In de 19e eeuw speelden kinderen een beslissende rol in de Britse industriële revolutie, waar ze circa een derde uitmaakten van de arbeidskracht. De industrie draaide dankzij kinderarbeid op volle toeren, maar veel kinderen werden voor het leven getekend.

© Library of Congress & Granger/Polfoto

Britse fabrieken buitten kinderen uit als slaven

De spinmachine werd in Groot-Brittannië uitgevonden – en bediend door duizenden kindarbeiders. Kinderen van zeven jaar zwoegden in de textielindustrie, waar slaag en afgerukte vingers aan de orde van de dag waren. Een van hen was Robert Blincoe, wiens tragische jeugd de Britten schokte.

3 mei 2017 door Boris Koll

Robert Blincoe van zeven is zich wild geschrokken. 

Het is zijn eerste werkdag voor de textielfabriek bij Nottingham, maar al in de deuropening deinst hij terug, starend naar een hels tafereel. 

Het lawaai van de spinmachines is oorverdovend. Zijn trommelvliezen doen zeer en hij wordt er bang van.

Maar de voorman zegt dat hij hem moet volgen, dus Robert gaat de fabriek in. De lucht zit vol katoenvezels, die zich meteen in zijn keel, ogen en neusgaten vastzetten. De jongen niest en hapt naar adem in de bedompte atmosfeer.

De katoenpluizen moeten verwijderd worden uit de machines, en dat wordt Roberts taak. 

Samen met zijn lotgenoten van zeven, die net zijn aangekomen uit het kindertehuis St. Pancras in Londen, moet hij de overtollige katoen weghalen uit de bewegende onderdelen van de spinmachine – terwijl die aanstaat. 

Het stopzetten zou maar geld kosten.

Voordat hij aan de slag gaat, weet de jongen nog een blik om zich heen te werpen. Het treft hem hoe afgetobd en vies de werkende kinderen eruitzien.

‘Velen waren een vinger kwijt, waarbij de huid er volledig was afgestroopt en je het bot kon zien,’ schreef Robert Blincoe later in een boek over zijn onthutsende leven als kindarbeider.

Maar voordat Robert zijn verhaal kon doen, moest hij 14 jaar door een hel met een afgehakte vinger, een vergalde jeugd en een broze gezondheid tot gevolg.

Het was één lange nachtmerrie die begon op deze augustusdag in 1799, want het kindertehuis St. Pancras had per contract vastgelegd dat de zevenjarige kinderen tewerkgesteld werden bij de fabriek Lowdham Mill bij Nottingham. 

Pas toen ze op hun 21e zeggenschap over hun eigen leven kregen, konden ze er weg.

Weeskinderen werken gratis

In het begin van de industriële revolutie werden machines nog door waterkracht aangedreven – de stoommachine was met de nodige kinderziekten behept.

Veel fabrieken waren gebouwd boven een beek die een schoepenrad aandreef. Werkkrachten waren erg schaars op het Engelse platteland, maar ondernemers losten dit op door arbeid van buiten te halen. 

Een voor de hand liggende optie was kinderen te ronselen in openbare kindertehuizen. Daar waren ze gewend aan discipline en nauwkeurigheid, en ze werkten gratis – kost en inwoning waren voldoende. 

Als een fabriekseigenaar deze kinderen vanaf hun zevende liet werken, kon hij rekenen op 14 jaar gratis arbeid.

In die tijd namen de Engelse parochies wezen op tot hun zevende, maar daarna moesten de kinderen werken voor de kost. 

Het probleem was dat er te veel wezen waren, waardoor kindertehuizen ze niet allemaal konden opnemen. Een werkgever die daar aanklopte, werd dus met open armen onthaald.

Al in het begin van de 19e eeuw werd er zware kritiek geuit wegens het feit dat kinderarbeid niet werd betaald. 

Burgers noemden het systeem ‘blanke slavernij’. De woordkeuze stelde de overheden voor een probleem, want slavernij was juridisch verboden in Engeland. 

Handige ambtenaren wisten er echter een draai aan te geven: technisch gezien waren de kindarbeiders geen slaven maar gewoon ‘leerlingen’, die een leertijd van 14 jaar voor de boeg hadden.

Alleen leerden deze kinderen niets, maar daarvoor sloot de overheid haar ogen. 

Sommige werkgevers stelden uit eigen beweging een leraar aan, maar over het algemeen kregen de wezen geen lees-, schrijf- of rekenles.

De hoofdmaaltijd was in Lowdham Mill een bijna niet te eten blauwige pap.

© Bridgeman & ALamy/Imageselect

‘Twee karren vol kinderen graag!’

Het weeskind Robert Blincoe bracht zijn eerste levensjaren in St. Pancras door, dat in het 19e-eeuwse Engeland te boek stond als workhouse (werkhuis). 

Vanaf jonge leeftijd werden kinderen hier op het werken in de industrie voorbereid. Zo moesten ze knijpers in elkaar zetten of artikelen verpakken. 

Robert was al op zijn zesde bij een schoorsteenveger in dienst, die het jongetje de schoorstenen van binnenuit liet schoonmaken.

In 1799 bestelde de eigenaar van de katoenspinnerij Lowdham Mill bij het weeshuis St. Pancras 30 kinderen. 

Ook Robert Blincoe ging mee, en hij had er wel zin in. Andere kinderen daarentegen waren diep ongelukkig. 

Ze kenden geen ander thuis dan St. Pancras, en bij de gedachte aan een onzekere toekomst moesten ze al huiveren.

Op de vertrekdag waren de taferelen hartverscheurend. De kinderen huilden en klampten zich aan hun verzorgers vast en smeekten om te mogen blijven: ‘Ik wil niet weg! Ik wil niet!’

Maar zonder pardon werden ze op twee wagens geladen, en daar gingen ze. De reis duurde drie etmalen, en er werd onderweg niet gestopt. Daardoor waren de kinderen al uitgeput toen ze eindelijk aankwamen bij Lowdham Mill.

Buurtbewoners kwamen kijken naar de nieuwe lading. Robert Blincoe hoorde twee van hen erover praten.

‘Wat een fijn stel kinderen. Ze hebben nog geen idee welk leven in slavernij hun te wachten staat,’ zei de ene.

‘Laat God hun genadig zijn,’ klonk het antwoord van de ander.

‘Hm. Niet echt een plek voor genade,’ merkte de eerste op.

De Londense kinderen werden in het weeshuis van de fabriek ondergebracht, waar er al zo’n 50 woonden. 

Meisjes en jongens sliepen gescheiden en hadden één bed per twee kinderen. In de eetzaal aten de kinderen drie maaltijden per dag.

Bij aankomst kregen de kinderen wat hompen roggebrood, die zo droog waren dat ze ze bijna niet konden doorslikken. 

Dat was de kennismaking met Lowdham Mill. Wat er de volgende dag gebeuren zou, wisten ze niet. Ze wisten alleen dat ze om vijf uur gewekt zouden worden.

Slaag moet kinderen stimuleren

In de Britse fabrieken hoorde geweld er gewoon bij, en Robert had al gauw zijn eerste pak slaag te pakken. 

Al na een paar weken gaf zijn voorman, ene mr. Smith, hem een paar flinke oorvijgen. Het was normaal dat kindarbeiders er met de zweep en het Spaanse rietje van langs kregen. 

Maar mr. Smith voedde de kinderen liever op met een welgemikte trap of een behoorlijke vuistslag.

‘Na de eerste paar weken was ik door de klappen gevlekt als een luipaard,’ wist Robert Blincoe jaren later nog.

Mr. Smith was geen op zich staand geval. De voormannen hadden losse handjes omdat ze naar resultaat werden beloond. 

Als de fabriek het maandelijkse productiequotum haalde, kregen ze een bonus. Zo niet, dan werden ze gekort en hing hun ontslag boven het hoofd.

Net als geweld waren ongelukken in de fabriek schering en inslag. Op een rampzalige dag in 1801 ging het mis met de 10-jarige Mary Richards, met wie Robert op St. Pancras was opgegroeid. 

Mary en Robert stonden zij aan zij te werken. Plotseling zat Mary’s vinger vast in de machine, die geen genoegen nam met het afrukken van een vinger – deze vrat ook haar hand op, en daarna haar arm en de rest van haar lichaam.

Mary krijste zich de longen uit het lijf en Robert probeerde de machine te stoppen, maar het ging te snel en hij was te laat. 

Het bloed spoot uit het lichaam van het meisje toen ze in de sneldraaiende machine vast kwam te zitten. 

‘Stop de machine! Stop de machine!’ riep Robert naar de voorman. Maar dat hielp niet. Mary’s gebroken schedel was het laatste dat Robert zag voordat hij flauwviel en op de fabrieksvloer in elkaar zakte.

Slechte longen: De lucht in de fabrieken zat vol katoenvezels. De longziekten die ze veroorzaakten, konden tot kanker leiden.

© Shutterstock, Library of Congress, Alamy/Imageselect

Na ongeluk gewoon doorwerken

De sterfte in Lowdham Mill was zeer hoog, wat de fabrikant niet aan de grote klok wilde hangen. In de buurt ging het gerucht dat hij overleden kinderen naar andere parochies smokkelde en in het geheim liet begraven. 

Door de kerkboeken te bestuderen hebben historici dit later bevestigd. Van 1783 tot 1802 kwamen er in Lowdham Mill 27 kinderen om, tegen ‘slechts’ zes kinderen in de naburige fabriek Cressbrook ­Cotton Mill.

Robert overleefde, maar 14 jaar zwoegen liet zijn sporen na. Kort na aankomst in de fabriek moest hij bij een geavanceerde machine een vakman vervangen. 

De machine was op een volwassen man afgestemd, en met zijn korte benen kon Robert niet eens bij de handgrepen.

Dat probleem werd opgelost met een kist om op te staan. Maar ­Roberts armen waren ook te kort, dus hij moest zich een flink eind uitrekken om bij de handgrepen te kunnen komen. 

Op die manier kon hij het onmenselijk hoge werktempo van de machine echter niet bijhouden.

Mr. Smith gaf Robert meermaals de volle laag, maar dat hielp natuurlijk niet – de armen van de jongen bleven te kort. Dat kon alleen maar slecht aflopen.

Op een dag, toen Robert na urenlang zwoegen zijn aandacht er niet meer bij had, sneed de machine ineens het topje van zijn wijsvinger eraf. Schreeuwend van de pijn riep hij om hulp; het bloed gutste op de vloer. 

Maar de volwassenen betoonden geen medelijden met hem – hij moest het stellen met de honende opmerking dat hij zo’n klungel was.

Robert moest zelf naar het dorp om uit te vogelen waar de dokter woonde. Daar slaagde hij gelukkig in. 

De arts hechtte zijn vinger, zodat het bloeden stopte. Hij was een deskundige in ongevallen op het werk, want rond het dorpje stonden een aantal textielfabrieken.

De ingreep verliep zonder verdoving, want de arts had geen andere middelen dan opium – en het leek hem een slecht idee de jongen onder de opium terug te sturen naar de gevaarlijke machine. 

En Robert moest hoe dan ook weer aan het werk. Zijn vinger deed vreselijk veel pijn, maar hij vermande zich – anders zou mr. Smith boos worden.

De machines waren voor volwassenen gebouwd, dus kinderen moesten hun werk staand doen. Het risico op een ongeluk achter een draaiende machine was aanzienlijk.

© Shutterstock, Library of Congress, Alamy/Imageselect

Kinderen zijn zwaar ondervoed

Bij aankomst in een fabriek waren de weeskinderen over het algemeen fit en gezond, maar na een aantal maanden was het een heel ander verhaal.

Wat hun gezondheid nog het meest aantastte, was de lucht in de fabriek. Die zat vol katoenvezels, die in de longen gingen zitten.

Daardoor kregen kinderen bijna altijd luchtwegziekten als astma, chronische bronchitis en longkanker. 

De kindarbeiders hadden daar meestal de rest van hun leven last van, tot aan hun – vaak vroegtijdige – dood.

Het schrale voedsel maakte het er niet bepaald beter op, en de kinderen in de

industrie kregen stelselmatig te weinig te eten. Het ontbijt bestond uit havermout gekookt in water. Tussen de middag aten de kinderen biscuits, en ’s avonds ook biscuits en soms gekookte aardappelen en een homp roggebrood. 

Dat was dag in dag uit het menu. Verse groenten en vlees zagen de kinderen vrijwel nooit. Zelfs zo zelden dat Robert Blincoe meer dan 20 jaar later nog wist op welke dag ze een hele plak bacon kregen.

Door de armzalige kost, lange, zware werkdagen en te weinig slaap begonnen de kinderen al snel te kwakkelen, en de ellende was ze aan te zien. 

Ze bleven achter in de groei en werden zelden zo lang als andere kinderen. 

De jongens in Lowdham Mill zagen er op hun 15e al uit als kleine oude mannetjes met hun gegroefde gezichtjes.

Robert besluit ervandoor te gaan

De zevenjarige Robert had uiteraard geen idee van de letter der wet, maar zijn aangeboren rechtvaardigheidsgevoel zei hem dat wat er in de fabriek gebeurde, niet goed kon zijn. 

Dus besloot hij iets te doen: hij wilde weg lopen uit de fabriek. En niet alleen om zijn eigen hachje te redden – hij zou hen allemaal redden. Hij wilde de paar honderd kilometer terug naar St. Pancras te voet afleggen. 

Daar zou hij de volwassenen vertellen hoe de weeskinderen werden behandeld in de fabriek. In zijn kinderlijke naïviteit was Robert er vast van overtuigd dat de volwassenen wel iets zouden doen als ze eenmaal de waarheid kenden.

De volgende morgen voegde hij de daad bij het woord. In een onbewaakt ogenblik glipte hij door de fabriekspoort, keek rond en zette het op een lopen. 

Hij kwam bijna 5 kilometer ver, maar was te zichtbaar in het landschap – hij zag eruit als een fabriekskind op de vlucht. Toen Robert langs een dorp kwam, vatte een kleermaker hem in de kraag en sleepte hem terug naar de fabriek.

Robert wist donders goed wat hem te wachten stond. Daarom smeekte hij de kleermaker tegen mr. Smith te zeggen dat hij niet te hard moest slaan. 

Dat deed de kleermaker, maar het haalde weinig uit. Zodra hij weg was, sloeg mr. Smith de jongen bont en blauw.

Toen Robert de volgende ochtend met een opgezwollen gezicht de eetzaal in kwam, staarden de andere kinderen naar hem met grote ogen vol bewondering. 

Dat hij dat had gedurfd! Met enige trots nam Robert plaats aan tafel.

‘Ik moet toegeven dat ik een zekere trots voel dat ik al als zevenjarige de moed had om tegen de onderdrukking in te gaan,’ zei Blincoe jaren later.

De omstandigheden voor kinderarbeid werden pas na jaren protest verbeterd.

© Getty Images

Vakbondsman avant la lettre

Toen Robert en de andere kinderen van St. Pancras in 1799 in Lowdham Mill aankwamen, zat de fabriek financieel al aardig aan de grond. 

In 1802 moest Lowdham Mill sluiten. Dat betekende niet dat de werkende wezen opgelucht konden ademhalen – integendeel. 

De vraag naar goedkope arbeidskrachten bleef, en de fabrikant Ellis Need­ham, de eigenaar van de textielfabriek ­Litton Mill in Derbyshire, nam ze over.

In de nieuwe fabriek verlangden de kinderen bijna terug naar mr. Smith. In de bewoordingen van Blincoe waren de jaren in Lowdham Mill ‘bijna behaaglijk’, in vergelijking tot wat de weeskinderen daarna voor hun kiezen kregen.

Voor Needham draaide alles om de winst, en hij had berekend dat het eten voor de kinderen een van de grootste kostenposten vormde. 

Daarom werd er in Litton Mill zozeer bespaard op voedsel dat de wezen constant honger hadden en het moesten stellen met varkensvoer, bladeren of wat ze maar konden vinden. ­

Onder de voormannen waren ook de sadistische zoons van Needham, die de kinderen geregeld aftuigden met riemen en touwen.

Als de kinderen te langzaam werkten, kregen ze voor straf metalen gewichten aan hun oren. En wanneer de voormannen zich verveelden, deden ze ‘spelletjes’, waarbij ze de kinderen voor de grap bijvoorbeeld teer te eten gaven.

Robert redde het ternauwernood, maar na een ongewoon hard pak slaag besloot hij in 1812 weg te lopen en bij een instantie aan te kloppen.

Zelfs na jaren van stelselmatige afranselingen en ondervoeding had Robert zijn sterke rechtvaardigheidsgevoel niet verloren. Hij wist niet dat de fabriek onwetmatig handelde, hij had gewoon hulp nodig.

Zo snel als zijn vermoeide benen hem konden dragen rende Robert weg van de fabriek, en na bijna een dag lopen en de uitputting nabij vond hij de plaatselijke magistraat mr. Thornhill, die de zwaar toegetakelde jongeman uitnodigde voor een hoorzitting de volgende dag.

Hier vond Robert een luisterend oor voor zijn naargeestige verslag.

Al konden de ambtenaren niet veel uitrichten om te helpen, ze gaven de jongeman een brief mee voor de fabrikant Ellis Need­ham, waarin ze hem met klem aanraadden zich aan de wet te houden.

De brief maakte niet al te veel indruk op Needham – hij pakte meteen een stok om de ongehoorzame arbeider ervan langs te geven toen deze terugkeerde in de fabriek. Maar ­Robert beschouwde de brief als ‘een ­magische talisman’.

Hij had eindelijk het bewijs dat er mensen op deze aardbol rondliepen die de openlijke onrechtvaardigheid niet zomaar over hun kant lieten gaan.

Een van de opvallendste voorvechters van de werknemersrechten in Engeland was geboren.

En het zou nog een aantal jaren duren, maar op een dag zou Robert ­Blincoe geschiedenis schrijven door zich voor betere arbeidsomstandigheden in Groot-Brittannië in te zetten. Hij zou zich nooit gewonnen geven!

Bekijk ook ...