‘Wat wil jij worden als je later groot bent?’

Terwijl de kinderen van nu dromen van een carrière als sieraadontwerper, influencer of professionele gamer, konden ze in vroeger dagen kiezen tussen draagstoeldrager, harnassmid en planeetverkoper mét papegaai.

Terwijl de kinderen van nu dromen van een carrière als sieraadontwerper, influencer of professionele gamer, konden ze in vroeger dagen kiezen tussen draagstoeldrager, harnassmid en planeetverkoper mét papegaai.

G. Borgelli

1. HOFNAR – vernedering hoorde erbij

Eeuwenlang hadden vorsten een bediende die maar één taak had: leuk doen.

In het oude Rome nam de keizer graag een dwerg in dienst als hofnar. Die moest de gasten van de heerser vermaken met grappen en capriolen.

Vanaf de 10e eeuw was er aan steeds meer Europese hoven een hofnar actief. De lolbroek was te herkennen aan zijn kleurrijke pak met hanenkam en belletjes.

In de 18e eeuw begon de moraal te veranderen en kregen mensen medelijden met de hofnar. Op de meeste plaatsen werd de functie daarom afgeschaft.

© Pennsylvania Academy of the Fine Arts

De baan was meestal voorbehouden aan dwergen, gestoorden of kreupelen, en het salaris bestond uit kost en inwoning.

Hoe prettig het werk was, hing af van de vorst in kwestie. Nikolaus Ferry, dwerg en nar aan het Poolse hof in de 18e eeuw, kreeg ooit het verzoek een kasteelachtige taart te beklimmen tijdens een feestje, waarna de gasten hem bekogelden met snoepjes.

Volgens middeleeuwse handleidingen bestaat goed buskruit uit zes delen salpeter, één deel zwavel en één deel houtskool van lindehout.

© Shutterstock

2. BUSKRUITMAKER – urine maakte het veiliger

Het is niet bekend wanneer het buskruit precies naar Europa kwam, maar in 1267 beschreef de Engelse wijsgeer Roger Bacon als een van de eerste Europeanen de Chinese uitvinding waarmee je projectielen kon afvuren.

In de 14e eeuw was buskruitmaker een heel gewoon beroep. Deze ambachtsman moest salpeter, zwavel en houtskool mengen tot buskruit.

In het begin werden de ingrediënten zorgvuldig fijngestampt in een vijzel, maar toen de vraag in de 15e eeuw sterk toenam, verschenen er speciale kruitmolens. Meerdere kruitmakers mengden de ingrediënten in grote troggen, en het buskruit werd gemengd met behulp van grote balken die door een watermolen of ezel werden aangedreven.

Om te voorkomen dat hun product spontaan ontplofte, maakten de buskruitmakers het nat met water, wijn of urine. Als laatste werd het kruit gedroogd in de buitenlucht of in een speciaal drooghuis.

In de 19e eeuw werden de meeste buskruitmakers werkeloos omdat er betere springstoffen op de markt kwamen, zoals dynamiet in 1867.

3. SCHERPRECHTER – misdadigers raakten hun hoofd kwijt

De gehate en onderbetaalde baan ging over van vader op zoon.

© Look and Learn/Bridgeman Images

Als iemand in middeleeuws Europa ter dood veroordeeld was, kwam de scherprechter eraan te pas. Hij voerde executies door middel van onthoofding uit, maar ook straffen als radbraken, waarbij alle botten gebroken werden.

Volgens historici ontstond de functie in de 13e eeuw in steden omdat de machthebbers het liever niet zelf meer deden. De scherprechter en zijn familie werden met de nek aangekeken en kwamen bijvoorbeeld vaak de kerk niet in.

4. HARNASSMID – ridders hadden harnas nodig

Een harnas bestond uit vele onderdelen, die goed in elkaar moesten passen zodat ridders soepel konden bewegen tijdens een veldslag.

© Royal Armoury & shutterstock

Een harnassmid was een goed betaalde expert die metalen harnassen voor ridders maakte.

Toen het buskruit in de 13e eeuw ten tonele verscheen, voldeden maliënkolders niet meer en stonden ridders te springen om een harnas dat hun hele lichaam afdekte. De harnassmid werd een populaire ambachtsman, die zijn rijke klanten met hamer en aambeeld in het metaal stak. Als de stalen platen met leren riemen aan elkaar waren gebonden, liet de smid het harnas polijsten en soms versieren met goud.

Toen vuurwapens in de 17e eeuw te krachtig waren geworden, moest de harnassmid op zoek naar een nieuwe baan.

Hendrik VIII van Engeland werd rondgedragen in een draagstoel. Naar verluidt waren daar vier sterke mannen voor nodig – de koning was nogal zwaarlijvig.

© Look and Learn/Bridgeman Images

5. DRAGER – lopen was een baan

Voordat bakfietsen en busjes het overnamen, moesten handelaren en ambachtslieden hun waren te voet naar de klant brengen. Daarom bestonden er tal van baantjes waarvoor je alleen maar hoefde te kunnen lopen.

Pottendrager

In het 18e-eeuwse Hamburg liepen vrouwen en mannen rond met een emmer waarin mensen tegen betaling hun behoefte konden doen. De pottendrager schermde zijn klanten af voor nieuwsgierige blikken.

Lantaarndrager

In de 17e en 18e eeuw liepen in Parijs en Londen ’s nachts lantaarndragers rond om de donkere straten te verlichten.

Er was echter wel een verschil tussen de twee steden: de Parijse lantaarndragers werkten samen met de politie en briefden overtredingen door, terwijl hun Londense collega’s juist voor misdadigers werkten. Dit beschreef de historicus William Sidney in 1892:

‘Op aanwijzing van hun kompanen doofden ze hun lantaarn en verdwenen ze in de duisternis.’

Draagstoeldrager

Als alternatief voor de koets was de draagstoel een hit in 17e-eeuwse steden – van Turijn tot Brussel en Londen.

Een draagstoel bestond uit twee draagstokken en een gesloten coupé met deur en ramen, waar de klant ontspannen kon plaatsnemen in een leunstoel. Twee dragers pakten de stokken, eentje voor en eentje achter, en droegen de klant naar zijn bestemming.

6. BRIEVENSCHILDER – kunst werd een sjabloon

Sinds de 11e eeuw illustreerden monniken religieuze geschriften met ganzenveer, inkt en penseel, en rond 1400 ontstond er een markt voor niet-religieuze tekeningen en schilderingen, o.a. op brieven.

Vanuit hun kleine werkplaatsen probeerden Duitse brievenschilders aan de vraag te voldoen. Ze produceerden fraai uitziende documenten, wenskaarten, kalenders, wapenschilden en speelkaarten.

De brievenschilders tekenden hun ontwerpen en kleurden ze in, vaak met behulp van een sjabloon. Toen er houten stempels kwamen, konden ze ontwerpen in massaproductie nemen.

Brievenschilders haalden inspiratie uit de kleurrijk versierde geschriften van de middeleeuwen.

© Cleveland Museum of Art

Letters en illustraties werden in houten blokken gesneden, waarmee brievenschilders zogeheten blokboeken maakten. Een pagina werd in één keer gedrukt.

Hoewel Johannes Gutenberg in 1455 de boekdrukkunst met losse letters uitvond, bleven de brievenschilders tot in de 16e eeuw actief. De laatste blokboeken dateren uit circa 1530.

De voorspellingen van planeetverkopers leken op de briefjes uit Chinese gelukskoekjes.

© The Picture Art Collection/Imageselect

7. PLANEETVERKOPER – papegaai bracht geluk

In de Oostenrijkse hoofdstad Wenen kon je begin 20e eeuw zogenoemde planeetverkopers tegenkomen. Die brachten echter geen hemellichamen aan de man, maar horoscopen, voorspellingen en gelukbrengende brieven (Planeten genoemd) met lotnummers waarmee de koper in de loterij kon meespelen.

Planeetverkopers struinden door de straten van Wenen en waren herkenbaar aan de kist die ze op hun buik droegen. Als een ‘planeet’ werd verkocht, stond er vaak een nieuwsgierige menigte omheen, want de planeetverkoper had een papegaai of muis die een willekeurige geluksbrief uit de kist viste.

Na de Tweede Wereldoorlog verdwenen de planeetverkopers uit het Weense straatbeeld. Maar in de Mariahilfer Straße hield de laatste het koppig vol tot hij in de jaren 1970 echt te oud was geworden.

8. SCHEEPSTIMMERMAN – arbeiders werkten zich dood op het dok

In de Europese havensteden bouwden timmerlieden eeuwenlang de vaartuigen die de wereldzeeën bedwongen.

Voor de komst van ijzeren schepen in de 19e eeuw werkten duizenden scheepstimmerlieden aan enorme houten zeilschepen.

© The Protected Art Archive/Imageselect

‘Het is alle maar eenigsints op de Scheepsbouw merkende Menschen genoegsaam kennelijk, dat de Scheepstimmeringe is een seer swaar werk, en tot welke, behalven alle de hulpmiddelen en Geweld-doende Instrumenten, de Menschelijke kragten ten hoogsten nodig sijn.’

Zo beschreef Cornelis van IJk in 1697 het werk van scheepstimmerlieden in zijn boek over de scheepsbouw. In de tijd van de ontdekkingsreizen werden houten schepen op grote, omheinde terreinen bij het water gebouwd.

Timmerlieden en knechten waren ’s zomers van vijf uur ’s ochtends tot zeven uur ’s avonds (en ’s winters van zes uur tot het donker) in touw, vooral met bijlen, hamers en zagen. Er was streng toezicht, en wie te laat kwam of zijn gereedschap beschadigde, was een uurloon kwijt.

‘Datse swaar werk moeten doen, veel ongemakken uitstaan, en daarom gesond en sterk dienen te wesen.’ Cornelis van IJk over scheepsbouwers

De bouw begon met het leggen van de kiel. Dan kwamen de voor- en achtersteven erbij, gevolgd door de spanten die het geraamte van het schip vormden. De spanten werden bekleed met planken. Net als al het andere hout werden de planken door twee mannen met een grote zaag uit boomstammen gezaagd.

Als laatste werd het schip ingesmeerd met pek en werden het dek en de schietgaten voor de kanonnen toegevoegd. Dan kon het te water gelaten worden. Masten, zeilen en tuigage werden aan de zeelieden overgelaten.

Volgens Van IJk was het werk extra zwaar omdat het in de buitenlucht plaatsvond. De scheepsbouwers waren aan weer en wind blootgesteld:

‘Datse swaar werk moeten doen, veel ongemakken uitstaan, en daarom gesond en sterk dienen te wesen.’

Scheepstimmerlieden bouwden de grote, zeewaardige schepen die in het zeiltijdperk door ontdekkingsreizigers en handelaren werden gebruikt. Bepaalde scheepstypen werden veelvuldig besteld bij de werven.

© Shutterstock

Galjoen

16e-18e eeuw: Dit schip bracht o.a. zilver van Amerika naar Spanje.

Shutterstock

© Shutterstock

Galjas

18e eeuw: Een galei met tot 32 riemen en zeilen.

Shutterstock

© Shutterstock

Karveel

15e-16e eeuw: In 1492 had Columbus twee karvelen bij zich.

Shutterstock

© Shutterstock

Bark

19e eeuw: Dit vaartuig was het dominante scheepstype rond 1800.

Shutterstock

9. BAROMETERMAKER – technische tovenaar voorspelde het weer

Na de ontdekking van de luchtdruk kon het weer voor het eerst voorspeld worden. De mensen stond in de rij voor een barometer.

In de 17e eeuw ontwikkelden uitvinders een manier om de luchtdruk te meten.

© Stefano Bianchetti/Bridgeman Images

In de eerste helft van de 17e eeuw ontdekten wetenschappers dat lucht een ‘gewicht’ heeft dat varieert met het weer, en dat met bijvoorbeeld kwik in een glazen buis gemeten kan worden.

Die ontdekking creëerde een markt voor een mobiele luchtdrukmeter, in 1663 ‘barometer’ gedoopt door de Ierse natuurkundige Robert Boyle.

Een van de eerste barometermakers was Otto von Guericke (1602-1686), wetenschapper en burgemeester van het Duitse Maagdenburg. In plaats van kwik deed hij echter water in zijn glazen buis. Een mannetje dreef op het water en wees de luchtdruk aan op een schaal op het glas.

Net als horlogemakers moesten barometermakers heel behendig zijn.

© David J. Green/Imageselect & Shutterstock

Mensen die afhankelijk waren van het weer, waren blij met de uitvinding, zoals de Duitse landbouwexpert Johann Georg Krünitz. In 1773 schreef hij enthousiast dat het instrument zijn leven makkelijker maakte:

‘De barometer is een zeer nuttig en belangrijk instrument, waarmee je op voorhand weersveranderingen kunt aflezen. Een tuinier en een boer kunnen daar rekening mee houden bij het planten, zaaien en oogsten.’

Ferdinand Raimund was een Oostenrijkse acteur en schrijver.

© Shutterstock

Weerman werd theaterster

In de 19e eeuw waren weersvoorspellers zo populair dat een barometermaker zelfs in het theater in de schijnwerpers werd gezet.

In Der Barometermacher auf der Zauberinsel uit 1823 van Ferdinand Raimund wordt de ambachtsman in een storm naar een eiland geblazen, waar hij magische gaven krijgt.

10. TOUWSLAGER – kleren mochten geen knopen hebben

Veel ambachtslieden, vooral in de scheepvaart, hadden vóór de industrialisatie behoefte aan kilometers touw. Dat maakte de touwslager.

Op een tot 400 meter lange lijnbaan werden garens van hennep tot lange strengen gemaakt, die in elkaar gedraaid werden tot een touw. Aan het uiteinde van de lijnbaan zat een hendel waarmee de touwslager en zijn knechten het touw konden draaien.

Touwslagers verdwenen in de 20e eeuw omdat touwen toen machinaal gemaakt konden worden.

© Shutterstock

De handwerkslieden droegen kleren zonder knopen, anders konden ze verstrikt raken in de touwen.

Al in 1265 waren er touwslagers actief in Hamburg, die vanuit de beroemde Reeperbahn in Sankt Pauli touwen naar allerlei landen exporteerden.

De beroemde Deense schrijver H.C. Andersen blonk in de 19e eeuw uit in de ‘zwarte kunst’.

© Odense Bys Museer & Shutterstock

11. SILHOUETTIST– hippe kunstenaars knipten papier

In de 18e eeuw bereikte de kunst van het silhouetknippen Frankrijk vanuit het Verre Oosten. De kunstenaars tekenden een omtrek op zwart papier en knipten die uit.

Een Franse lolbroek noemde de minimalistische kunstvorm naar de als gierig bekendstaande minister van Financiën, Étienne de Silhouette (1709-1767).

In heel Europa werd silhouetknippen een rage. Silhouetten vormden tientallen jaren lang een voorloper van de foto en waren te vinden in huiskamers en familiealbums.

12. PAARDENWISSELAAR – Geniepige kooplui verfden paarden

Voordat de auto en de tractor in de 20e eeuw het paard vervingen, kon een knappe koopman goud geld verdienen met paardenhandel.

© The Metropolitan Museum of Art

Als een paardenhandelaar op het platteland de naam had niet eerlijk te zijn, werd hij een ‘paardenwisselaar’ genoemd. Zo iemand ruilde en verkocht paarden, en meestal kreeg hij meer dan de dieren waard waren.

In 1822 beschreef paardenhandelaar Abraham Mortgens uit Dessau zijn geniepige methoden in het boek Die geheimen Künste der Rosstäuscher. Volgens Mortgens verfden wisselaars de manen en vacht van een oud paard om het er jonger uit te laten zien.

Een oude knol kon zelfs opgepept worden met een handje peper in de endeldarm, zo onthulde de oplichter:

‘Peper is de ware aard van de paardenhandel.’

13. ARTIESTENTROEP – talent bracht geld in het laatje

In de middeleeuwen vermaakten rondreizende artiesten de bevolking van de Europese steden.

© Shutterstock

Sinds de middeleeuwen kon je in grote steden troepen straatartiesten tegenkomen. Ze reisden van stad naar stad en vermaakten het publiek met allerlei kunstjes om de kost te verdienen.

Omdat maar weinig mensen konden lezen en schrijven, waren de reizende artiesten een belangrijke bron van nieuws en roddels. Door de gegoede burgerij werden ze echter met de nek aangekeken omdat ze zichzelf voor geld verkochten.

In de 20e eeuw, toen circussen en variététheaters opkwamen, kregen veel artiesten een vaste werkplek en verdwenen ze uit het straatbeeld.

Er was voor elk wat wils als er een troep straatartiesten naar de stad kwam.

© Shutterstock

Kunstenmakers

Gooiden met messen en zwaarden, jongleerden en spuwden vuur.

Shutterstock

© Shutterstock

Acteurs

Maakten priesters belachelijk en traden soms op als buikspreker.

Shutterstock

© Shutterstock

Dompteurs en muzikanten

Vermaakten het publiek met draaiorgels, dansende beren en gedresseerde honden.

Shutterstock

© Shutterstock

Ongenode gasten

Bedelaars, kwakzalvers en waarzegsters volgden de straatartiesten.

Shutterstock

Het goudhaantje van maar 9 centimeter is niet zo bang voor mensen en werd gevangen met een stokje met lijm op het uiteinde.

© Shutterstock

14. VOGELVANGER – vogels werden gelokt met lijm

Al in de oudheid bestond er een markt voor vogelveren voor de sier, vogels om in chique gerechten te verwerken en zangvogels voor vermaak. Vogelvangers hadden genoeg te doen, en bij hun werk gebruikten ze meestal lijm.

De Romeinse dichter Ovidius (43 v.Chr.-18 n.Chr.) wond zich op over de methode:
‘Bedrieg die vogels toch niet met een lijmstok!’

Ondanks het protest van Ovidius werden ook in de middeleeuwen vogels gevangen met lijm van bessen van de maretak. Die werd op takken gesmeerd die in lage struiken werden gestoken. De vogels werden gelokt door soortgenoten in kooitjes.

15. HOUTDRIJVER – mannen konden uitglijden

Tot in de tweede helft van de 20e eeuw transporteerden houtdrijvers boomstammen over de Europese rivieren. In nabijgelegen bossen werden de boomstammen samengebonden tot vlotten, die zo’n 10 meter breed en 25 meter lang konden zijn.

De houtdrijvers bestuurden hun tijdelijke vaartuigen – per stuk of in ‘treintjes’ van meerdere aan elkaar gebonden vlotten – met een lange stok aan de voor- en achterkant.

Het vervoer van hout over de rivieren verdween toen het Europese wegennet geschikt was voor vrachtwagens.

© Imagno/Getty Images

Er waren altijd twee drijvers aan boord, en op de grootste treinen liftten wel 20 man mee. Als een vlot groot genoeg was, was er zelfs ruimte voor extra lading of een betalende passagier.

Het werk werd vooral gedaan door jonge, sterke mannen die niet bang waren uitgevallen. Ze hadden ijzeren spijkers onder hun laarzen om te voorkomen dat ze uitgleden over de gladde stammen, maar regelmatig viel er iemand overboord in de snel stromende rivier.