De vragen die klanten stelden in het 15e-eeuwse Venetië waren verrassend modern.

© Bridgeman & Shutterstock

Venetië vond charterreis uit

In de 14e eeuw gingen Venetiaanse reders pakketreizen verkopen aan Europese pelgrims. De vrome toeristen werden de Middellandse Zee over gevaren naar Jeruzalem. Lang voor het massatoerisme van de 20e eeuw bood Venetië all-inprijzen en rondleidingen met gids aan.

Een gebalde vuist slaat hardop de stevige vergadertafel. ‘Zo kan het niet langer!’ roept de oudere ambtenaar van het bestuur van Venetië. ‘Voor de reputatie van de stad moet deze zaak onmiddellijk opgelost worden!’

Even eerder op deze dag in februari 1405 bereikte hem een verontrustend bericht: een groep pelgrims zou vanuit Venetië naar het Heilige Land vertrekken, maar kon geen schip vinden.

Nu willen ze naar de naburige stad Ancona om daar hun geluk te beproeven.

De Venetianen dreigen een grote deal mis te lopen – er zijn 100 pelgrims, die met gouden dukaten betalen. En als ze teleurgesteld worden, zullen ze kwaadspreken over Venetië en de goede naam van de stad als organisator van reizen naar Jeruzalem door het slijk halen.

De ambtenaar geeft opdracht om een galei met kapitein en bemanning klaar te maken voor vertrek. De pelgrims moeten en zullen terugkomen en aan boord gaan van het Venetiaanse schip.

Toerisme is een industrie

De christelijke reisdrang werd in het 15e-eeuwse Venetië heel serieus genomen. Met zijn goede service, degelijke schepen en vaste prijzen had de stadstaat de markt voor bedevaarten vrijwel geheel in handen.

Reeds in de 13e eeuw ontdekten Venetiaanse reders dat ze torenhoge prijzen konden vragen van kruisridders die de Middellandse Zee over wilden steken om voor de bevrijding van het Heilige Land te gaan vechten.

Als die kruisridders terugkeerden, schreven ze heroïsche verhalen over hun strijd tegen de moslims die Jeruzalem bezet hielden en over de vele Bijbelse plaatsen in het Midden-Oosten.

De geschriften werden gelezen door edelen en monniken, die ook op pelgrimstocht naar Jeruzalem wilden om de splinters van het kruis van Jezus en het graf waaruit hij met Pasen opstond, met eigen ogen te zien.

De pelgrims konden de route over land nemen, via de oude Romeinse wegen langs de Donau, door Roemenië, over de Bosporus en via Anatolië naar het Heilige Land.

Maar dat was een zeer hachelijke onderneming, want de Ottomanen, die Klein-Azië beheersten, behandelden de christenen uiterst wreed.

In de 14e eeuw kregen de pelgrims een aanlokkelijk alternatief. Het gerucht over de professionele reisorganisatoren in Venetië verspreidde zich als een lopend vuurtje, en de klanten stonden in de rij.

Honderd jaar later wist iedereen in Noord-Europa dat je in Venetië moest zijn als je naar Jeruzalem wilde.

Bij bosjes gingen de vrome avonturiers op pad vanuit het huidige Nederland, België, Duitsland, Scandinavië en Frankrijk.

Ze trotseerden de rovers en oplichters die de wegen onveilig maakten, en om zich beter te kunnen beschermen reisden de pelgrims bij voorkeur in grote groepen.

Tijdens zijn verblijf in Venetië tekende de pelgrim Arnold von Harff ‘uitdagend’ geklede vrouwen.

© Bodleian Library

Reizigers kijken hun ogen uit

In 1483 hadden vier Duitse edelen de dominicaner monnik Felix Fabri ingehuurd om hen naar Jeruzalem te brengen. Deze had de reis in 1480 al eens gemaakt en zou dus een goede gids zijn.

De reisleider wist dan ook waar de pelgrims naast struikrovers nog meer voor moesten uitkijken: hoteleigenaren en valutahandelaren in Venetië kon je niet vertrouwen, en vooral kapiteins van schepen waren schorriemorrie.

Felix Fabri en zijn groepje edelen en hun bedienden kwamen in de lente in Venetië. In dat jaargetijde was de stroom pelgrims altijd op zijn grootst.

Alleen al de aanblik van Venetië was adembenemend voor de Noord-Europese pelgrims, die vaak nog nooit een grote stad gezien hadden.

Felix Fabri was diep onder de indruk van de schoonheid van de paleizen, kerken en huizen in de stad:

‘Alles is versierd met afbeeldingen van adelaars, slangen, draken en leeuwen van witte, zwarte, gele, grijze en blauwe steentjes,’ kraste hij in zijn wastablet. Later zette hij zijn reisverhalen op papier en gaf hij ze in boekvorm uit.

Meteen na aankomst ging Fabri op zoek naar een verblijfplaats en een enigszins betrouwbare kapitein om mee te varen.

Hij stond er gelukkig niet alleen voor, want de Venetianen hadden gecertificeerde gidsen aangesteld, zogeheten tolomarii, die gasten hielpen met het zoeken van logies en het onderhandelen met de eigenaren van galeien.

Deze gidsen wezen de pelgrims de weg naar hotelleria’s als Het Witte Paard, De Kreeft of De Witte Leeuw, die schone bedden hadden en goede maaltijden opdienden. En als de gasten dat wilden waren er prostituees beschikbaar.

Ook de andere Venetiaanse vrouwen maakten indruk op de reizigers, die heel iets anders gewend waren. In Noord-Europa waren de middeleeuwen nog lang niet voorbij, maar in Venetië was de blijmoedige renaissance al aangebroken.

‘De vrouwen tonen zo veel mogelijk van hun borst en schouders – zo veel dat ik een paar keer bang was dat ze hun kleren zouden verliezen,’ schreef de Franse pelgrim Philippe de Voisins.

‘Ze beschilderen hun gezicht en dragen grote hoeveelheden gekruld haar, dat voornamelijk vals is,’ kon de Franse reiziger bovendien melden.

‘En ik weet het zeker, want ik heb het met eigen ogen gezien op de markt op het San Marcoplein. Ik vroeg nog naar de prijs en deed of ik iets wilde kopen, hoewel mijn baard lang en wit is.’

Inkopen voor de grote reis

De gidsen brachten de pelgrims ook naar het marktplein, waar ze boodschappen konden doen voor de scheepsreis.

Zo hadden ze een matras nodig en een touw om het overdag op te hangen, een vat voor drinkwater, een levende kip in een kooi, een tonnetje wijn en parfum om de stank aan boord te camoufleren.

Daarnaast deden de tolomarii dienst als tolk en hielpen ze met het wisselen van geld. De pelgrims kregen te horen dat er tussen Venetië en Jeruzalem alleen betaald kon worden met Venetiaanse dukaten.

Maar de reizigers kwamen er al snel achter dat de wisselkoers wel heel sterk fluctueerde.

Ook de kapiteins van de galeien werden met Venetiaanse gouddukaten betaald, en de pelgrims moesten stevig met hen onderhandelen.

Het waren gehaaide zakenlieden, maar ze waren wel aan regels gebonden. Al in de 13e eeuw had Venetië een wet aangenomen die galei-eigenaren verplichtte zich te registreren, lijsten van hun passagiers bij te houden en onder een witte vlag met een rood kruis te varen om neutraliteit aan te geven.

Zo wilde het stadsbestuur de pelgrims beschermen – en daarmee de reputatie en inkomsten van de stad.

Alles is in de prijs inbegrepen

De kapiteins hadden kraampjes op het San Marcoplein – met hun eigen logo erop. Toen Felix Fabri in 1483 naar Venetië kwam, waren de Ottomanen Rodos aan het belegeren en voeren er overal oorlogsschepen.

Daarom mochten er slechts twee galeien uitvaren.

Fabri kon kiezen tussen kapitein Pietro Lando, die 45 gouden dukaten voor de overtocht wilden hebben, en Agostino Contarini, die er maar 42 vroeg.

Bereidwillig toonden beide kapiteins hun galei, terwijl ze op Alexandrijnse specialiteiten en Kretenzische wijn trakteerden.

Tijdens hun verkooppraatje somden ze op wat de pelgrims allemaal kregen voor hun geld: naast de overtocht zelf hadden ze recht op twee maaltijden per dag, tolken en stadsgidsen in Jeruzalem en een visum zonder verdere kosten.

De prijs was dus, om in moderne termen uit de charterwereld te spreken, all-inclusive.

Fabri koos voor de nieuwe galei Landa van kapitein Lando, die nog niet stonk naar urine en zweet van passagiers.

Door schade en schande wijs geworden liet Fabri een contract opstellen dat de kapitein moest ondertekenen als garantie dat hij zich aan de afspraken zou houden.

In het document stond ook dat lokale franciscaner monniken klaar zouden staan met ezels als de galei aanliep in de havenplaats Jaffa in het Heilige Land. Vanuit Jaffa ging de reis verder per ezel.

Geduld en drie portemonnees

Tot grote ergernis van Fabri moesten hij en zijn gevolg echter eerst een maand doorbrengen in Venetië voordat de Landa klaar was voor vertrek.

Om de honderden wachtende pelgrims bezig te houden organiseerde het stadsbestuur uitstapjes naar kerken met fraaie fresco’s of indrukwekkende collecties van relikwieën.

Fabri becijferde dat hij in totaal 17 uitgedroogde lichamen en talloze hoofden, handen en vingers had gezien die als heilige relikwieën bewaard werden.

Elke extra dag in Venetië kostte echter geld, en daar waren de pelgrims niet over te spreken. De meesten waren niet al te rijk, en de reis was al duur genoeg.

Een van de reizigers klaagde: ‘Wie op bedevaart wil, moet drie gevulde portemonnees bij zich hebben: een met geduld, een met vertrouwen en de laatste met geld.’

Reizigers die geen geld te besteden hadden, gebruikten de wachttijd om moed te verzamelen voor de zeereis, want velen waren doodsbang voor de onbekende wateren. Die waren als de eeuwigheid: vormeloos en oneindig.

Als de pelgrims met een jol naar hun galei werden gebracht, hieven ze een lied aan om moed te vatten. ‘Wij varen in naam des Heren, laat zijn goedheid ons helpen en het Heilige Graf ons beschermen. Here, bezie ons in genade,’ zongen de vrome gelovigen.

Pelgrims kiezen het ruime sop

Eindelijk voer de Landa uit. Er waren 330 man aan boord: zo’n 180 van hen waren pelgrims, de rest kooplui, roeiers, kanonniers, soldaten, matrozen en bedienden.

Ook waren er een arts, een wapenmeester, een barbier, een priester en een hofmeester, die voor eten zorgde.

Venetië bezat koloniën langs de kust van de Balkan en op de Griekse eilanden. In elke aanloophaven kwam er een loods aan boord, die meevoer tot aan de volgende haven.

De kapitein bepaalde de route, en hij had – net als de rest van de bemanning – zijn eigen handeltjes om rekening mee te houden.

Het laadruim was altijd te klein, en sommige passagiers ontdekten dat hun bagage was gelost om plaats te maken voor nieuwe lading. Afhankelijk van het weer en de prioriteiten van de kapitein duurde de reis 5 tot 8 weken.

Piraten en Ottomanen kaapten de Venetiaanse galeien regelmatig.

© rex/all over

Slaapzaal op het onderste dek

Als de pelgrims hun schip voor het eerst zagen, waren ze diep onder de indruk. Er waren drie dekken.

Op het middendek zaten de roeiers, en het onderste dek vormde de slaapzaal van de reizigers.

Maar zodra ze daar een plaatsje veroverd hadden, verdween hun enthousiasme als sneeuw voor de zon. Het was er een krappe bedoening.

De pelgrims lagen in twee lange rijen op het matras dat ze zelf hadden meegebracht, met het hoofd naar de zijkant van het schip en de voeten naar het midden, waar hun bagage stond.

Naast elk matras stond een po, waar de reizigers ook in konden overgeven. Omdat er zo weinig ruimte was op het slaapdek werd er echter geregeld eentje omgestoten door een zeezieke opvarende die even een luchtje ging scheppen op het bovendek van de galei.

’s Nachts was het stikheet op het onderdek. Er waren muggen, er hing een ondraaglijke stank en de paarden die er ook stonden waren onrustig.

Geruzie op een overvol schip

‘De rust wordt ook verstoord door lieden die snurken, schreeuwen in hun slaap of om zich heen maaien, en door zieken die kermen, spugen en hoesten,’ schreef Felix Fabri.

Maar het eindeloze gekijf was het ergste: ‘Als de pelgrims gaan slapen, is het een gekrakeel van jewelste.

Er waait stof op, de buurman heeft er last van, de boosdoener ontkent, maar de ander blijft kwaad. Iedereen haalt zijn vrienden erbij, en af en toe ontstaat er een grote vechtpartij.’

De vele nationaliteiten aan boord konden elkaar soms niet luchten of zien. Fabri zag hoe pelgrims elkaar met een dolk of zwaard bedreigden.

En zelfs een praatje over koetjes en kalfjes kon de lont in het kruitvat zijn: ‘Als het eindelijk rustig is, besluiten sommigen om wat langer op te blijven en iedereen uit hun slaap te houden met hun licht en geklets. Ik zag boze pelgrims op de lampen plassen, wat weer tot stampij leidde.’

De twee contractueel vastgelegde maaltijden per dag waren vaak nauwelijks eetbaar, zo meldde de Duitse pelgrim Konrad Grünemberg, die in 1486 reisde.

‘Het is onmogelijk om verzadigd te raken van de twee dagelijkse maaltijden. Het vlees dat de kapitein serveert is van schapen die niet zijn geslacht, maar van de honger omgekomen. Wie dit vlees ziet, vergaat alle eetlust.

Het brood bestaat uit oud beschuit, zo hard als steen en vol maden, spinnen en rode wormen. Op vrijdag en zondag serveert de kapitein vis met olie, meel en erwten. Zijn wijn is lauw als badwater en smaakt vreselijk.’

De pelgrim Arnold von Harff tekende mensen die hij tegenkwam op zijn reis naar Jeruzalem en maakte een taalgidsje.

© Bodleian Library

Lallende pelgrims schoppen herrie

De reizigers konden beter eten krijgen door de kok te betalen, en er werd volop onderling gehandeld met meegebracht voedsel, bijvoorbeeld met de eieren van de kippen die velen bij zich hadden.

Daarnaast boden de havens van de Griekse eilanden die het schip aandeed allerlei exotische voedingswaren.

Op Kreta maakten de pelgrims kennis met citroenen en meloenen, en de kooplui op het eiland boden een zoete wijn aan die zo goedkoop was dat pelgrims lallend teruggedragen moesten worden naar de wachtende jol in de haven.

De vrome toeristen roken voor het eerst in hun leven de geur van cipressen, en wie Rodos aandeed, kon zijn hart ophalen aan relikwieën.

In de Johannes de Doperkerk bevonden zich een bronzen kruis, gemaakt van het vat waar Jezus de voeten van zijn discipelen in gewassen had, de rechterarm van de heilige Sint-Bartholomeus en een gouden kleed dat was geweven door Sint-Helena zelf.

Het verblijf in aanloophavens duurde de meeste pelgrims te lang. De reizigers op de galei van Fabri wonden zich op over een stop op Korfoe en wilden niet horen dat de kapitein wachtte omdat er Ottomaanse schepen de weg versperden.

40 opvarenden van de Landa verlieten het schip en keerden terug naar Venetië, waar ze het valse gerucht in omloop brachten dat de overige passagiers door de Ottomanen gegijzeld waren.

Toen Fabri een paar maanden later terugkeerde, vernam hij dat er meerdere dodenmissen voor hem waren gehouden.

"Land in zicht!"

De galei Landa wist de Middellandse Zee over te steken zonder door Ottomanen of piraten belaagd te worden.

Op een zonnige ochtend doemde de kust van Palestina op en waren de ruïnes van de oude stad Jaffa aan de horizon te zien. Eindelijk was de zeereis voorbij.

De uitkijk wekte de pelgrims met een plechtig bericht: ‘Mijne heren, sta op en verzamel u op het dek. Ziedaar, het land waarnaar u zo verlangt, is in zicht!’

Bij het ontschepen in de haven van Jaffa stonden de bemanningsleden op een rijtje om hun fooi in ontvangst te nemen. De pelgrims moesten opnieuw in de buidel tasten.

Jaffa was meerdere keren verwoest, en juist om die reden viel de havenstad in de smaak bij de Franse pelgrim Louis de Rochechouart:

‘Eerst verwoest door Titus en Vespasianus omdat het de eerste haven in het christelijke land was die ze aandeden.

Toen verwoest door Godfried van Bouillon. Voor de derde keer verwoest door de Moren toen ze zagen dat de christenen erheen kwamen. Alle torens en muren zijn tot kleine stukjes puin afgebroken, en dat is een prachtige aanblik,’ schreef hij in 1461.

Het Heilige Land, dat in de 15e eeuw onder de Egyptische grootsultan viel, was een gevaarlijke plek voor een christelijke pelgrim.

Toen het reisgezelschap van Felix Fabri aan land ging, werden ze onthaald door een ‘schare van gewapende mannen – zo veel dat het hele aardoppervlak ermee bedekt was’.

De leider van de islamitische troepen legde uit dat vijandelijke bedoeïenen uit de woestijn waren gekomen en iedereen die ze zagen beroofden.

De soldaten waren naar de haven gekomen om de pelgrims naar de franciscaner monniken in Ramla te begeleiden, zo’n 15 kilometer land-inwaarts op de stoffige weg naar Jeruzalem.

De Egyptische sultan was net als de Venetianen erop gebrand om het de pelgrims, die geld in het laatje brachten, naar de zin te maken, maar hij was ook beducht voor eventuele spionnen in hun gelederen.

Een invasie lag altijd op de loer, en voordat de pelgrims een bulletta kregen – een visum dat ze te allen tijde bij zich moesten dragen – werden hun namen op een lijst geschreven.

Terwijl het papierwerk in orde werd gemaakt, konden de reizigers geen kant op. Een Fransman sliep in 1486 met 200 anderen twee nachten in een grot.

‘Het was een zwijnenstal, waar de Saracenen (de moslims, red.) gewoon hun behoefte deden. Je kon niet naar buiten om te plassen zonder de wachten te betalen. Mensen werden in elkaar geslagen, en een Duitse ridder viel flauw.’

Uiteindelijk werd de Fransman met zijn reisgenoten op een ezel gezet en konden ze verder – nadat ze de ezeldrijvers iets hadden toegestopt.

Omdat alle vervoerskosten bij de prijs inbegrepen waren, weigerden sommige toeristen te betalen. Zij werden weer van hun ezel gehesen en moesten de reis te voet vervolgen.

De pelgrims waren dan ook opgelucht toen ze eindelijk in Ramla aankwamen en onthaald werden door de franciscanen.

De reizigers werden ondergebracht in het gastenverblijf van het klooster op de Zionberg, het zogeheten hospies.

We zijn er! De pelgrims wierpen zich op hun knieën bij de aanblik van de Heilige Stad, waar moslims woonden.

© Scala Archives

Rovers in de woestijn

In de woestijnstad Ramla stonden de eerste excursies op het programma. Zo bezochten de toeristen de plek waar Sint-Joris de marteldood stierf.

Ze moesten veel moeite doen om alles te krijgen waar ze voor betaald hadden, maar omdat Fabri de afspraken zwart op wit had, had hij wat in te brengen tegen de gidsen die niet deden wat ze beloofd hadden en dreigden dat de pelgrims door boze moslims gestenigd zouden worden.

En dat was niet uit de lucht gegrepen: het lompe gedrag van de toeristen was de bevolking een doorn in het oog.

Het laatste stukje naar Jeruzalem ging weer per ezel door de woestijn. Voor de Noord-Europeanen was de hitte haast ondraaglijk, en sommigen bezweken eraan.

En in de woestijn loerden ookandere gevaren, zoals de joodse pelgrim Meshullam ben Menahem ondervond:

‘Er liggen telkens mensen in het zand in een hinderlaag. Twee of drie dagen liggen ze daar te wachten zonder eten en drinken.

Als ze een karavaan zien, roepen ze hun kompanen, springen ze op hun paard en rijden ze eropaf.’

Toen na al die omzwervingen eindelijk Jeruzalem in zicht was, waren de pelgrims aan het eind van hun Latijn.

Ze hadden er duizenden kilometers op zitten – over de onstuimige zee, door vreemde landen en de brandende woestijn – en dat allemaal om de plaats te zien waar Jezus was herrezen.

Ze lieten de tranen dan ook de vrije loop. Sommigen knielden om de grond te kussen. Ze hadden het doel van hun charterreis bereikt.