze Dahlberg na te trekken.

Woodward stuurt iemand naar het archief van de Washington Post en korte tijd later ligt er een foto op zijn bureau van een breedlachende man naast een lokale politicus uit Minneapolis, Minnesota.

Nu hoeft hij alleen nog maar inlichtingen te bellen om achter het telefoonnummer van deze Dahlberg te komen.

‘Bob Woodward van de Washington Post. Ik bel in verband met de cheques die zijn uitbetaald aan de verdachten in de Watergate-zaak.’
Stilte.
‘Uw naam staat op een van de cheques…’

Als Dahlberg na weer een stilte begint te praten, klinkt hij geschokt. Hij mompelt een excuus en legt neer, maar belt even later terug.

‘Dat zijn campagnebijdragen. Ik heb geen idee waar die cheques terechtgekomen zijn … Ik heb ze destijds aan Maurice Stans gegeven, maar dat heeft u niet van mij.’

Bij die naam knijpt Woodward eventjes hard in zijn pen. Maurice Stans is de financiële man van het campagneteam.

Er loopt dus nóg een lijntje van Watergate naar medewerkers uit de directe omgeving van de president.

Als Woodward zijn verhaal inlevert, kijkt de redacteur wantrouwend naar het manuscript.

‘We hebben nog nooit zo’n groot verhaal als dit gehad. Nog nooit!’

Boekhouder komt met belangrijke aanwijzing in Watergate-zaak

14. september 1972 Washington:

Uit een onafhankelijk accountantsrapport blijkt dat Nixons campagneteam heeft geprobeerd via Mexico campagnegelden wit te wassen.

Bernstein en Woodward volgen het geldspoor en beginnen bezoekjes af te leggen bij Nixons campagnemedewerkers thuis.

De twee reporters hopen er door gesprekken onder vier ogen achter te kunnen komen wie opdracht heeft gegeven tot de inbraak in Watergate.

Bernstein zit in de hal bij een boekhoudster van het campagnetam. Haar handen trillen en ze is duidelijk zenuwachtig als ze voor de journalist een kopje koffie inschenkt.

‘Ik weet niet hoe het bespioneren in zijn werk ging. Ik weet alleen wie het geld kreeg en wie dat goedkeurde’, vertelt ze, en lijkt direct spijt te hebben van haar woorden.

De boekhoudster weigert namen te noemen. In plaats daarvan haalt Bernstein haar over om de initialen te geven van de personen die zij verantwoordelijk acht.

Als de vrouw aarzelt, geeft hij haar een voorzetje en noemt de L. Ze laat hem niet verder uitspreken en zegt langzaam ‘L en M en P, en dat is alles wat ik erover wil zeggen.’

De drie initialen passen prima in de rebus die Bernstein en Woodward proberen op te lossen. ‘L’ zou Gordon Liddy kunnen zijn, ‘M’ Jeb Stuart Magruder en ‘P’ Herbert Porter.

Het zijn alle drie centrale figuren in Nixons campagneteam die de twee journalisten ook al eerder waren opgevallen.

Bernstein neemt nog een slokje, zet zijn kopje neer en bedankt. Het net rond het Witte Huis wordt steeds strakker aangetrokken.

Watergate-zaak gaat niet weg ondanks overwinning

December 1972 In een vliegtuig naar Los Angeles:

Nixon heeft een grote zege op de Democraten behaald. De Washington Post staat onder zware druk om de Watergate-affaire te laten rusten, maar graaft door.

Vred forsamling råber af præsident Nixon

Nixons populariteit daalde in de peilingen steeds verder naarmate er meer details in de Watergate-affaire bekend werden.

© Polfoto/Corbis

‘All in’, zegt Bernstein en hij schuift zijn fiches naar het midden van de tafel. Hij en Woodward zitten te pokeren aan boord van een jumbojet naar Los Angeles.

Ze hebben een afspraak met iemand die hun hopelijk kan vertellen wie het bevel gaf om in Watergate in te breken. Bernstein staat 30 dollar voor als het vliegtuig de landing inzet.

In een café in een buitenwijk van Los Angeles ontmoeten de twee journalisten Donald Segretti, een 31-jarige man met een brede lach en een vriendelijk, bijna naïef gezicht.

Maar schijn bedriegt, want diverse bronnen noemen Segretti de man die mensen heeft aangetrokken voor de rotklusjes van de presidentiële verkiezingscampagne: demonstraties, valse brieven en het dwarszitten van politieke tegenstanders.

‘Ik wil gewoon dat mijn gezin erbuiten blijft’, zegt hij, en hij weigert om zich in eenduidige bewoordingen uit te spreken.

Segretti geeft echter toe dat hij door Nixons mensen is ingehuurd en dat hij van het campagneteam van de president geld heeft ontvangen.

Hij weet bovendien absoluut zeker dat zijn leidinggevenden hun bevelen weer van hogerhand hebben gekregen.

‘Van wie?’ vraagt Woodward.

‘Nou, ik begreep dat Haldeman meestal de orders gaf’, zegt Segretti, en hij kijkt benauwd.

De twee reporters kijken elkaar aan. Veel dichter bij de president dan dit kan niet. Als stafchef en als persoonlijke vriend is Bob Haldeman een van Nixons grootste vertrouwelingen.

Deep Throat is belangrijkste bron in Watergate-zaak

24 januari 1973 Een parkeergarage in Washington:

De rechtszaak tegen de Watergate-verdachten vindt plaats achter gesloten deuren. Intussen zetten Woodward en Bernstein hun eigen onderzoek voort.

In de schaars verlichte parkeergarage is het ijskoud. Maar hier, onder de straten van de hoofdstad, kan Woodward ongestoord de man zien die zijn belangrijkste bron wordt bij het ontrafelen van de Watergate-affaire.

Hij bekleedt een hoge positie bij de overheid en kan precieze informatie geven over wat de autoriteiten geheim houden in deze kwestie.

Hij wil echter niet bij name genoemd worden.

Woodward en Bernstein noemen de geheime bron in hun artikelen niet.

Het publiek hoort pas van zijn bestaan in de zomer van 1974, als de twee journalisten een boek over hun speurwerk uitbrengen.

Ook daarin noemen ze hem niet bij zijn naam, maar omschrijven ze hem als ‘Deep Throat’, een aanduiding die is ontleend aan een pornofilm die in 1972 in de VS tot veel ophef had geleid.

De ontmoetingen in de garage worden geregeld via tekens die alleen zij drieën kennen.

Als Woodward een afspraak met Deep Throat wil, zet hij op het balkon van zijn woning een bloempot neer.

Mark Felt ankommer til Watergate-retssagen

Nixons staf verdacht Felt van lekken naar de pers, maar had geen bewijzen.

© Polfoto/Corbis

FBI-man was Deep Throat

Woodwards bron in de Watergate-affaire bleef geheim tot 2005, toen Deep Throat zichzelf bekendmaakte.

Hij heette Mark Felt en was oud-onderdirecteur van de FBI. Felt overleed in 2008. Waarom hij Woodward informeerde is nooit geheel duidelijk geworden.

Misschien was hij gewoon een rechtschapen ambtenaar die de wandaden van de regering-Nixon niet kon aanzien.

Of misschien was hij wel kwaad over het feit dat hij voor de functie van FBI-chef gepasseerd was.

Als Deep Throat op zijn beurt met de journalisten wil afspreken, zorgt hij ervoor dat in Woodwards exemplaar van de New York Times het paginanummer op bladzij 20 is omcirkeld, als teken dat Deep Throat die avond in de garage op hen wacht.

Hoe zijn bron de krant te pakken krijgt en de cirkel kan plaatsen, komt Woodward nooit te weten.

Op deze ijzige januariavond heeft Deep Throat belangrijke informatie voor Woodward. Hij wijst de directeur van Nixons campagneteam aan als de opdrachtgever van de inbraak.

‘Mitchell was 100% zeker de man achter operatie-Watergate’, zegt hij. Het Witte Huis weet dat, de FBI weet dat. Het Witte Huis probeert de kwestie geheim te houden, zodat het Congres er geen onderzoek naar gaat doen.’

Het is een typisch Deep Throat-bericht.

Hij komt nooit met bewijzen, maar bevestigt aannames van Woodward en Bernstein en stuurt hen in nieuwe, interessante richtingen.

En met die achtergrondinformatie kunnen ze andere bronnen tot bekentenissen bewegen.

Washington Post bloedt vanwege Watergate

30. april 1973, kl. 11:55 uur Washington Post, Washington:

Nixon doet het in de opiniepeilingen nog steeds goed en de Washington Post betaalt een hoge tol voor het Watergate-onderzoek. De aandelen zijn met 50% gezakt.

Hoofdredacteur Benjamin Bradlee zit met een bekende op zijn kantoor wat te kletsen. Hij heeft zijn voeten op tafel en probeert nonchalant een balletje te gooien in een basketbalnetje dat aan de muur hangt.

Bradlees rust is maar schijn. Vanwege de grote druk die op de krant wordt uitgeoefend is het op dit moment alles­behalve makkelijk om leidingevende te zijn bij de Washington Post. Dan stuift er een medewerker naar binnen.

‘Hebben jullie het gehoord? Nixon gooit Dean, Ehrlichman en Haldeman eruit!’

Bradlee is eerst verbijsterd, maar dan begint zijn gezicht van puur enthousiasme te stralen. Hij drukt zijn wang tegen zijn bureau aan en timmert met zijn vuist op tafel.

‘En wat zeggen jullie daarvan!?’ roept hij, springt op en stormt de grote redactieruimte in.

‘Dat is niet slecht, Bob! Dat is helemaal niet slecht’, roept hij naar Woodward.

Kort daarvoor had verdachte John McCord het zwijgen verbroken dat de vijf arrestanten bijna een jaar hadden volgehouden. Hij legde in de rechtszaal een volledige verklaring af.

McCord verklaarde dat hij vóór de inbraak bericht had gekregen dat deze was goedgekeurd door hoge functionarissen rond de president.

De beklaagde was er bovendien van overtuigd dat er nog meer mensen vanaf wisten, ook al deden ze alsof hun neus bloedde.

Bijvoorbeeld stafchef Bob Haldeman, hoofd van het campagneteam John N. Mitchell, juridisch adviseur John Dean en adviseur binnenlandse zaken John Ehrlichman.

Bovendien had het Witte Huis volgens McCord arrestanten het zwijgen opgelegd door middel van omkoping en afpersing.

De verklaring brengt de positie van de president aan het wankelen en het ontslag van de drie medewerkers is het eerste teken dat het binnen het Witte Huis rommelt.

Binnen enkele minuten staan alle journalisten van de Washington Post in een kring rondom Bradlee en Woodward. De krant heeft het de hele tijd bij het rechte eind gehad en de opluchting op de redactie is groot.

Nixon nam zichzelf op tijdens Watergate

14. juli 1973 Bij Woodward thuis, Washington:

Na John McCords bekentenis stelt het Congres een onderzoekscommissie in om te onderzoeken wie voor de inbraak in het Watergate-gebouw verantwoordelijk is.

Het verbaast Bernstein en Woodward dat één iemand die een hoofdrol speelde, door de onderzoekscommissie nog niet is gehoord.

Alexander Butterfield is de assistent van stafchef Haldeman en voor een groot deel verantwoordelijk voor de dagelijkse gang van zaken in het Witte Huis.

Deep Throat en een bron in Nixons campagnestaf hebben zijn betrokkenheid bij de Watergate-affaire bevestigd.

Richard Nixon går på skærmen

Nixon voor de uitzending op tv waarin hij meedeelt dat zijn tapes in verkorte vorm worden vrijgegeven.

© Polfoto/Corbis

Nixon nam alles op

Uit verklaringen van Nixons medewerkers bleek dat er bewijs was dat de president was betrokken bij de Watergate-affaire.

President Nixon nam al zijn telefoongesprekken en vergaderingen in het Witte Huis op. Daarmee creëerde hij zelf de bewijzen voor zijn aandeel in het Watergate-schandaal.

Het Witte Huis deed er alles aan om te voorkomen dat er opnamen in handen kwamen van de onderzoekscommissie.

Na zware druk bood Nixons staf eerst schriftelijke uittreksels van de banden aan, en later uitgewerkte verslagen.

In juli 1974 gaf het Hooggerechtshof opdracht om de originele opnamen ter beschikking te stellen.

Toen de band van 20 juni 1972 werd afgespeeld, ontbraken er toch 18,5 minuten van een gesprek tussen Nixon en stafchef Haldeman.

Een secretaresse beweerde dat zij die per ongeluk had gewist. Historici menen echter dat de band details bevatte over Nixons rol in de affaire.

De opnames maken hoe dan ook duidelijk dat hij volop betrokken was bij het met opzet frustreren van het onderzoek van de politie.

Tot nu toe hebben de contactpersonen van Woodward en Bernstein zich telkens bij de onderzoekscommissie verontschuldigd voor hun afwezigheid wegens tijdgebrek.

Maar op een rustige zaterdagmiddag rinkelt Woodwards telefoon. Aan de andere kant van de lijn meldt zich een van de onderzoekers.

‘Gefeliciteerd. We hebben nu Butterfield verhoord. Hij heeft alles opgebiecht.’

‘Hoe bedoel je, alles?’

‘Nixon heeft alles op band opgenomen.’

Geruchten over geheime geluidsopnamen van gesprekken van de president deden al enige tijd de ronde, maar nu werd het bestaan ervan bevestigd.

Met behulp van de banden is het eindelijk mogelijk om vast te stellen welke rol Nixon in de Watergate-affaire heeft gespeeld. Misschien heeft hij zelf wel het bewijsmateriaal gemaakt dat hem nu de das om doet.

Nixon en Kissinger storten in

7. august 1974, ’s middags, Het Witte Huis, Washington:

Ruim een jaar weigert Nixon de geluidsopnamen van het Witte Huis vrij te geven, maar uiteindelijk komen alle 64 banden in handen van de onderzoekscommissie.

Nixon ijsbeert in de Lincoln Room van het Witte Huis. Zijn gehoor bestaat uit zijn minister van Buitenlandse Zaken Henry Kissinger. Nixon weet dat hij aangeschoten wild is.

De inbraak in het Watergate-gebouw is inmiddels twee jaar geleden, en tijd winnen of verklaringen verzinnen zit er nu niet meer in.

Het doet Kissinger pijn om de president zo te zien. Nixon lijkt helemaal doorgedraaid. Keer op keer vraagt hij hem hun gezamenlijke, internationale successen nog eens op te noemen.

Kissinger probeert de president ervan te overtuigen dat hij een prachtige erfenis nalaat.

Nixons helpers achter de tralies

Telefoontaps, schending van het briefgeheim en spionage waren gemeengoed onder medewerkers van Nixon, vooral bij de verkiezingsstrijd van 1972.

Deze acties werden uitgevoerd door ex-CIA’ers die ‘de loodgieters’ werden genoemd en door de top van het Witte Huis werden aangestuurd.

De vijf loodgieters van het schandaal zaten tot 15 maanden in de cel. John Mitchell, hoofd van het campagneteam, werd met 19 maanden cel het zwaarst gestraft.

De president zelf werd niet gestraft. Zijn opvolger Gerald Ford verleende hem als eerste ambtshandeling gratie.

Dat het hele Watergate-schandaal maar een klein schandvlekje is in een lang en succesvol leven in dienst van het Amerikaanse volk.

De emotionele druk wordt te groot voor de normaal gesproken nogal cynische minister van Buitenlandse Zaken.

Kissinger barst in huilen uit en even later biggelen de tranen ook over de wangen van de president.

Als de minister ten slotte opstaat om weg te gaan, roept Nixon hem achterna:

‘Blijf bij me, en laat ons samen bidden tot God!’

Kissinger is Joods, maar desondanks knielt hij gehoorzaam neer naast de president en ze bidden in stilte. Het duurt niet lang of Nixon begint weer te snikken, om ten slotte vertwijfeld in geschreeuw uit te barsten.

Een dag later kondigt president Richard Nixon zijn aftreden aan. Voor de allereerste keer in de geschiedenis treedt er een president af in verkiezingstijd.

Richard Nixon trækker sig som præsident

8 augustus 1974: Nixon maakt aftreden bekend.

© Scanpix/Heritage

Op 9 augustus gaat Nixon aan boord van de Air Force One op weg naar zijn thuisstaat Californië.

In het luchtruim boven Missouri schakelt de grote Boeing over op een nieuwe radio-identificatiecode, SAM 2700.

Vice-president Gerald Ford heeft net de eed afgelegd als de nieuwe bewoner van het Witte Huis en Nixon heeft niet langer het recht om het presidentiële callsign Air Force One te gebruiken.

De rest van zijn leven blijft Nixon afstand nemen van het Watergate-schandaal. Tot aan zijn dood in 1994 ontkent hij direct betrokken te zijn geweest bij de illegale handelingen waar zijn medewerkers voor zijn veroordeeld.