De stadstaten van het Heilige Roomse Rijk worden steeds rijker. Ze streven naar tucht en orde, en de beul wordt een van de belangrijkste burgers.

© Bridgeman Images

Genadeloze beulen waren schrik van de stad

Hij moest genadeloos zijn, iemand op de brandstapel kunnen verbranden, een zwaard kunnen hanteren – en bereid zijn door iedereen met de nek aangekeken te worden. De beul kreeg goed betaald, maar was het pispaaltje van de maatschappij.

27 oktober 2017 door Else Christensen

Frantz Schmidt staarde gespannen naar de sporten voor zich. Hij moest niet alleen zijn evenwicht zien te bewaren, maar ook de man die met gebonden handen naast hem op de smalle dubbele ladder liep ondersteunen. 

De twee bereikten de bovenste sport en stonden op de galg. Het moment van de waarheid was daar. Frantz greep het touw dat hij al eerder had opgehangen. Zorgvuldig liet hij de strop over het hoofd van de man glijden en trok hem aan rond diens nek. 

Met een snelle stoot duwde hij de man de ladder af. Zelf bleef hij staan om te zien hoe het dikke touw in de nek van het spartelende slachtoffer sneed. Pas toen het lichaam roerloos aan de galg hing, zat zijn taak erop voor die dag. 

 Met rasse schreden klom hij van de ladder af. Beneden wachtte zijn leermeester, die hem drie oorvijgen gaf. Met deze rituele handeling gaf de meester aan dat Frantz Schmidt, zoals hij uit volle borst verkondigde,‘de executie behendig en foutloos heeft voltrokken’. De 19-jarige Frantz mocht zich nu een volleerd beul noemen.

De executie van de dief Lienhard Luss, die op 5 juni 1573 in de Zuid-Duitse plaats Steinach plaatsvond, was de eerste van vele terechtstellingen die Frantz Schmidt zou uitvoeren. 

Toen hij er 45 jaar later de brui aan gaf, had hij 394 mensen gedood en een veelvoud daarvan gemarteld, onder meer door ze te brandmerken, met een zweep te slaan, hun oren of tong af te snijden of hun botten een voor een te breken.

Frantz had niet gesolliciteerd naar deze baan: het vak van beul ging over van vader op zoon – net als de hoon van de omgeving. Omdat de beul geassocieerd werd met zonde, straf en dood, was hij gevreesd en gehaat, het pispaaltje van de middeleeuwse maatschappij. 

Beul wordt van de straat geplukt

Frantz had collega’s die vaak al de zoveelste generatie beul waren, maar de familie Schmidt behoorde nog niet zo lang tot het gilde der verstotenen, en was er min of meer per ongeluk in verzeild geraakt. Frantz’ vader Heinrich was vogelvanger in het Zuid-Duitse Hof.

Eind 1553 woonde hij een terechtstelling bij. De lokale machthebber, een markgraaf, had drie mannen opgepakt die een complot tegen hem zouden hebben gesmeed. De markgraaf wilde de drie meteen laten ophangen, maar het stadje had geen eigen beul in dienst. 

De heerser kon het geduld niet opbrengen om te wachten tot er een beul uit een grotere plaats zou komen: volgens een oud gebruik wees hij een willekeurige toeschouwer aan om de executie uit te voeren. 

Heinrich Schmidt was de pineut. De gerespecteerde vogelvanger deed van alles om onder deze taak uit te komen, maar de graaf hield voet bij stuk.

‘Als (mijn vader) niet gehoorzaamde, zou (de markgraaf) hem samen met de drie anderen hebben opgeknoopt,’ aldus Frantz. En zo werd het lot van de familie Schmidt bezegeld.

Een beul moest in de eerste plaats iemand kunnen onthoofden. Als hij zijn vak verstond, kon hij in drie stappen een gesmeerde executie voltrekken.

© Bridgeman & Landschaftsmuseum.de

Beul moet lezen en schrijven 

We kennen het verhaal van de pechvogel Heinrich Schmidt omdat Frantz, in tegenstelling tot vele anderen in de 16e eeuw, kon lezen en schrijven. Dat was een eis die aan alle beulen werd gesteld, want ze moesten lijsten opstellen van hun werkzaamheden. 

Daarnaast hield Frantz een dagboek bij. Vanaf zijn eerste executie in 1573 tot zijn pensionering in 1618 maakte hij regelmatig aantekeningen over zijn leven.

Hij wijdde maar een paar zinnen aan zijn jeugd, maar het is bekend dat de zoon van een beul – zoals de meeste jongens in die tijd – het vak van zijn vader leerde. In zijn vroege tienerjaren verleende Frantz hand- en spandiensten aan zijn vader, zoals het schoonmaken van zwaarden en martelwerktuigen en het prepareren van de galg. 

Toen hij ouder en sterker was, ging hij ook helpen bij de werkzaamheden zelf. Zijn vader heeft hem waarschijnlijk opgedragen om goed op te letten, zodat hij op een dag ook zelf de strop om iemands nek kon doen en het zwaard kon hanteren.

Vooral bij een onthoofding kwam heel wat kijken. Elke beul had zijn eigen op maat gemaakte zwaard, dat bij zijn lengte en stijl van executeren paste. 

De meeste beulszwaarden waren circa een meter lang en drie kilo zwaar. Soms stonden er afbeeldingen van Jezus of de Maagd Maria op, of waarschuwende woorden als ‘blijf op het rechte pad, anders beland je aan de galg’ of ‘de

Heer oordeelt, ik stel terecht’. Het zwaard was het belangrijkste en meest persoonlijke werktuig van de beul, en bij Heinrich had het een ereplaats op de schoorsteenmantel wanneer het niet gebruikt werd voor executies of de opleiding van zijn zoon.  

Steden willen tucht en orde

Het eerste slachtoffer van een leerling-beul was doorgaans een pompoen. Later werden de vruchten vervangen door rabarberstengels, die wat moeilijker te raken waren. Daarnaast hadden de taaie stengels veel weg van een mensenhals. 

Hierna volgden geiten, varkens en andere dieren die makkelijk in bedwang te houden waren, en uiteindelijk een zwerfhond. Het doden van de hond was een generale repetitie voor de eerste echte terechtstelling. Frantz volbracht deze test in mei 1573. Een maand later legde hij zijn proeve van bekwaamheid af bij de galg in Steinach.

Frantz voltooide zijn opleiding geen moment te laat. Want hoe bizar het ook klinkt: eind 16e eeuw nam de vraag naar beulen fors toe. In de loop van de middeleeuwen waren er steeds meer handelaren en ambachtslieden gekomen in het Heilige Roomse Rijk, waardoor de steden rijk geworden waren. 

Sommige waren in de praktijk zelfstandige staten, die met elkaar concurreerden om handel en productie aan te trekken. De handhaving van orde en gezag was hierbij een belangrijk lokmiddel.

De steden probeerden elkaar dan ook de loef af te steken met het hardste optreden tegen misdadigers, en kregen het monopolie op executies, wat eerder een zaak tussen dader en slachtoffer of diens nabestaanden was. 

Zoals Frantz al snel aan den lijve ondervond, nam de waardering niet toe met de vraag. Net als veel jonge ambachtslieden had hij de eerste jaren na zijn opleiding vooral losse ‘klusjes’. Hij leerde algauw dat hij vanwege zijn werk anders dan anderen was. 

Frantz en zijn collega’s kregen daarom allerlei scheldwoorden naar hun hoofd geslingerd, zoals ‘slager’, ‘bloedrechter’, ‘hoerenzoon’ en ‘Meister Hämmerling’, een andere naam voor de duivel.

Andere jonge ambachtslieden liepen dan ook met een wijde boog om Frantz heen. De enigen die zich met hem inlieten of een tafel in de herberg met hem deelden waren andere verstotenen als zigeuners, bedelaars en huurlingen.

Frantz wist dat veel beulen op het slechte pad raakten, en dat nog veel meer hun troost zochten in de drank, omdat ze in de kroeg eventjes niet aan het doden en martelen van mensen hoefden te denken. 

Maar de jonge Frantz wilde in geen geval zo eindigen. Daarnaast besefte hij dat toekomstige werkgevers beulen beoordeelden op basis van hun reputatie en kennissenkring. Nu de handhaving van tucht en orde overal de hoogste prioriteit had, moest zijn blazoen geheel smetteloos zijn.

Frantz deed dan ook het enige wat hij kon doen: hij sloeg elke uitnodiging voor een drinkgelag beleefd af en ging zo weinig mogelijk met anderen om.

Frantz zwierf dus eenzaam over de landweggetjes, maar plukte wel de vruchten van zijn ingetogen levensstijl. Hij zat nooit om werk verlegen en wist al vroeg gewilde betrekkingen in de wacht te slepen, eerst in Bamberg en later, toen hij pas 24 was, een contract met het stadsbestuur van Neurenberg. 

Dit was de droombaan van elke beul. De stad had zo’n 100.000 inwoners en was een middelpunt van handel en cultuur in het Heilige Roomse Rijk. Alleen Augsburg, Keulen en Wenen waren groter. 

Neurenbergse banken waren toonaangevend in Europa, en omdat het een van de belangrijkste handelssteden van het land was, was er een genadeloze beul nodig om potentiële misdadigers af te schrikken.  

Veroordeelden waren ‘goddeloos’ en ‘pervers’

  • Hans Drentz (alias De Lange)
    ‘Hij wilde niet bidden, tot God spreken of de naam van Christus zeggen. Hij viel bij de galg om als in een aanval van pijn. Hij was een goddeloze man.’
    Aanklacht: diefstal.
    Straf: ophanging.

  • Georg Schörpff
    ‘Een perverseling die ontucht pleegde met vier koeien, twee kalveren en een schaap, en daarom terechtgesteld werd met het zwaard in Velln. Hij werd samen met een koe verbrand.’
    Aanklacht: bestialiteit.
    Straf: onthoofding.

  • Lienhard Deürlein
    ‘Een brutale boef. Toen het vonnis werd voorgelezen, had hij nog een laatste wens. Hij wilde vechten met vier van zijn bewakers. Het verzoek werd afgewezen.’
    Aanklacht: brandstichting.
    Straf: onthoofding.

Martelen is een ambacht

De beul was niet alleen de voltrekker van het vonnis – hij was van begin tot eind bij rechtszaken betrokken. Frantz beschrijft hoe hij aan de slag ging met verhoren zodra de autoriteiten een verdachte hadden aangewezen. 

Deze werd linea recta naar de martelkamer van de gevangenis gebracht, een kleine ruimte zonder ramen met een gewelfd plafond. Hier verhoorde Frantz hem terwijl hij zijn martelwerktuigen liet zien en uitlegde waar ze voor dienden. Weigerde de verdachte te bekennen, dan nam de beul zijn afschuwelijke gereedschappen ter hand.

Tot het arsenaal van Frantz Schmidt behoorden duimschroeven, zogeheten Spaanse laarzen (beenschroeven) en vuur, dat in de vorm van een fakkel onder de oksels van de verdachte werd gehouden. 

Als de vermeende misdadiger tegenspartelde, dan kwam de pijnbank tevoorschijn. Het slachtoffer werd op de bank gelegd en zijn handen en voeten werden met touwen vastgebonden. Vervolgens werden de armen en benen langzaam uit elkaar getrokken, tot de gewrichten ontzet waren. 

Bij een andere martelmethode werden de armen van de verdachte op zijn rug gebonden en langzaam aan de polsen omhoog getrokken, terwijl stenen die aan de voeten vast zaten het lichaam omlaag trokken. Hierbij schoten de schouders meestal uit de kom.

Het verhoor zelf werd uitgevoerd door twee notabelen, vaak de burgemeester of rijke kooplieden, die via een buis vanuit de bovengelegen ruimte vragen stelden. 

Frantz moest tijdens het verhoor telkens inschatten hoeveel pijn de verdachte kon verdragen, en welke methoden gepast waren. Na het vonnis moest hij de straf uitvoeren, of het nu verminking, zweepslagen, verbanning of de dood was.

Beul draagt roze

Frantz kreeg goed betaald voor zijn werk. Hij ontving tweeënhalve gulden per maand, een vorstelijk loon als je bedenkt dat een gevangenenbewaarder 10 tot 15 gulden per jaar verdiende. 

Voor een verhoor kreeg hij een extra toelage, en hij mocht gratis wonen. Dankzij dit salaris hoorde Frantz bij de vijf procent bestbetaalden van de stad en had hij eenzelfde luxe levensstijl als een arts of een jurist.

Dit was te zien aan zijn kleding. In de meeste steden mocht de beul aantrekken wat hij wilde. Blijkens illustraties zagen beulen er vaak netjes uit, op het overdrevene af. Dit gold ook voor Frantz. 

Op een tekening die mogelijk is gemaakt door een ooggetuige, is te zien hoe hij een jonge vrouw terechtstelt. Hij draagt roze kousen, een lichtblauwe broek met een roze braguette en een leren vest met blauw jasje en wit overhemd.

Maar ondanks zijn rijkdom was Frantz een verschoppeling. Alleen al uit de ligging van zijn huis bleek dat hij er niet echt bij hoorde. Het ruime gebouw met moderne gemakken zoals een verwarmd bad stond op een eiland. 

Er leidde een loopbrug naartoe, maar om die te bereiken moesten bezoekers eerst langs een varkensmarkt, een slachthuis en de gemeentelijke gevangenis.  

De beul werd op zijn oude dag arts: Frantz had zijn hele leven mensen gepijnigd, maar eigenlijk wilde hij ze juist beter maken. Toen hij eindelijk met pensioen mocht, verwezenlijkte hij zijn droom. 

© Corbis/Polfoto

Niemand wil met de beul trouwen

Desondanks vormden zijn huis en zijn kleding aanleiding tot jaloezie, vooral bij ambachtslieden die zich bedreigd voelden door de toenemende handel met het buitenland. Zij reageerden hun frustratie af op de beulen. 

Zo mochten de zoons van een beul geen lid worden van een gilde, wat voor hen een regelrechte ramp betekende, want het lidmaatschap van een gilde was vereist om aan werk te komen.

Vanwege zijn positie aan de zelfkant van de maatschappij had een beul ook veel moeite met het vinden van een vrouw. Niet veel vrouwen wilden iets te maken hebben met een professionele moordenaar. Alleen prostituees waren bereid het bed te delen met een beul.

Toch slaagde Frantz erin, anderhalf jaar na zijn aanstelling in Neurenberg, zich te verloven met de negen jaar oudere Maria Beckin. Het huwelijk werd op 7 december 1579 bij Frantz thuis gesloten, want in de kerk was hij niet welkom. 

Behalve de datum van de verloving en de bruiloft is er weinig bekend over het huwelijk. We weten dus niet of er liefde in het spel was, maar uit de archieven blijkt dat Maria de dochter van een arme weduwe was en dat haar drie broers en zussen thuis woonden. 

 Ze was 34 – destijds erg oud om niet getrouwd te zijn – wat erop wijst dat het een verstandshuwelijk was, omdat beiden weinig kanten op konden.

De echtelieden werden er constant aan herinnerd dat ze verstotelingen waren. Terloopse opmerkingen en regelrechte beledigingen waren aan de orde van de dag. Daarnaast mochten beulen de viering van feestdagen en andere officiële gelegenheden niet bijwonen. 

Zelfs de artsen en juristen met wie Frantz elke dag samenwerkte, keken de andere kant op als ze hem en zijn vrouw op straat tegenkwamen.

Desondanks zijn er aanwijzingen dat Frantz en Maria een redelijk normaal gezinsleven kenden. Er was geld genoeg, het huis was groot en er kwamen steeds meer kinderen. In totaal kregen de echtelieden vier zoons en drie dochters.

Weliswaar bezweken twee van hen, Vitus van vier en Margaretha van drie, in de zomer van 1585 aan de pest, maar dat kon in de middeleeuwen iedereen overkomen. Uitbraken van de pest kwamen regelmatig voor en de kindersterfte was hoog.

Het gezin, met name Maria, werd ondanks het werk van Frantz toch niet door iedereen met de nek aangekeken. Toen Maria en de 16-jarige Jörg in 1600 stierven, werden er wel degelijk blijken van medeleven betoond.

Zo droegen de klasgenoten van de jonge Jörg zijn kist, en namen ‘meerdere buren, vrijwillig en met sympathie’ de kist van Maria op hun schouders op weg naar het kerkhof.

Als weduwnaar ging Frantz door met zijn werk, maar toen hij de 60 naderde, was het duidelijk dat hij zijn lichamelijk zware werk niet meer naar behoren kon uitvoeren. In 1611 moest hij tijdens de executie van Elisabeth Mechtlin, die veroordeeld was wegens ontrouw en incest, maar liefst drie keer houwen voordat haar hoofd van haar lichaam was gescheiden.

Zijn optreden werd ‘een schande’ en ‘afschuwelijk’ genoemd. Zelf schreef Frantz dat hij de executie ‘verprutst’ had. 

Eerherstel voor Frantz

Het ‘verprutsen’ van een terechtstelling kwam wel vaker voor, maar Frantz stond erom bekend dat hij zijn vak beheerste. Later ging ook een verbranding de mist in. 

Vaak zorgde de beul ervoor dat de veroordeelde stierf voordat hij door de vlammen verteerd werd, bijvoorbeeld door hem te wurgen of een zakje kruit om zijn nek te hangen. Frantz had beide gedaan, maar toch ging er iets mis: de valsemunter Georg Karl Lambrecht kwam op een vreselijke manier aan zijn einde.

De executie, die op 13 november 1617 plaatsvond, was Frantz’ laatste: ‘Op 4 juli (1618) werd ik ziek, en op Sint-Laurentius (10 augustus) gaf ik mijn werk op na 40 jaar in dienst te zijn geweest,’ schreef hij.

Zes jaar later, in het najaar van 1624, beleefde hij het hoogtepunt van zijn leven en zijn carrière. In een 15 pagina’s tellende smeekbede aan keizer Ferdinand II deed hij zijn hele levensverhaal uit de doeken en verzocht hij om officieel eerherstel voor zijn gezin. Hij benadrukte zijn lange en trouwe dienstverband als beul.

‘Gedurende deze hele tijd waren er geen klachten over mij of mijn vele terechtstellingen, en ik verliet zo’n zes jaar geleden vrijwillig het ambt vanwege mijn hoge leeftijd en zwakke gestel.’

Daarnaast vertelde hij het verhaal van zijn vader, die tegen wil en dank beul geworden was. ‘Hoe graag ik ook wilde dat het anders was,’ schreef Frantz, was hij door het ongeluk en de schande van Heinrich gedwongen om beul te worden en kon hij geen geneeskunde studeren zoals hij altijd had gewild. 

Bij de brief zat een verklaring van de rijksminister van Neurenberg, die bevestigde dat Frantz ‘bekendstaat om zijn ingetogen leven en handhaving van ’s keizers wet’.

Al na twee maanden kwam er een antwoord, dat de stoutste verwachtingen van Frantz overtrof. De ‘geërfde schande, die verhindert dat hij en zijn erfgenamen als rechtschapen gezien worden’ werd ‘bij de keizerlijke macht en barmhartigheid opgeheven en ongedaan gemaakt, en zijn eervolle status onder andere eerbiedwaardige burgers wordt hierbij ingesteld,’ stond er in de brief.

Hiermee was de smet die op Frantz en zijn nakomelingen rustte in één klap verdwenen, en hij kon in alle rust van zijn oude dag genieten. Op zijn 72e ging hij nog geneeskunde studeren, wat hij vanwege zijn beroep en dat van zijn vader nooit had kunnen doen.

Twee van zijn dochters trouwden met een welgestelde man, en een van zijn zoons, Frantzenhans, werd arts.

Zijn ultieme eerherstel kreeg Frantz na zijn dood. In officiële documenten werd hij niet meer vermeld als de beul van Neurenberg, maar als ‘de eerwaarde Frantz Schmidt, geneesheer, woonachtig in de Obere Wörthstraße’.

Voor een middeleeuwse beul bestond er haast geen grotere eer dan deze. 

Lees ook

Joel Harrington: Dagboek van een beul – Meester Frantz Schmidt van Neurenberg, Bezige Bij, 2013

Bekijk ook ...