De Griekse gymnasiarch moest worstelaars en andere atleten wassen en insmeren met olie. Daarna moest het strijdperk worden schoongemaakt. Het werk had veel aanzien en mocht alleen door de elite worden verricht.

Werk: bijzondere historische beroepen

De mens van vroeger zou zich vast verbazen over huidige beroepen als computerprogrammeur of pompbediende. Op dezelfde manier waren er vroeger beroepen die wij nu maar raar vinden. Werk dat vroeger veel aanzien had, kan ons nu vreemd voorkomen. Lees meer over 10 bijzondere beroepen van toen.

1. Gymnasiarch

Gymnasiarch in het oude Griekenland was een smerig beroep.

Het werk bestond uit het wassen en oliën van worstelaars en andere atleten. Ook het schoonmaken van het strijdperk behoorde tot de taken.

Maar omdat atletiek, en vooral worstelen, in de oud-Griekse samenleving zo hoog in aanzien stond, had ook het beroep van gymnasiarch veel prestige. Het was zelfs zo dat alleen de elite dit werk mocht verrichten. Het werk werd niet betaald, de gymnasiarch moest rijk genoeg zijn om alle kosten van de gevechten zelf te betalen.

2. Okselplukker

Voor het betere deel van de middenklasse in het oude Griekenland was persoonlijke hygiëne heel belangrijk. Ze beseften dat hun oksels aan het einde van de dag een sterke geur verspreidden en dat dit probleem verholpen kon worden door de haargroei te verwijderen.

Daarom gingen ze regelmatig naar de okselplukker. Een vakman die ervoor zorgde dat mensen elkaar konden ontmoeten zonder dat ze werden afgeleid door stankoverlast.

3. Delator

In de Romeinse steden bestond het beroep van delator. Een delator had als taak om kwaad te spreken over zijn medeburgers. Het was geen gerespecteerd beroep, maar het kon wel veel geld opleveren.

De informanten kregen een vast bedrag voor elke inlichting, of een percentage van de boete die de door hen aangeklaagde wetsovertreder aan de staat moest betalen.

Daarom richtten ze zich vooral op welgestelde burgers, waar geld te halen was. Het systeem werd ijverig gebruikt door keizers als Nero en Domitianus, die sowieso al op gespannen voet stonden met dit deel van de samenleving.

4. Urinator


In de oude Romeinse havenstad Ostia bevond zich een groep duikers die wel 30 meter diep konden duiken. Het enige wat ze meenamen was een klok met lucht. Deze duikers werden urinatores genoemd, omdat ze door de grote druk op hun lichaam vaak moesten plassen.

Urinatores stonden in hoog aanzien, omdat het een uiterst gevaarlijk beroep was. Het werk werd dan ook goed betaald. Om dezelfde reden werden urinatores vooral ingezet om kostbare ladingen van gezonken schepen en dergelijke te bergen.

Een kakstoel uit circa 1650.

5. Groom of the Stool

De Engelse koning Hendrik VIII van Engeland had een mannelijke bediende die nadat hij zijn behoefte had gedaan, zijn billen schoonveegde. De bediende moest aanwezig zijn als de koning plaatsnam op de zogenaamde kakstoel, en vervolgens onder de stoel kruipen om het koninklijke achterwerk schoon te maken.

Zo gebeurde het aan de meeste Europese hoven, maar Hendrik VIII maakte er een officieel beroep van.

Alleen zonen van edelmannen mochten dit werk doen. Het was een echte erebaan, omdat het toegang verschafte tot de privévertrekken van de koning.

De functie werd door de opvolgers van Hendrik VIII gehandhaafd en ontwikkelde zich tot een soort koninklijk privésecretariaat voor bijzonder vertrouwelijke aangelegenheden.

6. Paddenarts

Net als nu was de behandeling van huidziekten in de middeleeuwen een zeer specialistisch beroep.

De paddenarts behandelde elke huidaandoening met behulp van levende padden. De beesten werden in een linnen zak op de aangedane plek gezet, of in een zak om de hals van de patiënt gehangen totdat die was genezen.

De arts kweekte de padden zelf, zodat er altijd genoeg waren. Maar als hij krap zat, vond hij het ook geen bezwaar om een poot van een pad af te hakken, zodat de rest van het dier beschikbaar bleef voor andere patiënten.

De laatste paddenartsen praktiseerden in het westen van Engeland in de eerste helft van de 20e eeuw.

7. Dog whipper

In de 16e eeuw waren honden die op zondagochtend met hun baasjes meekwamen naar de kerk zo'n groot probleem geworden, dat de kerk besloot er iets aan te doen. De honden renden tijdens de dienst rond en leidden de aandacht af van de preek.

Om de rust te herstellen werden zogenaamde 'dog whippers' aangesteld, die bewapend met een zweep (whip) en een grote tang de hinderlijke dieren uit de kerk verjoegen.

De dog whippers waren in vaste dienst, maar werden betaald per weggejaagde hond. Daardoor werden ze echter wat al te fanatiek, en een aantal kerken besloot de regeling af te schaffen omdat de activiteiten van de dog whippers storender bleken dan de aanwezigheid van de honden.

Toen de lijkenroof escaleerde werd de beveiliging op kerkhoven opgevoerd met wachttorens, nachtwachten of speciale grafkooien, zoals hier op een kerkhof in Schotland.

8. Strafknaap

Lijfstraffen waren vroeger een vast onderdeel van het onderwijs. Onderwijzers waren ervan overtuigd dat een pak slaag met een Spaans riet het leervermogen ten goede kwam. Maar wat te doen met onmogelijke prinsen? Het stond in die tijd buiten kijf dat de koning was aangesteld door God en dat daarom alleen de koning een koningszoon mocht straffen.

In het 15e-eeuwse Engeland vond het hof zelf een oplossing: een strafknaap, die telkens wanneer de prins een fout antwoord gaf slaag kreeg. Een strafknaap kwam doorgaans van een goede, adellijke familie en groeide samen met de prins op. De gedachte was dat er zo'n nauwe band tussen de twee zou ontstaan, dat de prins zijn uiterste best zou doen om te voorkomen dat de strafknaap slaag kreeg.

9. Lijkenrover

Door de ontwikkeling van het anatomisch onderzoek in de 19e eeuw werd lijkenrover in heel Europa een lucratief beroep.

Bewapend met houten spaden, die minder geluid maakten dan metalen spaden, braken de lijkenrovers 's nachts verse graven open om lijken te stelen voor de verkoop. De straffen voor lijkenroof waren mild, dus het was het risico waard. Lijkenrovers moesten wel oppassen dat ze geen sieraden of andere kostbaarheden uit het graf meenamen, want daar stond een veel zwaardere straf op.

In de loop der tijd ontaardden de werkzaamheden in moord, omdat anatomen meer betaalden voor kersverse lijken. In 1832 had de Engelse regering er genoeg van en stelde ze een wet in die het mogelijk maakte om lichamen ter beschikking te stellen voor anatomisch onderzoek. Dat deed de lijkenroof als beroep de das om.

10. Porder

Toen de gewone burgers nog geen geld hadden om een wekker te kopen, konden ze een porder bestellen die hen 's ochtend wekte. Voor een luttel bedrag maakte deze de mensen wakker door met zijn stok op de voordeur of het slaapkamerraam te tikken.

Als de slaapkamer zich op de eerste verdieping bevond, gebruikte de porder een lange stok. De afspraak was dat de porder moest blijven porren totdat er een slaperig gezicht voor het raam verscheen. In de 19e eeuw stierf het beroep door de industriële revolutie langzaam uit, maar toch kwamen er in onder andere Amsterdam in de jaren 30 nog porders voor.

Bekijk ook ...