Andrew Carnegie werd rijkste man ter wereld

In 1848 kwam de 12-jarige, straatarme Andrew Carnegie aan in de VS. Hij ging een paar keer bijna failliet voor hij een enorm zakenimperium opzette. Maar toen Carnegie met pensioen wilde gaan, ging het mis.

26 oktober 2015

Olifant testte stalen brug van Andrew Carnegie

Een olifant steekt nooit een onveilige brug over. Die woorden bleven in de lucht hangen terwijl de dompteur het grote dier naar de brug leidde. Nu stond de olifant op de plek waar de brug van de grond kwam en dunne stalen bogen over de Mississippi stuurde.

De duizenden toeschouwers hielden hun adem in, maar één van hen was nog nerveuzer dan de rest. Want voor Andrew Carnegie was het van groot belang wat de olifant nu zou doen. De gedreven zakenman had het staal van de Eadsbrug in St. Louis geleverd, en op deze julidag in 1874 werd het getest.

De brug was met zijn lengte van bijna 2 kilometer de langste boogbrug tot dan toe. Daarnaast was hij van het nieuwe materiaal staal gemaakt, waar de mensen weinig vertrouwen in hadden. Konden die dunne stalen balkjes het gewicht van wagens en treinen wel dragen?

Al geloofden de meesten niet dat de olifant een zesde zintuig had, als het dier aarzelde zou dat een zware klap zijn voor Carnegie. Hij was tijdens de bouw al een paar keer bijna failliet
gegaan, en een slechte pers kon zijn bedrijf de das omdoen. Ingespannen zag hij hoe de olifant rustig een paar passen zette op de brug. Carnegie kon opgelucht ademhalen.

Twee weken later kwam de echte vuurproef: 14 locomotieven denderden achter elkaar over de brug. Maar toen had Carnegie al genoeg aandacht in de pers gehad om zijn bedrijf te redden en er een succesvolle onderneming van te maken. In de jaren die volgden werd van het staal van Carnegie de ene na de andere wolkenkrabber en spoorbrug uit de grond gestampt. Zijn manier van bedrijfsvoering veranderde de zaken-wereld van de VS voorgoed, en de Schot zelf werd de rijkste man ter wereld.

Armoede dreef Andrew Carnegie naar de VS

De wereld van stalen bruggen en flats stond in schril contrast met Dunfermline, het Schotse plaatsje waar Carnegie in 1835 was geboren. Het was een slaperig dorp, al waren er in de loop der jaren steeds meer textielfabrieken gekomen.

Die fabrieken brachten het gezin Carnegie slechts onheil. Vader Carnegie was wever, en hij kon het hoofd niet meer boven water houden vanwege de goedkope producten uit de fabriek. Toen Andrew Carnegie 12 was, vertrok het gezin dan ook naar de VS.

Toen de jongen in Pittsburgh aan de Amerikaanse oostkust arriveerde, wilde hij iets van zijn leven maken: ‘Het staat in mijn ziel gegrift hoe mijn vader om werk moest bedelen. Toen besloot ik dat ik daar iets aan zou doen zodra ik een volwassen man was,’ schreef Carnegie later in zijn autobiografie.

Andrew Carnegie had nog geen voet op Amerikaanse bodem gezet of hij had al een baantje te pakken: op een lokale textielfabriek moest hij garenklossen in een oliebad dompelen. De jonge immigrant vond het maar een smerig klusje. ‘Ik was voortdurend misselijk van de walm van de olie,’ schreef Carnegie. Maar hij was allang blij dat hij nu zelf geld verdiende, en nam het ongemak op de koop toe: ‘Later heb ik miljoenen verdiend, maar mijn eerste weekloon heeft me het gelukkigst gemaakt.’

Spoorwegen hadden de toekomst

Gelukkig hoefde Carnegie niet lang in de textielfabriek te blijven. In Pittsburgh woonden veel Schotse immigranten, die pas aangekomen landgenoten altijd zo veel mogelijk hielpen.
Algauw kon Carnegie aan de slag op een telegraafkantoor. Het bureauwerk paste veel beter bij Carnegie dan het gezwoeg in de fabriek:

‘Het was alsof ik in het paradijs kwam. Er ging geen minuut voorbij of ik stak iets op, en ik ontdekte hoeveel er te leren was en hoe weinig ik wist. Ik stond met mijn voet op de onderste sport van de ladder en was aan mijn klim omhoog begonnen.’

Op het telegraafkantoor werd hij ontdekt door Thomas Scott, de directeur van het westelijk deel van het grootste bedrijf ter wereld, de spoormaatschappij Pennsylvania Railroad. Ook Scott was een Schot, en in 1852 nam hij Carnegie aan als secretaris. Nu was de loopbaan van de jongeman pas echt begonnen.

Midden 19e eeuw boden spoorweg- en telegraafmaatschappijen de beste mogelijkheden om carrière te maken en de top te bereiken. De twee nieuwe bedrijfstakken waren bezig het land grondig te veranderen. In 1830 klonk de fluit van de eerste Amerikaanse stoomlocomotief, en sindsdien werd de ene na de andere spoorlijn aangelegd.

Tegen 1852 lag er meer dan 14.000 kilometer spoor. Langs de rails kwamen telegraafpalen, waarmee berichten in een paar minuten over grote afstanden konden worden verstuurd.

De ijverige en ambitieuze Carnegie werd al snel bevorderd tot inspecteur. Hij moest ervoor zorgen dat de treinen bleven rijden. De Pennsylvania Rail­road liep door de bergen, en Carnegie had zijn handen vol aan ontsporingen door steen- en sneeuwlawines. Hij moest er teams op afsturen om het spoor vrij te maken, terwijl hij zelf een andere trein regelde.

Carnegie zag snel in dat het uitbaten van spoorlijnen alleen rendabel was als de kosten zo laag mogelijk waren en het materieel zo nieuw mogelijk en betrouwbaar was. Zijn ervaring bij de spoorwegen zou Carnegie later goed van pas komen.

Aandelenhandel legde Carnegie geen windeieren

Carnegie leerde niet alleen hard werken en bezuinigen bij de spoorwegen. In 1856 adviseerde zijn baas Thomas A. Scott hem om 10 aandelen van het nieuwe transportbedrijf Adams Express Company aan te kopen.

Hiertoe moest Carnegie 600 dollar lenen, en hij had zijn bedenkingen, maar hij vertrouwde zijn baas. Daar zou hij geen spijt van krijgen. Toen de cheque binnenkwam met de eerste winst van 10 dollar, sprong hij een gat in de lucht: ‘Het was voor het eerst dat ik iets verdiend had zonder me ervoor uit de naad te werken. Eureka, riep ik. Dit is de kip met de gouden eieren,’ schreef Carnegie in zijn autobiografie.

Carnegie kocht van de opbrengst aandelen in andere bedrijven, en begin jaren 1860 stegen de koersen en groeide zijn vermogen als kool. In 1863 ging de Amerikaanse Burgeroorlog zijn derde jaar in, en het Noorden was duidelijk aan de winnende hand. Carnegie stak een deel van zijn geld in olie en streek enorme winsten op.

Hij voorzag dat er tijdens de wederopbouw na de oorlog volop geïnvesteerd zou worden in spoorlijnen en bruggen. In 1865, tegen het eind van de oorlog, nam hij dan ook ontslag om zelf een bedrijf op te richten: de Keystone Bridge Company.

De ijzeren bruggen die dit bedrijf maakte voorzagen in een grote behoefte, want de tot dat moment houten spoorwegbruggen vlogen nogal makkelijk in brand. De vonken uit de schoorstenen van de locomotieven deden het droge hout ontvlammen, en als een brug verwoest was, konden er soms wekenlang geen treinen over het traject rijden. Maar de ambities van Carnegie hielden niet op bij het bouwen van brandvrije bruggen. Hij zag grote mogelijkheden in de ongekende bouwwoede. Maar dat zou de Schot duur komen te staan.

Excentriekeling toonde Carnegie de kracht van staal

Carnegie ontmoette de ingenieur James Eads, die hij ‘een oorspronkelijk genie’ noemde, ‘zonder de wetenschappelijke kennis die zijn doorgeschoten ideeën over mechanische zaken temperde’. Een van die ideeën behelsde het gebruik van staal voor de bogen van bruggen.

Staal was een nieuw materiaal, dat niet vaak bij grote bouwprojecten werd toegepast. Het mengsel van ijzer en koolstof was sterker dan welk ander materiaal dan ook, maar vanwege het trage productieproces was staal erg duur. Eads bleef Carnegie echter aan het hoofd zeuren, en uiteindelijk gaf de industrieel toe. Nu moest hij op zoek naar goedkope staven staal. Hij nam contact op met Henry Bessemer, een staalproducent uit het Engelse Sheffield die hij eens was tegengekomen.

Bessemer had een manier ontwikkeld om beter en goedkoper staal te maken. Eerder nam de productie van een rail enkele dagen of zelfs weken in beslag, maar nu nog maar een kwartiertje, en de prijs was ook nog eens lager. Maar desondanks bleef Carnegie regelmatig in gebreke bij Bessemer en moest hij zijn crediteuren smeken om hem meer tijd te geven om zijn rekeningen te voldoen.

Dat kreeg hij, en in juli 1874 liep de olifant over de Eadsbrug. 300.000 Amerikanen waren bij de opening, en een bankroet was afgewend.

Chemicus opende de ogen van Andrew Carnegie

Nu besefte Carnegie dat staal de toekomst had, en een jaar na de opening van de Eadsbrug begon hij als eerste in de VS zijn eigen staal te produceren volgens de principes van Bessemer.

Hij opende de Edgar Thomson-fabriek in Pittsburgh tijdens een van de ergste economische crises die de VS gekend had, maar Carnegie trok lering uit zijn werk bij de spoorwegen en hield de
kosten zo laag mogelijk.

De boekhouders moesten Carnegie iedere week een financieel overzicht sturen, waar hij zich ook bevond. Dat ging steevast retour met aantekeningen in de kantlijn, waaruit bleek dat de Schot erbovenop zat. Zo viel zijn oog eens op een post van een halve ton cokes per ton rails. Hij schreef in de kantlijn: ‘Acht bushel (ca. 140 kg, red.) zou genoeg moeten zijn om het ruwijzer te smelten, en vier bushel is zeker genoeg voor het spiegel-ijzer. Hoe verklaart u de rest?’

Naast een andere kostenpost in de boekhouding schreef hij: ‘Ik begrijp niet waarom er 13 ton kalk voor elke ton metaal nodig is. Het kan in elk geval niet om kalk gaan, dat is een ding wat zeker is. Puin misschien?’

Om de Bessemer-methode in zijn fabriek te optimaliseren nam hij een scheikundige aan, die hem uitlegde wat er precies gebeurde in de peervormige, vuurspuwende oven.

Carnegie dacht dat hij alles wel wist over ijzererts, maar de scheikundige drukte hem met de neus op de feiten. ‘Negen tiende van onze onwetendheid van het produceren van ruw ijzer verdween als sneeuw voor de brandende zon van de scheikunde,’ zo schreef Carnegie later.

Jarenlang was het bedrijf het enige met een scheikundige in dienst, en dat wierp zijn vruchten af. De onderneming groeide gestaag, en Carnegie werd de bekendste staalfabrikant ter wereld. Hij leverde het staal voor de allereerste wolkenkrabber, het Home Insurance Building in Chicago, en zijn staal hield blikvangers als de Brooklyn Bridge en het Washington Monument overeind.

Het geld klotste over de plinten, en in 1889 was Carnegie 30 miljoen dollar waard. Toen hij 54 was, wilde hij zich terugtrekken om met zijn 20 jaar jongere vrouw van het leven te gaan genieten. Het grootste deel van zijn vermogen zou hij aan het goede doel geven. Maar een gewelddadige staking op een van zijn bedrijven gooide roet in het eten.

Bloedige staking kostte Andrew Carnegie zijn pension

Niemand had verwacht dat de staking in de Homesteadfabriek in 1892 zo uit de hand zou lopen. Carnegie was wel een veeleisende baas: 12-uursdiensten waren niet ongewoon, en wie om de zondag vrij wilde zijn, moest de andere zondag 24 uur achter elkaar werken. Vergeleken bij veel andere industriëlen behandelde hij zijn werknemers echter goed, en ze droegen hem op handen. De machinisten van het bedrijf hadden zelfs een vereniging naar hem genoemd.

Maar terwijl Carnegie in 1892 op vakantie was in Schotland, draaide een arbeidsconflict op de staalfabriek in Homestead bij Pittsburgh uit op een bloedbad. De arbeiders sloten de fabriek af omdat machines en ongeschoolde werkers steeds meer gespecialiseerd werk van de staalarbeiders overnamen. Toen de plaatsvervanger van Carnegie een beveiligingsbedrijf inhuurde om de staking te breken, kwam het tot een schotenwisseling.

De arbeiders en de bewakers waren gewapend, en twee weken lang klonk er geweervuur in de straten van de stad. Negen staalwerkers en vier beveiligers kwamen om het leven.

Carnegie bleef in Schotland en hield zich afzijdig, maar dat kwam hem op kritiek van de kranten te staan, die erop wezen dat de Staalkoning zich altijd had laten voorstaan op zijn goede relaties met zijn werknemers.

Toen 6000 soldaten de stad binnentrokken om de orde te herstellen, was het voor Carnegie zonneklaar wie er de schuld zou krijgen: ‘De wond van Homestead is de enige die nog pijn doet. Ik was verantwoordelijk als eigenaar. Dit heeft me jarenlang achtervolgd.’

Met deze smet op zijn blazoen kon Carnegie zich niet terugtrekken. Het voorval was echter slechts een van de redenen dat hij zijn bedrijf moeilijk los kon laten. De Staalkoning had nog geen kinderen die het bedrijf voort konden zetten, en de metaalindustrie in de VS was weer booming. Carnegie was bang dat hij de boot zou missen.

Andrew Carnegie wordt nog rijker door handel met voorkennis

Niet het minst dankzij het pionierswerk van Carnegie werd er nu overal met staal gebouwd, en de verkoop steeg tot ongekende hoogte. Eind 19e eeuw had Carnegie Steel kantoren in alle grote steden van de VS en Canada en over de hele wereld vertegenwoordigers.

Carnegie bezat goederentreinen, mijnen, spoorlijnen en vrachtschepen, maar de trots van zijn imperium waren de enorme hoogovens, die 29 procent van al het Amerikaanse staal en de helft van de stalen balken waarmee bruggen en flats werden gebouwd produceerden. Ook beursspeculatie bracht geld in het laatje, en vandaag de dag zouden we van handel met voorkennis spreken. Dankzij zijn enorme zakennetwerk had Carnegie toegang tot informatie die voor gewone burgers verborgen bleef.

Daardoor kon hij aandelen kopen terwijl de prijs laag was, en ze weer met een woekerwinst verkopen als andere speculanten er veel later belangstelling voor kregen. Deze methode was eind 19e eeuw volkomen legaal en werd pas 30 jaar later verboden.

Dit alles legde Carnegie geen wind-eieren, en in 1900 bedroeg de winst van het concern 40 miljoen dollar. Een krant schreef: ‘Zo veel industriële macht heeft zich nog nooit in de handen van één man geconcentreerd.’

Maar de concurrenten van Carnegie hadden goed opgelet, en velen brachten net als hij alle onderdelen van de staalproductie onder in één concern. Het staalimperium kwam onder druk te staan, en de al wat oudere Schot stond voor een moeilijke keuze: hij kon de handschoen opnemen en zijn concurrenten nog een keer laten zien wie er de baas was, of het zakenleven voor eens en voor altijd vaarwel zeggen en zich op zijn tweede grote hartstocht storten: liefdadigheid.

Dat vond hij minstens even belangrijk als zo veel mogelijk winst maken: ‘Het is een heilige plicht voor de bezitter van meer geld dan hij nodig heeft om zijn rijkdom ten goede van de maatschappij te laten komen,’ zo zei hij te pas en te onpas.

Zijn hele leven had in het teken van hard werken gestaan. Was de tijd nu rijp om van het leven te gaan genieten? Thuis wachtten zijn vrouw Louise en zijn driejarige dochter op hem, en hij wilde boeken lezen en reizen.

Andrew Carnegie verkocht zijn bedrijf aan de concurrent

Op 12 december 1900 kwam een groep toonaangevende bankiers uit New York bijeen. Bankmagnaat J.P. Morgan zat naast Charles Schwab, een van de vertrouwelingen van Carnegie, die net als hij helemaal onderaan was begonnen en zich omhooggewerkt had.

Schwab was nu de directeur van Carnegie Steel en hij en Morgan waren al snel diep in gesprek. Na nieuwjaar zetten de twee de gedachtewisseling bij Morgan thuis voort. Opnieuw spraken de mannen urenlang, en vlak voordat Schwab op wilde stappen, zei Morgan: ‘Als Andy wil verkopen, wil ik kopen.’

Schwab besprak het met Carnegie tijdens een partijtje golf, en de inmiddels 65-jarige Schot beloofde dat hij het voorstel in overweging zou nemen. De volgende dag gaf hij Schwab een briefje waarop hij met potlood de verkoopprijs van zijn concern en alle bezittingen had uitgerekend. Carnegie had de waarde van zijn aandelen met 50 procent vermeerderd. Daarbij had hij de winst van dat jaar en de verwachte winst van het volgende jaar opgeteld, en zo was hij op 480 miljoen dollar uitgekomen – zo’n 9,8 miljard in huidige dollars.

Schwab leverde het papiertje bij J.P. Morgan af, die zijn blik er snel over liet glijden en meteen akkoord ging met de prijs. De deal was gesmeed. Carnegies levenswerk – zijn indrukwekkende zakenimperium – was nu van Morgan.

Een paar dagen later kwam Morgan op bezoek. Hij schudde zijn vroegere rivaal de hand en zei: ‘Mr. Carnegie, ik feliciteer u van harte. U bent nu de rijkste man ter wereld.’

De laatste 16 jaar van zijn leven bracht Carnegie in New York door, waar hij architecten de opdracht gaf om een ‘bescheiden, ruim huis’ te bouwen. Het resultaat was The Andrew Carnegie Mansion met 64 kamers, 20 bedienden en een lift tussen de vijf verdiepingen. Het huis aan 5th Avenue was de eerste privéwoning met een stalen skelet. Hier schreef Carnegie veel van zijn boeken, als hij niet op de golfbaan of op zijn Schotse kasteel Skibo Castle was.

In 1919 overleed Andrew Carnegie in de VS op de leeftijd van 83 jaar.

Roodgloeiende staven staal rolden door de fabrieken van Carnegie. Foto: Library of Congress & Shutterstock

Bekijk ook ...