De ijsman was zo’n 46 jaar oud toen hij werd doodgeschoten. Het lijk raakte meteen bedekt met sneeuw, waardoor aaseters het niet zagen.

© Scanpix

IJsmummie Ötzi bewaakt geheimen van de steentijd

De ijsmummie Ötzi lag 5300 jaar in een gletsjer voordat hij in 1991 opdook. Sindsdien heeft hij veel waardevolle kennis prijsgegeven over het leven in de steentijd, bijvoorbeeld over werktuigen, eetgewoonten en schoeisel. Maar over zijn grootste geheim zwijgt Ötzi nog.

6 juni 2018 door Torsten Weper

Archeologieprofessor Walter Leitner spreekt met een aanstekelijk enthousiasme over de oudste bewaarde mens ter wereld: Ötzi, de 5300 jaar oude ijsmummie uit de Alpen.

‘Ötzi is van enorme betekenis, hij is een absolute sensatie! Perfect geconserveerd, en niet alleen huid en haar, maar ook zijn organen, kleding en werktuigen – wat wil je nog meer?’ aldus Leitner.

De tijdreiziger Ötzi wordt vandaag de dag bewaard in een vriesruimte in het archeologische museum van Zuid-Tirol in Bozen (Bolzano). De bezoekers zien hem door een glazen ruit, maar wetenschappers mogen hem bestuderen in het laboratorium van het museum. 

Dat is een prima regeling, want het museum in het noorden van Italië heeft geen gebrek aan bezoekers, en Ötzi heeft honderden onderzoekers – forensisch deskundigen, radiologen, DNA-specialisten en vele anderen – van unieke kennis voorzien over het leven in de steentijd. 

Maar de ijsmummie geeft niet al zijn geheimen zomaar prijs. Zo duurde het 10 jaar vanaf de vondst in 1991 voordat vastgesteld was dat hij niet was doodgevroren op 3200 meter hoogte op de berg Similaun. In 2001 bleek uit een studie van röntgenfoto’s dat Ötzi was doodgeschoten met een pijl.

Twee jaar later werd bekend waar de ijsman had gewoond na een analyse van strontiumisotopen in zijn gebit en botten. Eenvoudig gezegd heeft de bodem van elk gebied zijn eigen strontiumsignatuur. 

Via het drinkwater komt het element in het lichaam terecht en wordt het afgezet in onder meer de tanden, die van het derde tot het vijfde levensjaar worden gevormd. De isotopen laten dus zien waar iemand in zijn jeugd woonde. 

Het dijbeenbot groeit je leven lang en toont latere woonplaatsen. Bij de ijsman werden twee verschillende waarden ontdekt. Dat betekent dat Ötzi is verhuisd toen hij volwassen was, zo stelt archeoloog Günther Kaufmann.

– Waar woonde hij?

‘Het gebit wijst op de streek ten oosten van Bozen. En zijn dijbeenbot verraadt dat hij als volwassene in het Etschdal woonde, tussen Meran en Trente.’

Ötzi’s dorp ontdekt

En in het Etschdal zijn inderdaad sporen gevonden van steentijdnederzettingen – een in het dorpje Latsch en een bij de middeleeuwse burcht Juval. Misschien woonde Ötzi daar wel.

Latsch en Juval liggen bij de ingang van het smalle Schnalsdal, dat de bergen in loopt – precies de weg die Ötzi 5300 jaar geleden moet hebben afgelegd voor hij op de berg aan zijn eind kwam.

Nu is het Schnalsdal een populair wandelgebied. Langs de bergweg, die pas in de jaren 1950 werd aangelegd, staan talloze hotels. Maar in de steentijd was het gebied met oerbos bedekt, zo vertelt antropoloog Simone Bacher van het openluchtmuseum ArcheoParc.

‘Het bos was vrij ondoordringbaar, want omgevallen bomen bleven gewoon liggen,’ zegt ze. ‘Maar de mensen haalden alles wat ze nodig hadden uit het bos, zoals de tondelzwam waarmee ze vuur maakten. Die groeit op dode bomen.’

Daarnaast leverde het bos brandhout en bouwmateriaal.

‘Hier in het Schnalsdal zijn geen sporen gevonden van nederzettingen uit de steentijd. Het dal was niet geschikt voor landbouw omdat de zomer er heel kort is. Maar uit stukjes vuursteen blijkt dat er wel mensen door het dal kwamen,’ legt Bacher uit.

In het ArcheoParc staan huizen die met materialen en methoden uit de steentijd gebouwd zijn.

‘Het is moeilijk te zeggen of onze reconstructie juist is. Het zal altijd een gok zijn,’ geeft Bacher toe. Al onze kennis is afkomstig van opgravingen, en van de huizen uit de steentijd is doorgaans weinig over.

‘Zo dachten we in het begin dat de buitenmuren van planken waren, dus van gespleten hout. Maar nu gaan we ervan uit dat de woonhuizen lemen wanden hadden. De planken moeten op het dak hebben gezeten.’

Een steentijdhuis was vrij klein en had geen plaats voor vee. Het bestond uit één ruimte met een lemen vloer en bedsteden langs de wanden. In het midden was een vuurplaats, en de rook ging door een gat in de muur naar buiten. 

Het huis van Ötzi moet blauw hebben gestaan van de rook, wat verklaart waarom hij ondanks een actief buitenleven zwarte longen had.

Steentijdboeren verbouwden onder meer gierst, hennep, papavers, bonen, erwten en eenkoorn – een vroege tarwesoort uit het Midden-Oosten. 

© Scanpix

Jager en boer

De nederzettingen in Latsch en Juval waren klein en stonden dicht op elkaar, legt professor Walter Leitner van de universiteit van Innsbruck uit: 

‘Zo was het werk makkelijker te verdelen. In een dorp moesten mensen zijn die gewassen verbouwden en ze verwerkten tot voedsel. Maar een dorpsgemeenschap had ook een pottenbakker en een vuursteensmid nodig. De inwoners moesten zich dus specialiseren, en iedereen was goed in zijn eigen taak.’

In de tijd van Ötzi was de tot dan toe grootste omwenteling uit de menselijke geschiedenis gaande: de overgang van jacht naar landbouw. De kunst van het bewerken van het land was uit Klein-Azië naar Europa gekomen.

‘Immigranten uit Klein-Azië stuitten op primitieve jagers, die vast verrast waren. De steentijdjagers namen de gebruiken van de nieuwkomers over: de zwakke partij neemt altijd de
ideeën van de sterke partij over, en zo breidde de kennis over landbouw, veeteelt en aardewerk zich uit.’

Professor Leitner gelooft echter niet dat er een scherpe grens was tussen boer en jager. Het was een geleidelijke overgang die vele generaties duurde, want een boer moest jagen als de oogst mislukte.

Waar de bodem vruchtbaar was, verliep de transitie snel, maar de mensen in schrale bergstreken als het Etschdal deden er lang over om een stabiele landbouw op te bouwen. 

Ötzi leefde een paar duizend jaar na de immigratie uit Klein-Azië, en uit zijn maaginhoud blijkt dat hij naast brood ook steenbok en hert at. Jagen was dus nog gebruikelijk.

Walter Leitner heeft zijn kennis niet alleen tijdens opgravingen opgedaan, hij is ook wetenschappelijk adviseur van de tentoonstelling Ötzi-Dorf even buiten Innsbruck. Daar kan hij zijn theorieën in de praktijk uitproberen.

In Ötzi-Dorf is geëxperimenteerd met leerlooien, veeteelt en werkzaamheden van steentijdboeren. Daaruit bleek bijvoorbeeld dat boeren niet hoefden te bukken bij het oogsten – dat zou heel slecht voor hun rug geweest zijn. In die tijd waren korenhalmen langer dan nu, en boeren konden dus rechtop staan.  

Regen was geschenk van de goden

We weten bar weinig over religie in de steentijd, maar in Ötzi-Dorf heeft Leitner geprobeerd zich een beeld te vormen: ‘Al het goede komt van boven, in de vorm van zon en regen. Om de goden te danken werden offergaven verbrand, die als dikke rook naar de hemel stegen,’ vertelt hij over de uitwisseling van geschenken tussen goden en mensen.

Het bewijs van deze offers aan de goden is een metersdikke aslaag. Op de offerplaatsen zijn duizenden jaren lang oogst- en dierenoffers verbrand.

‘Een offerfeest leek vermoedelijk op de oogstfeesten die ook nu nog worden gevierd: een deel van de oogst werd in processie naar een ceremonie met een priester en muziek gedragen.’

De sjamaan stond in contact met de goden, en de muziek werd gemaakt met fluiten en trommels.

Uit de mummie van Ötzi blijkt dat hij hoogstwaarschijnlijk geen boer was: zijn handen zijn te zacht en zijn armspieren te zwak. Maar wat was hij dan wel?

Leitner gokt op handelaar, hoofdman, sjamaan of wellicht krijger.

‘Tegen het eind van de steentijd ontstond er een nieuwe stand: de krijgers. De mens had koper leren smelten, en zo werden de eerste wapens ontwikkeld – dat wil zeggen speciale werktuigen die niet geschikt zijn voor de jacht. Krijgers werden door de eigenaren ingezet om
kopermijnen te verdedigen.

Toen Ötzi op de berg Similaun werd gevonden, lag er een koperen bijl bij hem in de buurt. Uit analyses blijkt dat het metaal afkomstig is van een koperader in Toscane, zo’n 500 kilometer naar het zuiden. Of de mensen in het Etschdal zelf koper smeedden is niet bekend. De bijl kan ook zijn gekocht.

De bijl van Ötzi is de enige complete koperen bijl die tot nu toe is gevonden. Verder zijn ze alleen bekend van tekeningen op menhirs – staande stenen. 

De onderzoekers vermoeden dan ook dat een bijl zo duur was dat alleen een hoofdman zich er een kon veroorloven. De inwoners van Etsch leefden in een uithoek en waren niet rijk, maar één gewilde handelswaar hadden ze: taxus.  

Ötzi liep door het Schnalsdal en beklom de Similaun van 3200 meter. Daar werd hij vermoord.  

© Paul Hanny, 1991

Ötzi maakte gebruik van de natuur

Taxushout is bij uitstek geschikt om er bogen van te maken, want de kern van de stam is hard en het omringende hout zacht. De handwerkslieden uit Etsch hakten een boog uit een dunne taxusstam met dezelfde eigenschappen als een moderne composietboog: sterk en flexibel. Ötzi had een boog die tot op 50 à 60 meter afstand dodelijk was.

Als pees gebruikte hij dierenpezen, die even sterk waren als het nylon dat nu wordt gebruikt. De materiaalkeuze duidt erop dat de steentijdmensen veel wisten over hun wereld, en de mogelijkheden die de natuur hun bood optimaal benutten. Als pijl dienden de takken van de struik wollige sneeuwbal.

De tijdgenoten van Ötzi verhitten ook berkenbast in kruiken, waardoor er een zwart teer uitkwam. Dat diende als lijm, bijvoorbeeld om een pijlpunt aan de pijl vast te maken.

In het bos groeiden geneeskrachtige paddenstoelen. Aan de riem van Ötzi hingen twee berkenzwammen, die wonden konden ontsmetten. Hij kon er ook thee van trekken tegen buikpijn.

Een zieke, oude man

Ötzi was bijna volledig gekleed toen hij werd gevonden. Al zijn kleren waren van leer en bont, wat geen goed beeld van de steentijd geeft: de mensen maakten wel degelijk stoffen van wol en vlas.

Ötzi’s kleding is gemaakt door bekwame ambachtslieden en nauwkeurig afgezoomd met dierenpezen. De huiden waren van schapen, geiten, beren en herten. Het valt op dat de kleren versleten zijn en vol vlekken zitten. Ze zijn provisorisch gerepareerd met een draad van grasvezel.

Medewerkers van het ArcheoParc hebben zijn kleding gereconstrueerd, maar dat viel bepaald niet mee.

‘Daarom werden kleren zo lang mogelijk opgelapt. Hoe je erbij liep, maakte niet uit,’ aldus Simone Bacher.

– Hij was een oudere heer van 46 jaar. Misschien was hij weduwnaar en had hij geen vrouw die kleren maakte?

‘Mogelijk,’ antwoordt Simone Bacher, waarna ze in lachen uitbarst.

‘Of vrijgezel,’ vult Günther Kaufmann van het archeologisch museum in Bozen aan. ‘We hebben geen idee, maar hij was in ieder geval oud voor zijn tijd.’

En Ötzi leed inderdaad aan ouderdomskwalen, zo blijkt uit het onderzoek. Hij had artrose in zijn knieën en een beginnende hernia in zijn rug. En gek genoeg leed hij aan aderverkalking – een moderne aandoening, veroorzaakt door roken, vet eten en zittend werk.

Hij was lactose-intolerant, wat een flinke handicap moet zijn geweest in een landbouwgemeenschap die melk en kaas maakte. Bovendien had de ijsman voetschimmel, een slecht gebit, wormen in zijn ingewanden en de ziekte van Lyme.

Ötzi was dus bepaald niet in topvorm tijdens zijn laatste bergtocht. 

Is de moord afgebeeld?

De Europeanen van de steentijd schreven niet, maar krasten boodschappen in grote stenen: menhirs. En op een daarvan is een man afgebeeld die een ander in de rug schiet. Volgens sommige onderzoekers is de steen een ‘getuigenverklaring’ over de moord op Ötzi. 

De menhir is 300 tot 500 jaar jonger dan Ötzi, dus een direct verband is er niet, maar hij stond bij Latsch, de mogelijke woonplaats van Ötzi. Misschien is het verhaal van de moord van generatie op generatie doorgegeven voordat het op de steen vereeuwigd werd. 

Er zijn 18 menhirs bekend in Noord-Italië. Op een andere staat een streng kijkende man, maar we weten niet of hij een god was of een hoofdman.

De menhir met de boogschutter werd ontdekt bij de restauratie van de Nicolaaskerk in Latsch in 1992 (l). Op een andere menhir staan een gezicht en maar liefst drie koperen bijlen (r).

De moordenaar op het spoor

Er zijn nog drie geheimen die de ijsman niet heeft prijsgegeven: wie was hij, waarom is hij vermoord en wie vuurde de dodelijke pijl af?

In de auto op weg naar Innsbruck doet Leitner een theorie uit de doeken die uitgaat van de kostbare koperen bijl. Die suggereert dat Ötzi belangrijk moet zijn geweest: een hoofdman of sjamaan.

‘Misschien was hij een oude hoofdman die een nieuwe generatie in de weg stond. Of een sjamaan die iemand verkeerd had behandeld, waarna de nabestaanden op wraak zonnen,’ speculeert Leitner. Zijn bewijs is een tekening op een manshoge menhir van een man die zijn pijl-en-boog richt op een tweede man.

‘De misdaad moest geheim blijven, maar iemand wist ervan. Het verhaal van de moord is eeuwenlang mondeling doorgegeven, tot het in de steen gekerfd werd,’ denkt professor Leitner.

De archeoloog Günther Kaufmann uit Bozen weet het nog zo net niet.

‘Is het niet een beetje té mooi om waar te zijn dat van de weinige vondsten uit de steentijd juist deze bij elkaar horen – de vermoorde hoofdman en de uitleg op een steen? De menhir is honderden jaren jonger dan Ötzi. Het lijkt me hoogst onwaarschijnlijk. Op de steen staan twee mannen naast elkaar, en een van hen houdt een boog vast. Maar dat wil niet zeggen dat hij de ander beschiet.’

Maar er is wel een saillant detail: de menhir is gevonden in het dorp Latsch, waar in de steentijd een nederzetting was. Isotopen laten zien dat Ötzi daar mogelijk heeft gewoond. 

Indien Leitner gelijk heeft, was Ötzi geen onschuldig slachtoffer, maar was hij een tiran of moordenaar die de straf kreeg die hem toekwam.

Ötzi heeft nog meer te vertellen

‘Archeologen moeten een zaak telkens vanuit een nieuwe invalshoek bekijken,’ stelt Kaufmann. ‘Het is als een puzzel waarvan je maar een paar stukjes hebt, en als je ze een klein beetje verplaatst, verandert het complete beeld.’

– Dat moet frustrerend zijn.

‘Nee, het is juist heel spannend! Je vindt steeds antwoorden die nieuwe vragen oproepen, en die zetten je weer op een ander spoor,’ zegt Kaufmann als een echte wetenschapper.

Op de eerste verdieping van het museum ligt Ötzi in zijn koude kamer. Het is er 6 graden onder nul en de luchtvochtigheid wordt steeds op 99 procent gehouden. Zo blijft de mummie bijna eeuwig goed, denkt Günther Kaufmann. 

En als er brand uitbreekt, kan Ötzi snel naar een speciale ruimte in het ziekenhuis van Bozen gebracht worden. De ijsman is 5300 jaar oud en de toekomst ligt aan zijn voeten. Hij heeft nog heel wat geheimen te verklappen.

Lees ook

Angelika Fleckinger: Ötzi, the Iceman: The Full Facts at a Glance, Folio Verlag, 2011. Albert Zink: Ötzi, Reclam, 2016 Gudrun Sulzenbacher: The Glacier Mummy, Folio Verlag, 2015.

Bekijk ook ...